ECLI:NL:RBNHO:2025:14576

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/15/353198/ FA RK 24-2812 en C/15/358494/ FA RK 24-5559
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening van medewerking aan de verbreking van een religieuze verbintenis en de afwikkeling van huwelijksvermogensrecht naar Iraans recht

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die in 2018 in Iran zijn getrouwd. De vrouw verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken en om diverse nevenvoorzieningen, waaronder de verdeling van de inboedel, de toewijzing van de echtelijke woning, en partneralimentatie. De man verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken, maar verzet zich tegen de nevenvoorzieningen die de vrouw heeft verzocht. De rechtbank heeft vastgesteld dat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en dat het Nederlandse recht van toepassing is. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld tot het betalen van partneralimentatie van € 1.353 bruto per maand aan de vrouw. Daarnaast heeft de rechtbank de vrouw het recht gegeven om gedurende zes maanden in de echtelijke woning te blijven wonen. De rechtbank heeft ook de wijze van verdeling van de inboedel en de woning vastgesteld, waarbij de man de mogelijkheid heeft gekregen om de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw om de bruidsgave en de medewerking aan de Iraanse religieuze echtscheiding toegewezen, maar heeft de verzoeken van de man om de nevenvoorzieningen af te wijzen. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de beslissing over de echtscheiding zelf, die pas geldt na inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familierecht
Zaakgegevens: C/15/353198/ FA RK 24-2812 (echtscheiding)
C/15/358494/ FA RK 24-5559 (huwelijksvermogensrecht)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 14 oktober 2025
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri,
e n
[de man],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.H. van Haga.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 en 2, ingediend op 17 mei 2024;
het bericht van de vrouw van 11 juni 2024, met bijlage;
het verweerschrift van de man met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), met bijlagen 1 tot en met 11;
het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen 1 tot en met 12;
het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken, met bijlagen 12 tot en met 16;
het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen 13 tot en met 17;
bericht van de man van 25 juli 2025, met bijlagen 17 tot en met 32;
et bericht van de vrouw van 28 juli 2025, met bijlagen 18 tot en met 22;
de pleitnota van de vrouw, en
de pleitnota van de man.
1.2.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.3.
De vrouw en de man zijn, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich binnen een termijn van twee weken uit te laten over (de gevolgen van) het toepasselijke Iraanse recht op het huwelijksvermogensregime. Daarnaast is de vrouw verzocht alsnog een (goed leesbare) kopie van de Iraanse huwelijksakte over te leggen. Van beiden is op 21 augustus 2025 een akte ontvangen en van de vrouw is ook een kopie van de Iraanse huwelijksakte ontvangen. Overige door de vrouw toegezonden bijlagen laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat daarvoor geen toestemming is verleend. Om die reden laat de rechtbank ook de inhoud van haar akte buiten beschouwing voor zover die ziet op de partneralimentatie.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De vrouw en de man zijn op [huwelijksdatum] 2018 in [plaatsnaam] (Iran) met elkaar getrouwd. Het huwelijk is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand.
2.2.
Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden de vrouw en de man de Iraanse nationaliteit. De man en de vrouw hebben vanaf 3 mei 2024 ook de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
In de Iraanse huwelijksakte zijn de vrouw en de man huwelijkse voorwaarden overeengekomen.
Wat ligt voor?
2.4.
De vrouw verzoekt – na wijziging – de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de echtelijke woning aan het adres aan de [adres 1 + postcode] [woonplaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
te bepalen dat partijen binnen twee weken na de datum van de door de rechtbank te geven beschikking een taxateur/makelaar aanwijzen, namelijk de taxateur/makelaar, genaamd [makelaar], die partijen heeft bijgestaan bij de aankoop van de woning. Indien deze makelaar niet beschikbaar is, een taxateur/makelaar naar de keuze van de vrouw;
te bepalen dat de benoemde taxateur/makelaar, in aanwezigheid van beiden, binnen vier weken na de datum van de door de rechtbank te geven beschikking, de echtelijke woning gelegen aan de [adres 1 + postcode], gemeente [woonplaats] zal taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies in de zin van art. 7:900 lid 2 BW;
te bepalen dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;
te bepalen dat de vrouw eerst gedurende vier maanden na het opmaken van het taxatierapport de gelegenheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen tegen de vastgestelde waarde, onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de op de echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening, de vrouw deze geldlening als eigen schuld zal voldoen onder de verplichting ten tijde van de levering van het aandeel van de man bij de notaris de helft van de overwaarde (de taxatiewaarde minus de hypothecaire geldlening en overige kosten) aan de man te voldoen;
te bepalen dat bij toedeling van de echtelijke woning de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;
te bepalen dat, wanneer de vrouw na de termijn van vier maanden na het opmaken van het taxatierapport niet in staat is geweest om de echtelijke woning over te nemen, partijen binnen twee weken na verstrijken van de genoemde vier maanden de benoemde taxateur/makelaar opdracht geven tot verkoop van de woning tegen de getaxeerde verkoopprijs;
te bepalen dat indien partijen niet binnen de termijn van twee weken na het verstrijken van de viermaandentermijn gegeven aan de vrouw om de woning over te nemen de benoemde taxateur/makelaar opdracht hebben gegeven tot verkoop, de vrouw afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan de door haar gekozen taxateur/makelaar voor de verkoop van de echtelijk woning;
te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;
te bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;
te bepalen dat de netto overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld in gelijke helfte;
de man te veroordelen om mee te werken aan het bovengenoemde en te bepalen dat voor het geval de man weigert zijn medewerking aan het bovengenoemde te verlenen, de door de rechtbank te geven beschikking voor de verklaring van de man in de notariële transportakte in de plaats treedt, zulks op basis van artikel 3:300 BW;
te bepalen dat aan de vrouw ten laste van een uitkering tot levensonderhoud wordt toegekend van € 2.663 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, per de datum van de door de rechtbank te geven beschikking;
m binnen veertien dagen na betekening van de in deze te geven beschikking zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met een geestelijke, zoals de heer [achternaam], en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te Den Haag, onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat gedaagde weigert aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 500.000;
te bepalen dat de vrouw toebedeeld krijgt de televisie en de salontafel met zes stoelen en dat partijen in onderling overleg verder zullen gaan tot verdeling van de inboedelgoederen;
te bepalen dat de [merk 1] aan de man wordt toebedeeld en dat de man de helft van de dagwaarde aan de vrouw dient te voldoen ad € 18.000 en subsidiair dat partijen in onderling overleg de [merk 1] verkopen aan een derde partij, zoals ‘ikwilvanmijnautoaf.nl’;
de auto van het merk [merk 2] toe te delen aan de man, onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden;
de man te veroordelen tot overdracht van 7 Bahar-e Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8.13598 (g), met nettogewicht van puur goud 7.32238 (g), 22 mm met een puurheid van 0.9000 of een equivalent daarvan gelijk aan € 4.811,80 binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking;
e bepalen dat de aandelen van partijen aan de man worden toebedeeld, waarbij de man aan de vrouw dient te voldoen de helft van de waarde op de peildatum ad € 750;
te bepalen dat de aandelen van de man in de onderneming van de werkgever aan de man worden toebedeeld, waarbij de man aan de vrouw dient te voldoen de helft van de waarde op de peildatum ad € 5.000;
voor recht te verklaren dat:
- het huwelijksvermogensregime van partijen naar Iraans recht moet worden afgewikkeld;
- de beperkte gemeenschap van partijen enkel de in deze procedure behandelde bestanddelen betreft, en
- dat het huwelijksvermogen van partijen na deze procedure is afgewikkeld.
