ECLI:NL:RBNHO:2025:14660

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11408145
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen buren over wateroverlast en onrechtmatige hinder door aanpassingen aan inrit en parkeerterrein

In deze zaak hebben buren een geschil over wateroverlast en onrechtmatige hinder die zou zijn veroorzaakt door aanpassingen aan de inrit en het parkeerterrein van de gedaagde partij. De kantonrechter heeft op 5 november 2025 geoordeeld dat de eisers onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd om aan te tonen dat de aanpassingen de oorzaak zijn van de wateroverlast. Wel is vastgesteld dat de regenpijp van de garage van de gedaagde op het perceel van de eisers afwatert, en de kantonrechter heeft bepaald dat deze regenpijp moet worden verplaatst. De vordering van de eisers tot schadevergoeding is afgewezen, omdat niet is geoordeeld dat de gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld. De eisers zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11408145 \ CV EXPL 24-3851 (NE)
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: S.J. Boonstra,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door [naam 1] .
De zaak in het kort
Partijen zijn buren en hebben een geschil over de vraag of aanpassingen aan de inrit en het parkeerterrein de oorzaak zijn van wateroverlast en of er sprake is van onrechtmatige hinder. De kantonrechter oordeelt dat hiervoor onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. Wel is vast komen te staan dat de regenpijp van het dak van de garage op het andere erf afwatert. De regenpijp moet daarom worden verplaatst. De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 oktober 2024
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 8 januari 2025
- de brief van 10 maart 2025 met productie 18 van [eisers]
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eisers] zijn sinds 1983 eigenaar van de woning aan het [adres] in [plaats 1] (“de woning”).
2.2.
[gedaagde] is aan de achterkant van de woning gevestigd op het [perceel] , waar [gedaagde] een hotel exploiteert. Op dat perceel bevinden zich verschillende gebouwen en een parkeerterrein.
2.3.
De gebouwen en het parkeerterrein zijn bereikbaar via een inrit die langs het perceel van [eisers] loopt. Het parkeerterrein ligt naast de achtertuin van [eisers]
2.4.
[gedaagde] heeft de inrit en het parkeerterrein in 2019 aangepast. Het parkeerterrein en de inrit zijn toen allebei uitgebreid dan wel verbreed (“de aanpassingen”). Over het reeds bestaande asfalt en over de natuurlijke ondergrond van het uitgebreide deel van het parkeerterrein is split (grind) aangebracht. De inrit is voorzien van klinkers, die voor een deel zijn geplaatst over het bestaande asfalt en voor een ander deel over de natuurlijke ondergrond.
2.5.
Voorafgaand aan de aanpassingen hebben [eisers] hun zorgen geuit over potentiële geluids- en wateroverlast, wat ertoe heeft geleid dat [gedaagde] er voor wat betreft de inrit voor heeft gekozen klinkers te laten plaatsen in plaats van split.
2.6.
[gedaagde] heeft een omgevingsvergunning voor de exploitatie als hotel waaraan voorwaarden zijn verbonden. Daartegen hebben [eisers] bezwaar gemaakt vanwege door hen ervaren geluids- en wateroverlast. [gedaagde] heeft op haar beurt bezwaar gemaakt tegen de opgelegde voorwaarden. De gemeente heeft nog niet op dat bezwaar beslist.
2.7.
[eisers] hebben in de periode vanaf maart 2020 tot en met januari 2022 vier verschillende rapporten laten opstellen met betrekking tot de door hen ervaren wateroverlast (“de rapporten”).

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] om op eigen kosten op haar perceel een zodanige voorziening te (laten) treffen dat geen hemelwater meer afwatert op het perceel van [eisers] op straffe van een dwangsom. Ook vorderen [eisers] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 13.425,74 (zijnde de kosten van de onderzoeken, extra gasverbruik, de drainage, het Kadaster en herstel van schade aan tuin en woning), te vermeerderen met wettelijke rente, en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.100,20.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag artikel 5:52 lid 1 BW, artikel 5:39 BW en artikel 6:162 BW, omdat er sprake is van onrechtmatige afwatering door [gedaagde] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat de wateroverlast het gevolg is van de aanpassingen. Volgens [gedaagde] is er sprake van extreem hoge waterstanden in de binnenduinrand van [plaats 1] als gevolg van veranderende klimatologische omstandigheden. Een medewerker van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (“het Hoogheemraadschap”) heeft in 2020 laten weten dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de aanpassingen de oorzaak zijn van de wateroverlast. Bovendien hebben [eisers] volgens [gedaagde] in 2022 een bestaande heg verwijderd en daar een schutting geplaatst.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De inrit en het parkeerterrein
4.1.
