De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 15 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning te sluiten voor drie maanden.
In de woning werd een verborgen ruimte met circa 300 gram cocaïne aangetroffen, naast een bedrag van € 1.480,- contant geld. Verzoeker verklaarde dat het crack betrof en dat de drugs voor eigen gebruik waren, maar dit weerlegde het bewijsvermoeden van drugshandel niet. Ondersteunend bewijs bestond uit MMA-meldingen, informatie van de woningstichting en cameraobservaties die duidden op overlast en handel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. De sluiting werd als een geschikt en noodzakelijk middel gezien vanwege de harddrugs en de langdurige overlast. Hoewel verzoeker stelde dat hij en zijn dieren dakloos zouden worden, was er geen aanleiding om de sluiting als onevenwichtig te beschouwen, mede omdat verzoeker momenteel onderdak heeft en de burgemeester ondersteuning toezegde bij opvang.
De rechter wees op de zorgplicht van de burgemeester om te informeren naar opvangmogelijkheden, wat in het primaire besluit ontbrak maar in de bezwaarfase kan worden hersteld. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, zonder veroordeling in kosten.