2.5.
De man verzoekt - na wijziging - de rechtbank het verzochte onder b) tot en met v) af te wijzen. Hij verzoekt – na wijziging ter zitting – de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
dat aan de man de woning staande en gelegen in [postcode] [woonplaats] aan de [adres 1] wordt toebedeeld tegen de door de taxateur/makelaar bepaalde waarde, onder de verplichting de hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening, alsmede aan de vrouw binnen vier maanden na de in dezen te geven beschikking de helft van de eventuele overwaarde van de woning uit te keren, waarbij de overwaarde bestaat uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening en de overige kosten ten behoeve van de overname;
dat de kosten van het notariële transport voor rekening van beide partijen komen;
e vrouw te veroordelen om mee te werken aan het bovengenoemde en te bepalen dat, voor het geval de vrouw weigert haar medewerking aan het bovengenoemde te verlenen, de beschikking voor de verklaring van de vrouw in de notariële transportakte in de plaats treedt, zulks op basis van artikel 3:300 BW;
te bepalen dat partijen in onderling overleg zullen overgaan tot verdeling van inboedelgoederen in die zin dat zij telkens om beurten een item mogen uitkiezen wat hem/haar dan zal toekomen volgens het systeem: eerste keus vrouw, tweede en derde keus man, vierde en vijfde keus vrouw, zesde en zevende keus man etc.;
te bepalen dat ieder van partijen binnen twee weken na de datum van de beschikking de lijst met inboedelgoederen aanvult, waarbij de vrouw de man in de gelegenheid moet stellen om – op een door de man aangewezen dag en tijdstip – door de woning te lopen om de lijst te vervolmaken en dat partijen na afloop van voornoemde termijn binnen twee weken op de wijze als omschreven onder e) de inboedelgoederen op de lijst moeten verdelen;
te bepalen de inboedelgoederen na verdeling feitelijk in ieders bezit moeten worden genomen en indien nodig aan de ander te worden afgegeven binnen twee weken na de verdeling onder verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag voor elke dag dat een item door de een niet wordt afgegeven aan de ander;
te bepalen dat de gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer 1] wordt opgeheven en het saldo per datum opheffing bij helfte wordt verdeeld tussen partijen;
te bepalen dat de [merk 1] met het kenteken [kenteken 1] tegen de geldende marktwaarde wordt verkocht waarna de opbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld en te bepalen dat de man alle benodigde taken met betrekking tot de verkoop op zich zal nemen;
te bepalen dat partijen ieder volledig draagplichtig zijn voor de openstaande leaseschuld bij [schuldeiser];
te bepalen dat de [merk 2] [type] met het kenteken [kenteken 2] aan de man wordt toegedeeld tegen de marktwaarde van € 10.438 waarna de man de helft van de waarde, zijnde een bedrag € 5.219 aan de vrouw dient te voldoen;
te bepalen dat het appartement staande en gelegen tegenover [adres 2] wordt verkocht waarna de helft van de verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld en te bepalen dat de vrouw het aandeel van de man binnen één maand na de beschikking dient te voldoen aan de man;
te bepalen dat de vrouw volledig draagplichtig is voor de openstaande schuldfactuur aan de mediator [naam mediator] met als declaratienummer [declaratienummer] van 18 juni 2024 ter hoogte van € 1.508,87;
te bepalen dat de vrouw de helft van het uitgeleende bedrag aan haar broer van € 18.181,81 zijnde een bedrag van € 9.090,90 binnen acht dagen na de datum van de beschikking aan de man dient te voldoen;
nadat het duidelijk is geworden dat de man de woning niet kan overnemen partijen een taxateur/makelaar aanwijzen, hetzij één gemeenschappelijke taxateur/makelaar, hetzij ieder één taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen;
te bepalen dat de door partijen gezamenlijk benoemde taxateur/makelaar, dan wel de drie taxateurs/makelaars tezamen, in aanwezigheid van beide partijen, de woning [postcode] [woonplaats] aan [adres 1] zal/zullen taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies in de zin van art. 7:900 BW;
te bepalen dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;
te bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar opdracht geven tot verkoop van de woning, tegen een door de makelaar getaxeerde verkoopprijs;
te bepalen dat indien partijen niet binnen twee een makelaar opdracht hebben gegeven tot verkoop, ieder van hen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan een NVM-makelaar voor de verkoop van de woning [postcode] [woonplaats] aan [adres 1];
e bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;
te bepalen dat de kosten van het notariële transport voor rekening van beide partijen komen;
te bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
te bepalen dat de hypothecaire geldlening bij [bank] met hypotheeknummer [hypotheeknummer] bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht van de woning zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
te bepalen dat de netto overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld;
de vrouw te veroordelen om mee te werken aan het bovengenoemde en te bepalen dat, voor het geval de vrouw weigert haar medewerking aan het bovengenoemde te verlenen, deze beschikking voor de verklaring van de vrouw in de notariële transportakte in de plaats treedt, zulks op basis van artikel 3:300 BW;
te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 1.609,69 aan de gemeenschap moet vergoeden.
2.6.
De vrouw verzoekt de rechtbank het door de man verzochte onder b) tot en met z) af te wijzen.
2.7.
Voor zover dat voor de beoordeling van belang is, gaat de rechtbank hierna nader in op de standpunten van partijen.

3.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende verzoeken en welk recht zij bij de beoordeling van de verzoeken moet toepassen.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. [1] De rechtbank zal op het echtscheidingsverzoek Nederlands recht toepassen. [2]
Duurzame ontwrichting
3.3.
De rechtbank zal op verzoek van partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dit zo is.
Iraanse religieuze scheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.4.