[eisers] hebben gesteld dat de loop en de hoeveelheid water over hun perceel is veranderd als gevolg van de aanpassingen. Omdat [gedaagde] dit betwist, rust de stelplicht (en voor zover nodig de bewijslast) op [eisers]
4.2.
[eisers] hebben hun standpunt onderbouwd met de rapporten. [gedaagde] heeft betwist dat in de rapporten onomstotelijk wordt vastgesteld dat de door [eisers] ervaren wateroverlast een gevolg is van de aanpassingen. Zij heeft daarbij onder andere verwezen naar een verklaring van 23 maart 2020 van [naam 2] , het bestratingsbedrijf dat de aanpassingen heeft uitgevoerd en waarin [naam 2] – samengevat –heeft verklaard dat, en uitgelegd waarom, de aanpassingen niet van invloed zijn geweest op de waterafvoer.
4.3.
[eisers] hebben op de zitting ook gesteld dat de inrit door de aanpassingen een bolling heeft met aan de ene kant afschot richting hun perceel en aan de andere kant richting het weiland. Hoewel dit standpunt nieuw was voor [gedaagde] , heeft zij het niet weersproken. Wel heeft [gedaagde] betwist dat de bolling de oorzaak is van de gestelde wateroverlast, omdat de klinkers – na overleg met [eisers] – voor het grootste deel zijn gelegd over asfalt dat er al lag. Voor zover de inrit is verbreed, zijn de klinkers op zand gelegd en loopt het water door het zand weg. De feitelijke situatie is dan ook niet door de aanpassingen veranderd. [eisers] hebben hier niet inhoudelijk op gereageerd, terwijl dat gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] wel op hun weg had gelegen. Bovendien hebben [eisers] niet gesteld dat de oorspronkelijke bedekking met asfalt al tot problemen leidde, voordat de aanpassingen werden gedaan en/of dat er toen al vanaf het asfalt op het perceel van [eisers] werd afgewaterd.
4.4.
Verder hebben [eisers] op de zitting een video-opname met regenwater dat onder de schutting loopt en foto’s van twee putten laten zien. [gedaagde] heeft over die video-opname ter zitting verklaard dat daarop inderdaad te zien is dat er water onder de schutting door naar het perceel van [eisers] loopt, maar dat er op dat moment sprake was van hevige regenval. [eisers] hebben die stelling niet betwist. [gedaagde] heeft tevens onbetwist aangevoerd dat haar kelder op zulke dagen ook volloopt vanwege het extreem hoge grondwaterniveau. Bovendien volgen de door [eisers] geuite klachten altijd op dagen of periodes met uitzonderlijk zware regenval. Volgens [gedaagde] is er vanaf 2019 sprake van veranderende klimatologische omstandigheden in de binnenduinrand van [plaats 1] , waar ook de percelen van partijen zich bevinden en waarvan [gedaagde] zelf ook de dupe is. Vanaf eind 2023 tot begin 2025 hebben de duinen zelfs bijna onder water gestaan. [gedaagde] heeft haar standpunt onderbouwd met diverse onderzoeken, onder andere van Deltares, Kennisportaal Klimaatadaptatie en het KNMI. [eisers] hebben deze stellingen van [gedaagde] niet inhoudelijk betwist.
4.5.
Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eisers] in 2022 een heg hebben verwijderd en deze hebben vervangen door een schutting. [eisers] hebben dat erkend. Volgens [gedaagde] absorbeert een heg in tegenstelling tot een schutting water en heeft het weghalen van de heg de natuurlijke waterafvoer negatief beïnvloed. Het had op de weg van [eisers] gelegen inhoudelijk op de stelling van [gedaagde] te reageren, wat zij niet hebben gedaan.
4.6.
Verder heeft [gedaagde] er nog op gewezen dat een door [eisers] ingeschakelde medewerker van het Hoogheemraadschap in 2020 ter plekke mondeling te kennen heeft gegeven dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het parkeerterrein de oorzaak is van de wateroverlast. Ook op deze stelling hebben [eisers] niet inhoudelijk gereageerd. Dat had wel op hun weg gelegen, bijvoorbeeld met een aanvullende verklaring van het Hoogheemraadschap.
