3.3.2Nadere bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 24 januari 2025 heeft een overval plaatsgevonden op opticien [benadeelde 2] te Zaandam. Om 17:52 uur kwamen twee in het zwart geklede jongens de opticien binnen gerend. Zij droegen zwarte integraalhelmen en oranje werkhandschoenen en zwaaiden met hamers richting de aangever [benadeelde 1], die op dat moment in de opticien aan het werk was. De aangever werd gesommeerd om naar boven te gaan. Een van de overvallers gaf de aangever een duw waardoor hij met zijn lichaam tegen de muur en met zijn hoofd tegen de kluis aanviel. Hem werd bevolen plat op zijn buik te gaan liggen. De aangever moest vervolgens boven de kluis openen en de dure (ook gouden) monturen die daarin lagen, onder meer van het merk Cartier, aan de overvallers afgeven. De overvallers maakten daarbij met de hamers slaande bewegingen in de richting van het hoofd van de aangever. Onder dreiging van geweld is de aangever vervolgens bevolen weer naar beneden te gaan, waar een van de overvallers brillen uit vitrines en uit rekken pakte en deze in een tas stopte. Om 17:54 uur verlieten de twee overvallers de opticien en vertrokken zij op een scooter.
Voorts blijkt uit het dossier en het verhandelde op de zitting dat de verdachte degene is geweest die een paar dagen hiervoor, namelijk op 22 januari 2025, de opticien heeft bezocht.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte betrokken is geweest bij deze overval. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkenheid van de verdachte
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank allereerst vast dat op 24 januari 2025 twee overvallers binnen zijn geweest bij [benadeelde 2]. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de verdachte een van die twee overvallers is geweest. De conclusies van de deskundigen in de Forensische Looppatroon Analyse (dossierpagina 224 e.v.), waarbij de beelden uit de opticien van 22 januari 2025 en 24 januari 2025 met elkaar zijn vergeleken, maken dat niet anders. De rechtbank wijst er daarbij op dat aan de conclusie uit het rapport dat de waarnemingen die zijn gedaan bij vergelijking van genoemde beelden, inhoudende dat die waarnemingen “waarschijnlijker” zijn wanneer dezelfde persoon op die beelden te zien is dan wanneer dat verschillende personen betreft, een te beperkte bewijswaarde kan worden toegekend, mede in het licht van de overige stukken in het dossier. De rechtbank zal de Forensisch Looppatroon Analyse dan ook niet voor het bewijs gebruiken. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut te (laten) benoemen teneinde te rapporteren over de gehanteerde onderzoeksmethode.
Voorverkenning
Zoals hiervoor reeds aangegeven stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 22 januari 2025, twee dagen voor de overval, bij [benadeelde 2] is geweest. Hij heeft daar onder meer een oogmeting laten uitvoeren. De verdachte heeft daarbij foto’s gemaakt waarop te zien is dat hij verschillende brillen past. Hij heeft verder gevraagd of de opticien ook brillen van het merk Cartier verkocht. Terwijl de medewerker deze brillen van boven haalt, heeft de verdachte met zijn telefoon de winkel gefilmd. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij het filmpje heeft gemaakt om zijn ouders te laten zien dat hij een oogmeting heeft laten uitvoeren, omdat zij hem anders niet zouden geloven. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig en gaat aan die verklaring voorbij. De rechtbank overweegt dat de handelingen van de verdachte, te weten het twee dagen voor de overval bij [benadeelde 2] vragen naar Cartier brillen, het filmen van de winkel en meer specifiek het filmen van de trap naar boven waar de Cartier brillen in de kluis liggen, en het maken van foto’s van brillen, niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan als een voorverkenning in verband met het plegen van een overval op die opticien. De rechtbank kwalificeert dit bezoek, met inachtneming van de rest van het dossier, dan ook als een voorverkenning.
Inhoud van de telefoon van de verdachte
In de telefoon van de verdachte zijn diverse afbeeldingen aangetroffen waaronder van de trap in de opticien en van diverse brillen. De aangever heeft de brillen op deze foto’s herkend als de op 24 januari 2025 gestolen brillen van de opticien [benadeelde 2].