Omdat het verzoek van de vrouw is gebaseerd op een onrechtmatige daad, is voor de bevoegdheid van de rechtbank bepalend de woonplaats van de man. [3] De Nederlandse rechter is dus bevoegd om van het verzoek van de vrouw kennis te nemen. De rechtbank past het Nederlandse recht toe, omdat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, en de door de vrouw gestelde schade zich (ook) in Nederland voordoet. [4]
Huwelijkse gevangenschap
3.5.
De vrouw stelt dat zij is gevangen in het religieuze huwelijk met de man omdat hij niet mee wil werken aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding bij de Iraanse ambassade in Den Haag. Zij wordt daardoor in haar levensmogelijkheden beperkt. Zo wordt in Iran een nieuwe relatie zonder echtscheiding naar religieus recht aangemerkt als overspel, hetgeen in Iran een strafbaar feit is en vaak met de doodstraf door steniging wordt bestraft. De vrouw wil daarom dat de man veroordeeld wordt zijn medewerking te verlenen aan de Iraanse religieuze echtscheiding volgens het stappenplan zoals door haar bijgevoegd (bijlage 4 van de vrouw). Er is bovendien sprake van een in Iran erkende grond voor echtscheiding, omdat er sprake is van huiselijk geweld van de man naar de vrouw.
3.6.
De man wil dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen omdat zij een dergelijk verzoek niet kan doen. De echtscheiding is nog niet uitgesproken en ingeschreven in de daartoe bestemde registers. Bovendien heeft zij geen belang bij haar verzoek omdat de vrouw de echtscheiding kan aanvragen in Iran. De man heeft daartoe een volmacht verleend. De man kan niet veroordeeld worden tot medewerking aan het stappenplan omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in het stappenplan. De vrouw moet voor een Iraanse echtscheiding een keuze maken over welke vorm van scheiding zij wil. Die keuze wordt opgenomen in de “Verklaring van sharia-scheiding”, welke verklaring moet worden overgelegd om een Iraanse echtscheiding mogelijk te maken. De man wil bovendien wel meewerken aan een Iraanse religieuze echtscheiding maar hij wil daarvoor gecompenseerd worden en de wijze waarop dat gebeurt moet ook worden opgenomen in de “Verklaring van sharia-scheiding” en daarvoor moeten partijen afspraken maken of de vrouw moet deze kwestie in het kader van een scheidingsprocedure in Iran aan de rechter voorleggen. Er is geen sprake van huiselijk geweld naar de vrouw.
3.7.
De rechtbank verwerpt de stelling van de man dat de vrouw een dergelijk verzoek niet kan doen omdat de Nederlandse rechter de echtscheidingsbeschikking nog niet heeft afgegeven en de echtscheiding nog niet is ingeschreven in de het daarvoor bestemde register. In de wet is bepaald dat een dergelijk verzoek kan worden ingediend als nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure. [5]
3.8.
De man stelt onweersproken dat de vrouw zijn medewerking voor de Iraanse religieuze echtscheiding niet nodig heeft. Uit de huwelijksvoorwaarden blijkt dat de man en de vrouw zijn overeengekomen dat de man de vrouw machtigt om te scheiden. Deze volmacht is nader uitgewerkt in de akte van volmacht van 4 november 2018 (bijlage 17 van de man). Uit de afspraken van partijen blijkt dat aan de vrouw een onherroepelijke volmacht is verleend voor onder meer het inschakelen van een advocaat, het indienen van een echtscheidingsverzoek, het voeren van een echtscheidingsprocedure en het aanvragen en uitvoeren van een uitvoeringsbesluit. Ook is opgenomen dat ‘de echtscheiding kan welke soort dan ook zijn onder welke voorwaarden en afspraken en op welke wijze dan ook’, waaronder ook de zelfverstoting (‘khula’). In feite heeft de man met deze volmacht zijn medewerking aan de Iraanse religieuze echtscheiding verleend, althans heeft de vrouw de medewerking van de man niet meer nodig. Gelet op het vorenstaande had het op de weg van de vrouw gelegen om toe te lichten en aan te tonen waarom en waarvoor zij – naast de aan haar gegeven onherroepelijke volmacht – nog de medewerking van de man nodig heeft voor het bewerkstelligen van de Iraanse religieuze echtscheiding. Dat heeft zij niet gedaan. Ook haar stelling dat de man haar een uitreisverbod uit Iran kan opleggen, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft die stelling betwist en erop gewezen dat in de huwelijksakte is opgenomen dat de vrouw zonder toestemming van de man het land mag verlaten. De vrouw heeft niet nader toegelicht of uitgelegd waarom zij toch een uitreisverbod moet vrezen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.
Bruidsgave
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.9.
De overeenkomst over de bruidsgave kan niet los worden gezien van het huwelijk en de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan omdat de bruidsgave een vermogensrechtelijke aanspraak creëert als gevolg van het huwelijk en/of de ontbinding daarvan.
3.10.
Omdat het verzoek door de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 en de rechtbank bevoegd is te beslissen over de echtscheiding, heeft de rechtbank ook rechtsmacht om te beslissen over de bruidsgave. [6]
3.11.
Partijen zijn in de Iraanse huwelijksakte overeengekomen dat de vrouw als bruidsgave recht heeft op 110 Bahar-e Azadi gouden munten, die zij te allen tijde op kan eisen van de man. In feite zijn partijen een overeenkomst tot betaling van een bruidsgave overeengekomen. Er is gesteld noch gebleken dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig is. Beide partijen hebben deze bepaling ondertekend. De vraag of de vrouw aanspraak kan maken op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar die aanspraak tot stand is gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. De bruidsgave vloeit voort uit het door partijen naar Iraans recht gesloten huwelijk. De rechtbank is van oordeel dat op de bepaling over de bruidsgave in de huwelijksakte van partijen het Iraans recht van toepassing is. [7]
3.12.
De vrouw wil dat de man 7 Bahar-e Azadi gouden munten of het equivalent daarvan aan haar betaalt, omdat partijen deze bruidsgave met elkaar zijn overeengekomen in de huwelijksakte en de vrouw een in Iran erkende grond voor echtscheiding heeft omdat er sprake is van huiselijk geweld.
3.13.
De man wijst erop dat het verzoek van de vrouw om het equivalent van de bruidsschat in euro’s te ontvangen van de man, niet gelijktijdig met het verzoek om de medewerking van de man aan een scheiding naar Iraans recht kan worden ingediend omdat de vrouw de man moet compenseren voor zijn medewerking aan de gewenste echtscheiding. De man heeft de vrouw niet mishandeld en daarom heeft hij recht op compensatie voor de door de vrouw gewenste Iraanse religieuze echtscheiding.
3.14.
