Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De vordering
€ 53.919,-en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.Het verloop van de procedure
3.Het standpunt van de officier van justitie
4.Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman
kanworden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Uit het hiervoor genoemde vonnis van heden en het onderliggende dossier blijkt van zodanige duidelijke aanwijzingen dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer bekende of onbekende daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende een zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van de strafbare feiten en de veroordeelde, als één van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende gegevens daarover heeft verschaft. Met andere woorden: de veroordeelde heeft de rechtbank geen inzicht gegeven in hoe de opbrengst van de overval op de opticien onder hem en zijn mededader(s) is verdeeld. Dat betekent dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan de veroordeelde zal toerekenen. De rechtbank is – alles afwegende – van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 22.014,-, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van 5 december 2025 is veroordeeld.
6.Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 22.014,-.
7.Toepasselijke wettelijke bepaling
8.Beslissing
€ 22.014,- (tweeëntwintigduizend veertien euro).
€ 22.014,- (tweeëntwintigduizend veertien euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.