Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de zijde van [eiser] ingekomen producties 11 tot en met 21;
- de na afloop van de mondelinge behandeling van de zijde van partijen ingekomen producties (notariële akte en taxatierapport).
2.De feiten
3.Het geschil
(i) de legitimaire massa van de nalatenschap van de erflater vaststelt;
(iii) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] het bedrag van zijn legitieme portie te betalen.
4.De beoordeling
(i) saldi van verschillende bankrekeningen;
(ii) gereedschap en machines;
(iii) beelden en kunstobjecten;
(iv) overige roerende zaken;
(v) netto opbrengst verkoop huis in Duitsland.
De waardes die aan deze goederen moeten worden toegekend, staan wel ter discussie. Daarnaast is in geschil of de nalatenschap al dan niet een vordering heeft op [gedaagde] . De rechtbank overweegt over één en ander als volgt.
€ 7.350,95.
De rechtbank neemt een waarde van € 600,00 mee in de verdere beoordeling.
“Verkoper en koper zijn met betrekking tot de betaling van het restant bedrag, derhalve een bedrag van negenduizend euro (€ 9.000,00), een overeenkomst van afstand om baat aangegaan. Ter uitvoering daarvan heeft verkoper ten gunste van de koper afstand gedaan van haar vorderingsrecht tot betaling van dat bedrag, waartegenover koper, ten titel van geldlening jegens de verkoper, schuldig heeft erkend een bedrag groot negenduizend euro (€ 9.000,00), welke schuldigerkenning door verkoper is aanvaard.”
(i) een gift van € 36.000,00 in verband met de verkoop van de woning in Heerhugowaard;
(ii) een gift van € 5.363,00 d.d. 5 mei 2018 (schenking);
(iii) een gift van € 1.300,00 d.d. 27 augustus 2020 (tv);
(iv) een gift van € 1.000,00 d.d. 7 september 2020 (ballonvaart);
(v) een gift van € 1.525,00 d.d. 3 maart 2017 (huur);
(vi) een gift van € 1.500,00 d.d. 7 maart 2017 (huur);
(vii) een gift van € 1.500,00 d.d. 23 maart 2017 (tv);
(viii) een gift van € 229,00 d.d. 23 augustus 2021 (huur);
(ix) een gift van € 210,00 d.d. 24 juni 2021 (stofzuigen). [10] Het totaalbedrag van deze gestelde giften is: € 48.627,00.
[gedaagde] brengt hier tegenin dat de door de taxateur bij zijn waardering geen rekening heeft gehouden met het feit dat [gedaagde] de woning huurde van de erflater. Daarbij komt dat [gedaagde] aan de taxateur heeft verzocht de woning tegen een hogere waarde dan de werkelijke waarde te taxeren. Dit omdat [gedaagde] een hogere hypothecaire geldlening wenste te verkrijgen, aldus [gedaagde] .
Dat de taxateur op verzoek van [gedaagde] de woning tegen een hogere waarde dan de reële waarde heeft getaxeerd, blijkt nergens uit. Ook niet uit het door [gedaagde] met instemming van [eiser] na de mondelinge behandeling nagezonden taxatierapport. De rechtbank verwerpt de verweren van [gedaagde] .
De slotsom van het voorgaande is dat bij de verdere beoordeling van dit geschil, rekening zal worden gehouden met een gift van € 36.00,00 van de erflater aan [gedaagde] .
(i) een gift van € 1.300,00 d.d. 12 juli 2016;
(ii) een gift van € 400,00 d.d. 7 december 2017;
(iii) een schenking van € 5.363,00 d.d. 1 juli 2018;
(iv) een gift van € 4.400,00 d.d. 1 september 2018;
(v) een gift van € 1.000,00 d.d. 18 februari 2019;
(vi) een gift van € 9.315,00 (auto 2012);
(vii) een gift van € 258,75 (Nibo houten schutting) [13] .
[eiser] erkent hiermee voor een bedrag van € 22.036,75 aan giften te hebben ontvangen van de erflater.
De overige door [gedaagde] gestelde giften heeft [eiser] betwist.
4.29. Onderdeel van het door [gedaagde] gestelde totaalbedrag van € 121.599,35 is een bedrag van € 83.086,17. Laatstgenoemd bedrag ziet op het aan [eiser] betaalde deel van de netto-verkoopopbrengst van de woning in Duitsland.
[eiser] heeft één en ander weersproken.
“Betaling van een bike en rolstoel”. Ook het beroep van [gedaagde] op de door hem ingediende schriftelijke verklaring is vergeefs. Bij gebrek aan bijkomende objectieve aanknopingspunten, is de enkele overlegde schriftelijke verklaring, kennelijk opgesteld vanwege deze procedure, van onvoldoende gewicht om het bestaan van de betwiste geldlening uit af te leiden.
€ 190.841,37 [18] .
€ 25.673,59.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het voor hem moeilijk was om de informatie te verzamelen die nodig was voor het begroten van de legitieme portie van [eiser] . Ook heeft [gedaagde] een beroep gedaan op persoonlijke omstandigheden. [gedaagde] verbindt aan een en ander de conclusie dat het niet redelijk zou zijn als hij wettelijke rente zou moeten betalen. De rechtbank gaat daaraan voorbij, omdat alle door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden niet afdoen aan het feit dat hij met ingang van 3 april 2024 in verzuim is.