De bruidsgave is een rechtsfiguur in het islamitische recht. Het gaat om een toezegging tot betaling van geld en/of goederen van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vanaf de dag van de huwelijkssluiting is de vrouw eigenaar en rechthebbende van de bruidsgave en zij kan vanaf dat moment de bruidsgave op ieder moment opeisen. [8] [9]
3.15.
Volgens het Iraans recht kan een vrouw enkel op basis van een aantal gronden zelfstandig een verzoek tot echtscheiding indienen. Als het verzoek is gebaseerd op één van die echtscheidingsgronden, behoudt zij haar aanspraak op de bruidsgave. Naast de wettelijke echtscheidingsgronden kunnen echtgenoten aanvullende gronden overeenkomen in hun huwelijksakte. In de huwelijksakte hebben partijen de (aanvullende) echtscheidingsgronden opgenomen. Voor zover hier van belang zijn partijen overeengekomen:

The cases in which Wife can apply to the court for the issuance of a decree to get a divorce:
(…)
2) Husband’s misbehavior or ill-natured socialization to such an extant that makes it insupportable for Wife to continue living.
(…)
3.16.
Als de vrouw de echtscheiding verzoekt en de grond daarvoor niet is gebaseerd op een van de echtscheidingsgronden, is er sprake van een ‘khul’. [10] Bij een ‘khul’ moet de vrouw aan de man een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden. Deze compensatie bestaat meestal uit kwijtschelding van het onbetaalde deel van de bruidsgave, maar kan ook uit elke andere vorm van compensatie bestaan. [11]
3.17.
In geschil is of de vrouw de man moet compenseren in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden. Partijen zijn in de huwelijksakte overeengekomen dat de vrouw als bruidsgave recht heeft op 110 Bahar-e Azadi gouden munten. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw 103 Bahar-e Azadi gouden munten aan de man heeft kwijtgescholden. Deze kwijtschelding is vastgelegd in een akte van financiële verklaring van 4 november 2018 (bijlage 18 van de man). Van de overeengekomen 110 Bahar-e Azadi gouden munten resteren er dus nog zeven. Tot op heden is (het restant van) die bruidsgave niet door de man aan de vrouw voldaan.
3.18.
De huwelijksakte van partijen bevat onder ‘other conditions’ een volmacht tot echtscheiding, zoals in 3.8 is vermeld. Aan die volmacht is in de huwelijksakte de voorwaarde verbonden dat de bruidsgave door de man wordt verkregen of aan hem wordt geschonken. Vervolgens is de volmacht nader uitgewerkt in de akte van volmacht van 4 november 2018 en heeft de vrouw op dezelfde datum en bij akte een groot deel van de bruidsgave kwijtgescholden aan de man. Omdat toelichting van beide partijen hierover ontbreekt, gaat de rechtbank ervan uit dat deze aktes samenhangen. Beide aktes zijn op dezelfde dag bij dezelfde notaris verleden. Gelet op de samenhang concludeert de rechtbank dat de vrouw in ruil voor de door de man aan haar verleende volmacht om zelfstandig te kunnen scheiden de man een vergoeding heeft aangeboden door kwijtschelding van een deel van haar bruidsgave. In de akte van volmacht van 4 november 2018 staat bovendien niets meer vermeld over het compenseren van de man of afstand doen van de bruidsgave. Aan de vrouw is dus zonder voorbehoud of voorwaarde een volmacht verleend tot het bewerkstelligen van een echtscheiding. Dat betekent dat de vrouw de man niet (nogmaals) hoeft te compenseren en zij aanspraak heeft op het resterende deel van de bruidsgave (7 Bahar-e Azadi gouden munten).
3.19.
De rechtbank moet ambtshalve oordelen of de afspraak tot betaling van de bruidsgave buiten toepassing moet blijven wegens strijd met de Nederlandse openbare orde. [12]
3.20.
Van strijd met de openbare orde is in dit geval geen sprake. Hoewel de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave van 7 Bahar-e Azadi gouden munten leidt tot negatieve financiële gevolgen voor de man zijn deze gevolgen door de kwijtschelding van de vrouw beperkt. Bovendien heeft de man zelf een algemene onherroepelijke volmacht aan de vrouw gegeven in ruil voor kwijtschelding van een deel van de bruidsgave van de vrouw. Dat de vrouw nu aanspraak maakt op het resterende deel van de bruidsgave is het gevolg van de keuze van partijen.
3.21.
Omdat de man zich niet verzet tegen de door de vrouw gestelde specificaties van de Bahar-e Azadi gouden munten en wel tegen betaling van de euro equivalent daarvan, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot betaling in Bahar-e Azadi gouden munten toewijzen. Hetzelfde geldt voor de termijn waarbinnen de man deze gouden munten aan de vrouw moet overdragen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.22.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de man in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft en het verzoek zich tegen de man richt. [13] Omdat de vrouw aanspraak maakt op partneralimentatie en zij in Nederland gewone verblijfplaats heeft, past de rechtbank het Nederlandse recht toe. [14]
Ingangsdatum
3.23.
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen, voor zover heeft verzocht de partneralimentatie in te laten gaan vanaf de datum van deze beschikking.
Huwelijksgerelateerde behoefte
3.24.
Bij de berekening van partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
3.25.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
3.26.
De man heeft gezegd dat in dit geval de hofnorm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Hij heeft alleen niet voldoende toegelicht waarom die vuistregel hier niet opgaat, zodat de rechtbank toch de hofnorm toepast.
3.27.
De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Niet is in geschil dat het jaar 2023 daarvoor leidend is. Het inkomen van de man bedroeg toen € 5.516 per maand. [15] Dat volgt uit de jaaropgave 2023 [16] en de loonstrook van februari 2024 [17] waarop de door de man ontvangen bonus over 2023 blijkt. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat de aandelen die de man van zijn werkgever heeft ontvangen als inkomen moeten worden meegenomen, omdat dit vermogen is en geen inkomen waar partijen van hebben geleefd. Het inkomen van de vrouw bedroeg toen € 4.016 per maand. [18] Dat volgt uit de twee jaaropgaves van 2023 van de vrouw. [19] Het netto besteedbaar inkomen bedroeg in 2023 € 9.532 per maand.
3.28.
Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm dus 60% nodig. Dat was € 5.719 netto per maand in 2023. [20] Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 6.468 netto per maand.
Behoeftigheid
3.29.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 6.468 netto) te verdienen. Als zij daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.
3.30.
Vanuit de zijde van de vrouw is geen berekening overgelegd waaruit haar behoefte blijkt. De rechtbank rekent daarom op basis van haar meest recente inkomensgegevens. Uit de salarisspecificaties van april tot en met juni 2025 [21] blijkt dat de vrouw een loon heeft van € 6.234 bruto per maand exclusief keuzebudget en een toelage ‘TPT’. Daarvan houdt zij netto € 4.491 per maand over. [22]
3.31.