4.7.
Het voorgaande in overweging nemende hebben [eisers] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat de aanpassingen naar hun aard of omvang de oorzaak van de gestelde hinder zijn. De kantonrechter volgt [gedaagde] in haar standpunt dat de door [gedaagde] betwiste rapporten geen eenduidig beeld geven van de oorzaak van de door [eisers] ervaren wateroverlast, bijvoorbeeld omdat uit een van de rapporten blijkt dat de toename in verhard oppervlak substantieel is, maar niet hoofdzakelijk de oorzaak van de wateroverlast is gezien de reeds aanwezige hoge grondwaterstanden (zie het als productie 6 bij dagvaarding overgelegde rapport van Geonius van 9 maart 2020, pg. 9). De stelling dat er causaal verband bestaat tussen de aanpassingen en de gestelde wateroverlast kan dan ook niet (uitsluitend) met de rapporten worden onderbouwd. [gedaagde] heeft bij wijze van betwisting een aantal andere, alternatieve oorzaken voor de gestelde wateroverlast aangevoerd, zoals de veranderende klimatologische omstandigheden (waarvan ook in de rappoten melding wordt gemaakt), de hoge grondwaterstand en de verwijdering van een heg. [eisers] hebben geen van die alternatieve oorzaken (voldoende) bestreden. Dat had wel op de weg van [eisers] gelegen, temeer omdat [gedaagde] haar argumenten heeft onderbouwd met een door een medewerker van het Hoogheemraadschap gedane mededeling, waarop [eisers] evenmin inhoudelijk hebben gereageerd.
4.8.
De conclusie is dat [eisers] hun stellingen dat de aanpassingen de oorzaak zijn van de gestelde wateroverlast en sprake is van afwatering onvoldoende hebben onderbouwd en dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] artikel 5:52 BW en/of artikel 5:39 BW heeft geschonden en/of onrechtmatig jegens [eisers] handelt. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen.
Het dak van de garage
4.9.
[eisers] stellen verder dat het dak van de garage van [gedaagde] via een regenpijp afwatert op een stukje grond dat sinds jaar en dag door [gedaagde] werd gebruikt, maar waarvan na kadastrale meting volgens [eisers] zou zijn gebleken dat [eisers] daarvan eigenaar zijn. [gedaagde] heeft ter zitting medegedeeld dat zij bereid is de regenpijp te verplaatsen en te zorgen dat de afvoer van het hemelwater zodanig zal worden ingericht dat het water afloopt op het gedeelte van het erf dat volgens de kadastrale kaart aan [gedaagde] toebehoort. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot verplaatsing van de regenpijp op zodanige wijze dat het hemelwater afloopt op het gedeelte van het erf dat volgens de kadastrale kaart aan [gedaagde] toebehoort. Vanwege de bereidheid van [gedaagde] tijdens de zitting om de regenpijp te verplaatsen, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.
Schadevergoeding
4.10.
[eisers] vorderen vergoeding van schade. Omdat niet is geoordeeld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eisers] handelt, zal de gevorderde schade worden afgewezen.
4.11.
[eisers] hebben hun stelling dat het dak van de garage van [gedaagde] via de regenpijp afwatert op het perceel dat volgens de kadastrale kaart aan [eisers] toebehoort onderbouwd met het onderzoek door het Kadaster. Gebleken is echter dat [eisers] aan het Kadaster opdracht hebben gegeven de perceelgrens vast te stellen, omdat zij de heg wilden verwijderen, maar het voor hen niet duidelijk was hoe de perceelgrens liep. [eisers] hebben dit onderzoek dan ook niet laten uitvoeren om aansprakelijkheid van [gedaagde] vast te stellen. Ook de kosten van het Kadaster komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Proceskosten
4.12.
[eisers] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] geen gemachtigde heeft en haar bestuurder op de zitting is verschenen om verweer te voeren, komen alleen reis-, verblijf- en verletkosten aan de kant van [gedaagde] voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden ambtshalve vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,00. De nakosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot het verplaatsen van de regenpijp zodanig dat het hemelwater afloop op het gedeelte van het erf dat volgens de kadastrale kaart aan [gedaagde] toebehoort,
5.2.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.3.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.