ECLI:NL:RBNHO:2025:14643

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11621264 CV EXPL 25-2081
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot rectificatie door VvE bestuur en bevoegdheid kantonrechter

In deze zaak heeft eiser, als eigenaar van een appartementsrecht, een vordering tot rectificatie ingediend tegen het bestuur van de Vereniging van Eigenaren (VvE). De vordering is voortgekomen uit beschuldigingen van het bestuur tijdens een algemene ledenvergadering, waarbij eiser werd beschuldigd van het overtreden van privacyregels. Eiser heeft verzocht om rectificatie van deze uitlatingen, maar de kantonrechter heeft geoordeeld dat hij niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Dit is gebaseerd op het feit dat de vordering geen duidelijke aanwijzingen bevatte dat deze geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigt. De kantonrechter heeft de zaak daarom verwezen naar de bevoegde rechter, de handelskamer van de rechtbank, en heeft partijen erop gewezen dat zij bij advocaat moeten verschijnen. De beslissing van de kantonrechter is openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11621264 \ CV EXPL 25-2081
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde 1],
tegen

1.[gedaagde 1],

2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
4.
[gedaagde 4],
5.
[gedaagde 5],
allen te [plaats],
gemachtigde: [gemachtigde 2] (DAS),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de bestuurders

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een verzoekschrift van 15 januari 2025
-een aanvulling op het verzoekschrift van 19 februari 2025
- de beschikking van 28 februari 2025 waarin de procedure is verwezen naar een dagvaardingsprocedure
- de conclusie van antwoord van 28 mei 2025
- de op voorhand toegezonden pleitnota van [eiser] van 25 oktober 2025
- de aanvulling op de pleitnota van [eiser] van 5 november 2025
- de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is, als eigenaar van een appartementsrecht in het complex [straat] [nummer 1] t/m [nummer 2] te [plaats], van rechtswege lid van de VvE [straat] [nummer 1] t/m [nummer 2] (oneven).
2.2.
Tijdens de algemene ledenvergadering (verder: ALV) van 12 november 2024 zijn partijen in een discussie beland waarbij de emoties hoog zijn opgelopen. Een aantal leden van het bestuur heeft – kort gezegd – aangegeven dat [eiser] de wet overtreedt, in het bijzonder de privacy regels. [eiser] heeft herhaaldelijk verzocht om de uitingen nader te onderbouwen en vervolgens in te trekken. Aan dit verzoek heeft de VvE en/of haar bestuurders geen gehoor gegeven.
2.3.
[eiser] heeft bij verzoekschrift om rectificatie verzocht van de gedane uitlatingen. In het verzoekschrift heeft [eiser] aangegeven dat zijn verzoek een waarde van € 25.000,00 niet overstijgt.
2.4.
Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzoek is gebaseerd op een onrechtmatige daad en dat de procedure niet door middel van een verzoekschrift maar door middel van een dagvaarding aanhangig moet worden gemaakt. De kantonrechter heeft bevolen dat de zaak zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure in kantonzaken.
2.5.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 7 maart 2025 de vijf afzonderlijke bestuursleden in persoon gedagvaard.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – het bestuur van de VvE te verplichten tot het versturen van een schriftelijke rectificatie aan alle leden, waarin wordt vermeld dat de beschuldigingen van een datalek onjuist en ongefundeerd zijn en dat deze worden ingetrokken.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat de gedane uitingen te kwalificeren zijn als onrechtmatige daad en een schending zijn van zijn eer en goede naam. De ongefundeerde beschuldigingen hebben zijn reputatie binnen de VvE ernstig aangetast.
3.3.
De bestuurders voeren verweer. Zij voeren primair aan dat de kantonrechter niet bevoegd is van de zaak kennis te nemen omdat de vordering geen waarde van minder dan
€ 25.000,00 vertegenwoordigt. Daarnaast voeren zij aan dat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt welke beschuldigingen hij precies bedoelt en waarom deze uitlatingen onrechtmatig zouden zijn.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het (preliminair) verweer van de bestuurders dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] slaagt. Een kantonrechter is – voor zover hier van belang – in principe enkel bevoegd kennis te nemen van vorderingen tot
€ 25.000,00. Een vordering tot rectificatie is van onbepaalde waarde en de vordering valt dan buiten de bevoegdheid van de kantonrechter. Alleen als er duidelijke aanwijzingen zijn dat een vordering van onbepaalde waarde geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigt, is de kantonrechter wel bevoegd. [eiser] heeft hieromtrent echter geen dergelijke duidelijke aanwijzingen aangevoerd. De kantonrechter is daarom niet bevoegd van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 71 Rv zal de zaak worden verwezen naar de bevoegde rechter.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen,
5.2.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank, locatie Haarlem, en wel naar de rolzitting van
woensdag 21 januari 2026 om 10.00 uur, alwaar partijen bij advocaat dienen te verschijnen,
5.3.
wijst partijen erop dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken zal beslissen over de proceskosten in deze procedure, waaronder het door de kantonrechter berekende griffierecht voor [eiser],
5.4.
bepaalt dat [eiser] na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR),
5.5.
bepaalt dat de bestuurders na verwijzing griffierecht verschuldigd zijn, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR),
5.6.
deelt mee dat van een partij die onvermogend is een lager griffierecht wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1. een afschrift van het besluit tot toevoeging, zoals bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is als gevolg van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem/haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 24 lid 2 van de Wet op de rechtsbijstand, of;
2. een verklaring van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 onder e van die wet, waaruit blijkt dat zijn/haar inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, zoals bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35 lid 2 van die wet,
5.7.
wijst de bestuurders erop dat van hen slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven, indien zij bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.