Als dit inkomen in mindering wordt gebracht op voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 4.491 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 1.977 (€ 6.468 - € 4.491 =) netto per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld nettobedrag tot € 3.916 per maand. [23]
Draagkracht van de man
3.32.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.
3.33.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI). Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
3.34.
Het NBI berekent de rechtbank op basis van de overgelegde salarisspecificaties van april tot en met juni 2025 [24] , waarop een inkomen van € 8.302 bruto per maand exclusief vakantietoeslag staat vermeld. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de bonus over 2024 die door de man in februari 2025 [25] is ontvangen, omdat de man jaarlijks een bonus ontvangt. Het NBI is dan € 6.020. [26] Voor zover de man stelt dat in het geheel geen rekening moet worden gehouden met een bonus gaat de rechtbank daaraan voorbij omdat in elk geval vaststaat dat de man de afgelopen drie achtereenvolgende jaren een bonus heeft ontvangen en de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dat voor de toekomst anders zal zijn.
3.35.
Op basis van de hiervoor genoemde formule is er dan een bedrag beschikbaar van € 1.742 netto per maand.
3.36.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag man de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt man minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 2.786 bruto per maand.
Vergelijking van de financiële situaties
3.37.
Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat de man een bedrag van € 2.786 bruto per maand kan betalen en dat de vrouw ook behoefte heeft aan dit bedrag. Het ligt dan voor de hand dat de man dit bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Maar de man heeft ook aangevoerd dat het onredelijk zou zijn als door de betaling van dat bedrag hij minder overhoudt dan de vrouw. Anders gezegd, de vrouw mag niet beter af zijn dan de man na betaling van de partneralimentatie. Om te kunnen vaststellen of die situatie zich hier voordoet, moet de rechtbank de financiële situatie van de vrouw vergelijken met die van de man.
3.38.
Na vergelijking van de situaties van partijen, stelt de rechtbank vast dat de vrouw beter af is dan de man als de hij het bedrag van € 2.786 bruto aan partneralimentatie betaalt. De rechtbank legt daarom een lager bedrag aan partneralimentatie op, namelijk een bedrag van € 1.353 bruto per maand. Bij dat bedrag aan partneralimentatie houden de vrouw en de man namelijk evenveel over. [27] Bij het maken van die vergelijking is de rechtbank uitgegaan van de gegevens als vermeld in 3.30.
Geen limitering
3.39.
De man heeft verzocht de partneralimentatie in duur te limiteren. De vrouw werkt fulltime en kan dus niet méér inkomsten verwerven door méér uren te werken. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw op andere wijze meer kan verdienen dat zij nu al doet. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om de partneralimentatie in duur te limiteren dan wel af te bouwen in een periode van twee jaar afwijzen.
Alimentatie vooruitbetalen
3.40.
De man moet de partneralimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.
Huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling
Rechtsmacht
3.41.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op het nevenverzoek tot verdeling en/of verrekening. [28]
Toepasselijk recht
3.42.
Aangezien partijen op [huwelijksdatum] 2018 zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.
3.43.
Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gedaan voor of tijdens het huwelijk. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden zij alleen de Iraanse nationaliteit gemeenschappelijk. Iran is geen partij bij het verdrag en geldt als een zogenoemd ‘nationaliteitsland’. Na het sluiten van het huwelijk hebben partijen hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland gevestigd. Omdat Nederland de verklaring als bedoeld in artikel 5 van het verdrag heeft afgelegd en zij toen alleen de Iraanse nationaliteit gemeenschappelijk hadden, is Iraanse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. [29] Omdat partijen huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen wijzigt het toepasselijke recht niet meer.
Iraans huwelijksvermogensrecht
3.44.
Partijen zijn in hun Iraanse huwelijksakte huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht overeengekomen, waarin het volgende is bepaald:
A. Indien het verzoek tot echtscheiding niet door de vrouw is ingediend en, naar het oordeel van de rechtbank, het verzoek niet is ingediend vanwege haar schending van de huwelijksplichten, haar slechte moraal of wangedrag, is de echtgenoot verplicht om de helft van zijn vermogen, zoals vastgesteld door de rechtbank, dat hij gedurende het huwelijk heeft verworven, aan de vrouw over te dragen, zonder enige vergoeding.
3.45.
Deze clausule koppelt aan de huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van de vrouw de voorwaarde dat zij niet om de echtscheiding heeft verzocht en dat de echtscheiding niet haar schuld is. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 19 november 2021 [30] dient die voorwaarde (de gewraakte bepaling) wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten beschouwing te blijven. Hierover is ook geen geschil tussen partijen.
3.46.
De vraag die beantwoordt moet worden is of de rest van clausule A eveneens buiten toepassing moet worden gelaten of niet. In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad ook overwogen dat uit artikel 10:6 van het Burgerlijke Wetboek volgt dat de openbare orde geen integrale afwijzing van het vreemde recht beoogt, maar alleen die onderdelen van het vreemde recht treft die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde. Enkel de gewraakte bepaling buiten beschouwing laten zoals de vrouw heeft verzocht, betekent dat de vrouw aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man, maar dat de man anderzijds geen aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de vrouw. De man verzet zich hiertegen en voert aan dat er in dat geval sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde.
3.47.
Uitgangspunt van het Iraanse huwelijksvermogensrecht is de algehele scheiding van goederen. De – aanstaande – echtgenoten kunnen hiervan afwijken, voor zover de overeengekomen huwelijkse voorwaarde niet in strijd zijn met de kern van het huwelijk. [31] Het gerechtshof Den Haag overweegt in haar beschikking van 19 december 2023 [32] hierover:
“4.2 Uit het voormelde IJI-rapport volgt dat echtgenoten op grond van artikel 1119 Iraans BW in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. De achtergrond van de standaardclausule
(inhoudende dat de vrouw slechts onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet door haar gewenst is en dat zij daaraan geen schuld heeft, aanspraak kan maken op het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft verworven terwijl de man geen enkele aanspraak heeft op (een deel) van het vermogen van de vrouw)die partijen in de onderhavige zaak in hun huwelijksakte hebben opgenomen, is dat het Iraans recht een algehele scheiding van goederen kent en geen sprake is van een (voortdurende) onderhoudsverplichting na het huwelijk. Indien de man dan wenst te scheiden, terwijl zijn echtgenote geen blaam treft en zij wel gehuwd wenst te blijven, blijf zij na het huwelijk toch verzorgd achter.
3.48.