Daarnaast is in de telefoon van de verdachte een spraakmemo aangetroffen. Deze spraakmemo is op 24 januari 2025 om 18:09 uur opgenomen met de applicatie ‘Dictafoon’ en niet door deze telefoon verzonden of ontvangen. De spraakmemo is uitgewerkt en hieruit volgt dat vier verschillende stemmen zijn te horen (personen 1, 2 ,3 en 4). Door deze personen wordt gesproken over dat
er niemand in de winkel was, dat het een toplocatie was, over brillen die gepakt waren, alles tellen en het gaan naar ‘stash’. Persoon 3 zegt onder andere
dat het kanker snel ging, dat er sirenes waren en vraagt of ‘hij’ geen ding gaat houden, waarop persoon 1 vraagt ‘Cartje?’, waarmee vermoedelijk een bril van het merk Cartier bedoeld wordt. Persoon 3 antwoordt daarop bevestigend. Persoon 4 geeft nog aan dat hij
‘sowieso een Cartje gaat nemen.’ De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij persoon 3 is, maar heeft verder niet willen verklaren over de inhoud van het gesprek.
De rechtbank concludeert op basis van de inhoud van het gesprek en het feit dat het gesprek slechts 15 minuten na afloop van de overval door de telefoon van de verdachte is opgenomen, dat dit gesprek gaat over de overval bij [benadeelde 2] en dat de verdachte daar dus op enigerlei wijze betrokken bij is geweest.
Ook is in de telefoon van de verdachte een filmpje aangetroffen van 24 januari 2025 om 19:17 uur. Uit (de beschrijving van) het filmpje blijkt dat iemand een tas in het water van De Zaan te Zaandam gooit. In die tas zit een oranjekleurig voorwerp dat qua kleur overeenkomt met de door de daders van de overval gedragen handschoenen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte degene is die deze tas in het water gooit. De rechtbank leidt dat, naast dat het filmpje in de telefoon van de verdachte is aangetroffen, af uit het feit dat het telefoonnummer van de verdachte op dat moment een zogenaamde CELL-ID aanstraalt in het gebied waar de tas in het water is gegooid en op basis van de broek die degene die dit doet draagt. Dat betreft namelijk dezelfde broek als de verdachte draagt, te zien op een ander filmpje waarop de verdachte zichzelf op 24 januari om 12.57 uur filmt, eveneens aangetroffen in zijn telefoon, De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte degene is die binnen anderhalf uur na de overval de door de overvallers gedragen handschoenen in het water gooit.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de overval op [benadeelde 2]. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de rol van de verdachte moet worden gekwalificeerd.
Juridische duiding van de rol van de verdachte bij de overval
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dit kan een gezamenlijke uitvoering zijn. Echter, ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, een voorverkenning of het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Twee dagen voor de overval heeft de verdachte bij [benadeelde 2] een oogmeting laten uitvoeren. Zoals hiervoor al is overwogen, kwalificeert de rechtbank dit bezoek als een voorverkenning verband houdend met de overval op 24 januari 2025. Enkele minuten na die overval voert de verdachte samen met drie anderen een gesprek, waarbij alle personen (inhoudelijk) spreken over de overval. De verdachte heeft bovendien afbeeldingen van de weggenomen brillen in zijn telefoon en hij heeft de door de twee overvallers gedragen handschoenen weggemaakt. Hoewel de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte een van de twee overvallers is geweest die binnen in de winkel zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven gang van zaken naar de uiterlijke verschijningsvorm enkel past bij de uitvoering van een gezamenlijk plan en dat de beschreven bijdrage van de verdachte daaraan ook van voldoende gewicht is geweest, zodat de verdachte als medepleger van de ten laste gelegde feiten wordt aangemerkt.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de aan de verdachte primair ten laste gelegde feiten. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte die kort gezegd inhoudt dat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de overval op 24 januari 2025, omdat die verklaring door de bewijsmiddelen wordt weerlegd.