De rechtbank is van oordeel dat ook hier de huwelijkse voorwaarden van partijen onlosmakelijk zijn verbonden met de beschermingsgedachte en de bedoeling om de vrouw bij echtscheiding voldoende financieel verzorgd achter te laten en dat die verzorgingsgedachte in dit geval geen rol speelt. De vrouw heeft eigen inkomsten die, zoals onder 3.38 is overwogen, na een inkomensvergelijking tussen partijen worden aangevuld met een partneralimentatie van € 1.353 bruto per maand die de man aan de vrouw moet betalen. Daarnaast hebben partijen een aantal eenvoudige gemeenschappen, waaronder de echtelijke woning, waarin partijen gelijke aandelen hebben. Van ander aanzienlijk vermogen van de man is niet gebleken. Gelet op het voornoemde levert onverkorte toepassing van clausule A minus de gewraakte bepaling in dit geval een zodanige ongelijkheid tussen partijen op dat die kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
3.49.
Subsidiair voert de vrouw aan dat clausule A volledig toegepast moet worden, omdat zij vanwege het huiselijk geweld op grond van clausule B van de huwelijkse voorwaarden het recht heeft om de echtscheiding aan te vragen. Los van of er sprake is van huiselijk geweld is de eerste vraag die beantwoord moet worden of clausule B verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. In clausule B wordt de mogelijkheid (en dus ook de onmogelijkheid) van de vrouw om zelfstandig om een echtscheiding te verzoeken gekoppeld aan een aantal voorwaarden die gelegen zijn in het gedrag of in de persoon van de man. Clausule B weerspiegelt daarmee clausule A en verbindt een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak van de vrouw aan de voorwaarde dat de echtscheiding de schuld is van de man, in welk geval de vrouw wel zelfstandig om een echtscheiding mag verzoeken. Clausule B beperkt daardoor het recht op een gelijke behandeling, het recht op toegang tot de rechter en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zowel de vrouw als de man. De vrouw wordt hierdoor beperkt in haar mogelijkheden zelfstandig om een echtscheiding te verzoeken en de man wordt beperkt in het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Gelet op voornoemde uitspraak van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank dat toepassing van clausule B van de huwelijkse voorwaarden van partijen onverenigbaar is met de fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde. De rechtbank past clausule B daarom niet toe.
3.50.
Samengevat laat de rechtbank clausule A als ook clausule B van de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing. Voor zover de verzoeken van partijen hierop zijn gegrond, zal de rechtbank die verzoeken afwijzen.
3.51.
Naar Iraans recht is door het huwelijk geen gemeenschap van goederen ontstaan. Wel zijn zij op een andere manier samen eigenaar/rechthebbende geworden van een aantal goederen. Dat worden ‘eenvoudige gemeenschappen’ genoemd. Partijen hebben gevraagd de verdeling van deze gemeenschappen vast te stellen of de wijze van verdeling hiervan te gelasten.
3.52.
Partijen zijn het erover eens dat zij de volgende goederen gemeenschappelijk hebben en dat zij gezamenlijk schuldenaar zijn van de volgende schulden:
de woning aan de [adres 1 + postcode] in [woonplaats];
de hypothecaire geldleningen bij de [bank] met nummers [hypotheeknummer] [a]
en [hypotheeknummer] [b];
de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
e bankrekening [bank] met nummer [rekeningnummer 1] op naam van beide partijen, en
de schuld aan [schuldeiser1] onder nummer [nummer].
3.53.
Tussen partijen is in geschil of zij gezamenlijk eigenaar of rechthebbende zijn van de volgende goederen en of zij gezamenlijk schuldenaar zijn van de volgende schulden:
de auto van het merk [merk 1] met kenteken [kentekennummer 1];
de auto van het merk [merk 2] met kenteken [kentekennummer 2];
het onroerend goed in Iran;
de (vermeende) lening aan de broer van de vrouw, en
de aandelen bij [naam 1] en [naam 2], als ook in de onderneming van de werkgever van de man.
De woning en de hypothecaire geldleningen (posten a en b)
3.54.
Tussen partijen is in geschil aan wie de woning kan worden toegedeeld en tegen welke waarde. De man heeft gesteld dat de vrouw daartoe financieel niet in staat is. Op basis van de waarde van de woning, de hoogte van de hypotheekschuld en het bij de rechtbank bekende jaarsalaris van de vrouw vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat de vrouw de woning kan overnemen. Dat de vrouw een onderhandse lening bij haar familie kan aangaan heeft zij niet onderbouwd met stukken. De rechtbank zal daarom eerst aan de man de gelegenheid geven de woning over te nemen.
3.55.
Daarnaast zijn partijen het niet eens over de waarde van de woning en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Tegelijkertijd is niet duidelijk of de man de woning tegen de taxatiewaarde zal kunnen overnemen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten zoals in het dictum omschreven.
3.56.
De man moet daarbij de helft van de zogenoemde ‘overwaarde’ aan de vrouw vergoeden. Dat is het verschil tussen de waarde van de woning en het restant van de hypothecaire geldlening.
3.57.
Het is nog onduidelijk of de man in staat is de woning te financieren en of [bank] de vrouw zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarom verbindt de rechtbank aan deze toedeling de volgende ontbindende voorwaarde. Als de man niet binnen vijf maanden de financiering heeft geregeld waarbij de vrouw is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dan wordt de woning onder dezelfde voorwaarden toegedeeld aan de vrouw. Als de vrouw op haar beurt er niet in slaagt binnen dezelfde termijn de financiering te regelen waarbij de man is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dan vervalt deze toedeling en dient de woning te worden verkocht.
3.58.
Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat voor de uiteindelijke overdracht nog een levering moet plaatsvinden van de woning aan de man dan wel de vrouw via de notaris. [33]
De inboedel van de woning (post c)
3.59.
Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de inboedel. De vrouw wil de televisie en de salontafel met zes stoelen toegedeeld krijgen en de rest van de inboedelgoederen in onderling overleg verdelen. De man verzet zich tegen deze verdeling, omdat hij deze inboedelgoederen ook toegedeeld wil krijgen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af en wijst de door de man verzochte wijze van verdeling van de inboedelgoederen toe.
De saldi op de bankrekeningen (post d)
3.60.
De rekening met nummer [rekeningnummer 1] staat op naam van beide partijen. De man wil dat deze bankrekening wordt opgeheven en dat het saldo op de datum van de opheffing bij helfte tussen partijen wordt verdeeld of dat een debetsaldo door beiden voor de helft wordt aangezuiverd. Omdat de vrouw zich hiertegen niet verzet, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
De schuld aan [schuldeiser] en de auto van het merk [merk 1] (posten e en f)
3.61.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de auto van het merk [merk 1] is aangeschaft via de financiering bij [schuldeiser] waarvoor ieder van partijen hoofdelijk aansprakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld daarom toewijzen. Voor zover een van partijen uiteindelijk meer dan de helft van de totale schuld zou hebben betaald, kan diegene dat meerdere verhalen op de ander.
3.62.
Uit de overeenkomst van partijen met [schuldeiser] blijkt dat het afgesloten krediet een huurkoop betreft en dat partijen daardoor pas eigenaar worden van de auto nadat de lening volledig is afgelost (bijlage 7 van de man). Omdat geen van partijen rechthebbende van de auto is, kan de rechtbank de auto niet verdelen of bepalen dat de auto moet worden verkocht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen, voor zover dit ziet op verdeling van de auto van het merk [merk 1] en het verzoek van de man om de [merk 1] te verkopen.
3.63.
Het komt de rechtbank daarbij praktisch voor dat partijen de mogelijkheid onderzoeken om de huurkoop te ontbinden en de financiële gevolgen daarvan bij helfte te dragen.
De auto van het merk [merk 2] (post g)
3.64.
Hangende de procedure hebben zowel de man als de vrouw verschillende standpunten ingenomen. De rechtbank begrijpt dat tussen partijen niet (meer) in geschil dat de auto gemeenschappelijk eigendom is en dat hij kan worden toegedeeld aan de man. De rechtbank zal in lijn daarmee beslissen onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te betalen. Voor zover de man heeft beoogd zijn verzoek te wijzigen, heeft hij dat onvoldoende kenbaar gemaakt en onderbouwd.
3.65.
De vrouw stelt dat de auto een waarde heeft van € 12.500. Daarvoor verwijst zij naar de ANWB Koerslijst. [34] De man stelt dat de auto een waarde heeft van € 10.438. Hij verwijst daarvoor naar een e-mailbericht van een opkoper. [35] Gelet op deze door partijen aangedragen gegevens middelt de rechtbank deze waardes en stelt zij de waarde van de auto in redelijkheid vast op € 11.469. De rechtbank deelt de auto van het merk [merk 2] toe aan de man, tegen vergoeding van € 5.735 aan de vrouw.
Het onroerend goed in Iran (post h)
3.66.
De man stelt dat partijen een appartement in Iran hebben gekocht en/of gefinancierd via de familie van de vrouw en dat hij recht heeft op de helft van de (over)waarde. De vrouw betwist dat. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij voornemens is om de verdeling en/of verrekening van het appartement in Iran in een procedure in Iran te betrekken. Gelet op het ontbreken van stukken waaruit de (eigendom)gegevens van het appartement blijken en het voornemen van de man zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
De (vermeende) lening aan de broer van de vrouw (post i)
3.67.
De man stelt dat partijen een lening hebben verstrekt aan de broer van de vrouw van € 18.181,81 en dat hij recht heeft op de helft van dat bedrag. De vrouw betwist dat. Met de vrouw is de rechtbank het eens dat het op weg van de man ligt om aan te tonen dat de voor of aan de broer van de vrouw overgeboekte bedragen als zijn lening zijn overgemaakt en dat heeft de man niet gedaan. De enkele bewijzen van overboekingen zoals door de man overgelegd [36] , zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.
De aandelen (sub j)
3.68.
De vrouw wil dat de aandelen (bij [naam 1] en [naam 2]) als ook de aandelen die de man in de onderneming van de werkgever van de man heeft ontvangen aan hem worden toegedeeld en dat de man de helft van de waarde aan haar betaalt. De man heeft die stelling tijdens de mondelinge behandeling betwist. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat die aandelen hem in eigendom toebehoren. Omdat de aandelen aan de man toebehoren en gesteld noch gebleken is dat daarin is geïnvesteerd met gemeenschappelijk vermogen of privévermogen van de vrouw, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
De vergoedingsrechten
De kosten van de mediator
3.69.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw volledig draagplichtig is voor de openstaande factuur aan de mediator ‘[naam mediator]’ met als declaratienummer [declaratienummer] van 18 juni 2024 ter hoogte van € 1.508,87. Omdat de vrouw zich hiertegen niet heeft verzet, zal de rechtbank dit verzoek van de man toewijzen.
De opnames van de en/of rekening
3.70.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 1.609,69 aan de gemeenschap moet vergoeden, omdat de vrouw na de peildatum haar kosten heeft voldaan met gemeenschappelijk vermogen. De vrouw verzet zich hier niet tegen. Omdat partijen het erover eens zijn dat de en/of bankrekening moet worden opgeheven, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen in zoverre dat de vrouw de helft van het bedrag ad € 804,85 aan de man moet vergoeden.
3.71.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen een bedrag van € 1.114,55 aan de man te vergoeden, omdat zij de teruggave inkomstenbelasting van de man van de en/of rekening heeft opgenomen. De vrouw verzet zich hier niet tegen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen.
Verklaring voor recht
3.72.
De vrouw verzoekt voor recht te verklaren dat:
1. het huwelijksvermogensregime van partijen naar Iraans recht moet worden afgewikkeld;
2. de beperkte gemeenschap van partijen enkel de in deze procedure behandelde bestanddelen betreft, en
3. dat het huwelijksvermogens van partijen na deze procedure is afgewikkeld.
3.73.
De rechtbank heeft op de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen het Iraanse recht toegepast, zodat de vrouw geen belang meer heeft bij de onder 3.72.1 verzochte verklaring. Hetzelfde geldt voor de onder 3.72.2 en 3.72.3 verzochte verklaringen voor recht, omdat er geen sprake is van een beperkte gemeenschap, verdeling van een gemeenschappelijk goed op grond van de wet te allen tijde kan worden verzocht of gevorderd en nu al duidelijk is dat het huwelijksvermogen van partijen na deze procedure niet is afgewikkeld vanwege de procedure die de man voornemens is te starten over het onroerend goed in Iran. De rechtbank zal daarom deze verzoeken van de vrouw afwijzen.
Gebruik van de woning
3.74.
De vrouw heeft verzocht om na de echtscheiding in de woning te blijven wonen. Omdat de man zich hiertegen niet heeft verzet, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw in de woning mag blijven wonen, voor een periode van zes maanden nadat de echtscheiding is ingeschreven. Dat is namelijk de maximale termijn die de wet daarvoor kent. [37]
Uitvoerbaar bij voorraad
3.75.
De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is. Ook de beslissing over de partneralimentatie verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad omdat er bij beschikking van 18 oktober 2024 al een voorlopige partneralimentatie is vastgesteld die geldt totdat de in de bodemprocedure vastgestelde partneralimentatie in kracht van gewijsde is gegaan.
Proceskosten
3.76.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] 2018 in [plaatsnaam] (Islamitische Republiek Iran);
4.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.353 bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud;
4.3.
bepaalt dat de man deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
4.4.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man bevoegd is om gedurende zes maanden in de woning aan [adres 1 + postcode] [woonplaats] te blijven wonen en de inboedel mag blijven gebruiken, als vrouw daar nog woont op het moment van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
4.5.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan [adres 1 + postcode] [woonplaats]
en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij [bank]:
de man dient binnen één week na afgifte van deze beschikking schriftelijk drie makelaars aan de vrouw te noemen, waarvan de vrouw er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Deze makelaar wordt belast met de taxatie van de woning. Indien de man niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de vrouw gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de vrouw niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen;
partijen geven binnen 14 dagen na bovenvermelde keuze aan deze makelaar de opdracht om de woning te taxeren tegen de actuele waarde. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
e man krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan, waarbij:
de man de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;
de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde, na aftrek van de hypothecaire schuld(en) op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden;
indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning aan de man plaats te vinden binnen één maand, nadat de man de vrouw binnen de termijn van drie maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;
de kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van de man;
indien binnen of na verloop van deze periode van in totaal vier maanden blijkt dat de man de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, krijgt de vrouw onder dezelfde voorwaarden de gelegenheid om de woning over te nemen;
indien binnen of na verloop van deze periode van in totaal vier maanden blijkt dat de vrouw de woning niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de vrouw, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde;
partijen zullen dan uiterlijk binnen veertien dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen veertien dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de makelaar die de taxatie heeft verricht;
partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldleningen worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
4.6.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de inboedel:
bepaalt dat partijen in onderling overleg de inboedelgoederen moeten verdelen in die zin dat zij telkens om beurten een item mogen uitkiezen wat hem/haar dan zal toekomen volgens het systeem: eerste keus vrouw, tweede en derde keus man, vierde en vijfde keus vrouw, zesde en zevende keus man etc.;
bepaalt dat ieder van partijen binnen twee weken na de datum van de beschikking de lijst met inboedelgoederen aanvult, waarbij de vrouw de man in de gelegenheid moet stellen om – op een door de man aangewezen dag en tijdstip – door de woning te lopen om de lijst te vervolmaken en dat partijen na afloop van voornoemde termijn binnen twee weken op de wijze als omschreven onder 4.6.a) de inboedelgoederen op de lijst moeten verdelen;
bepaalt dat de inboedelgoederen na verdeling feitelijk in ieders bezit moeten worden genomen en indien nodig aan de ander te worden afgegeven binnen twee weken na de verdeling;
4.7.
stelt voor het overige de volgende verdeling vast:
a. ten aanzien van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van de man en de vrouw:
 veroordeelt partijen mee te werken aan de opheffing van de rekening met nummer [rekeningnummer 1] en bepaalt dat zij het saldo van die rekening bij helfte moeten delen;
ten aanzien van de schuld aan [schuldeiser]:
 bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is ten aanzien van die schuld;
ten aanzien van de auto van het merk [merk 2] met kenteken [kentekennummer 2]:
 deelt deze toe aan de man en veroordeelt de man om ter zake een bedrag van € 5.735 aan de vrouw te betalen;
4.8.
veroordeelt de vrouw om aan de man te vergoeden een bedrag van (1.508,87 + 804,85 + 1.114,55=) € 3.428,27;
4.9.
veroordeelt de man om aan de vrouw binnen twee weken na betekening van deze beschikking te voldoen 7 Bahar-e Azadi gouden munten met de volgende specificatie: maat 1 met een gewicht van 8.13598 (g), met een nettogewicht van puur goud
7.32238 (g), 22 mm met de puurheid van 0.9000;
4.10.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
4.11.
bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
4.12.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. M.P. den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met mr. D.J.M. Kuppens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Bijlage(n):
1: netto besteedbaar inkomen van de man (2023-2);
2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw (2023-2);
3: behoefte volgens de hofnorm;
4. netto besteedbaar inkomen van de vrouw (2025-2);
5. brutering aanvullende huwelijksgerelateerde behoefte;
6. draagkracht van de man (2025-2), en
7: draagkrachtruimtevergelijking (‘jusvergelijking’).
1. netto besteedbaar inkomen van de man (2023-2)
2. netto besteedbaar inkomen van de vrouw (2023-2)
3. behoefte op basis van de hofnorm
4. netto besteedbaar inkomen van de vrouw (2025-2)
5. brutering aanvullende huwelijksgerelateerde behoefte
6. draagkracht van de man (2025-2)
7. draagkrachtruimtevergelijking (‘jusvergelijking’)

Voetnoten

1.Artikel 3 sub a, onder i, van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (“Brussel II-ter”).
2.Artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 4 lid 1 Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van
4.Artikel 6 onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.artikel 827 lid 1 onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.Artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 (“Huwelijksvermogensverordening”).
7.Hof Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:486.
8.Artikel 1082 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek.
9.Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:266.
10.Artikel 1146 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek.
11.Iraanse ambassade (bijlage 4 van de vrouw), als ook Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:266.
12.Artikel 10:6 van het Burgerlijk Wetboek.
13.Artikel 3 sub a van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 (“Alimentatieverordening”).
14.Artikel 15 van de Alimentatieverordening jo. artikel 3 lid 1 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
15.Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de man (2023-2).
16.Bijlage 13a van de man.
17.Bijlage 6 bij het verzoekschrift voorlopige voorzieningen overgelegd als bijlage 1 bij het aanvullend verzoekschrift van de vrouw 14 november 2024.
18.Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw (2023-2).
19.Bijlage 13b van de man.
20.Bijlage 3: behoefte volgens de hofnorm.
21.Bijlage 15f van de vrouw.
22.Bijlage 4: netto besteedbaar inkomen van de vrouw (2025-2).
23.Bijlage 5: brutering aanvullende huwelijksgerelateerde behoefte.
24.Bijlage 19 van de man.
25.Bijlage 19 van de man.
26.Bijlage 6: draagkracht van de man (2025-2).
27.Bijlage 7: draagkrachtruimtevergelijking (‘jusvergelijking’).
28.Artikel 5 lid 1 van de Huwelijksvermogensverordening.
29.Artikel 4 lid 2 onder 2 onder a van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.
30.Hoge Raad 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
31.Artikel 1119 Iraans Burgerlijk Wetboek.
32.Gerechtshof Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2560.
33.Artikel 3:89 van het Burgerlijk Wetboek.
34.Bijlage 9 van de vrouw.
35.Bijlage 8 van de man.
36.Bijlagen 10 en 32 van de man.
37.Artikel 1:165 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.