ECLI:NL:RBNHO:2025:14714

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
25/5468
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening sluiting woning wegens drugshandel

Op 15 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van een verzoeker uit Den Helder. Het verzoek was gericht tegen het besluit van de burgemeester van Den Helder om de woning van verzoeker te sluiten per 5 december 2025 voor de duur van drie maanden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, waarbij hij oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Dit oordeel is gebaseerd op de vondst van ongeveer 300 gram cocaïne in de woning en een bedrag van € 1.480,00 aan contant geld, wat duidt op handel in harddrugs. Daarnaast zijn er meerdere meldingen van overlast en drugshandel in de periode van 2022 tot november 2025, wat het vermoeden van drugshandel versterkt. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de sluiting van de woning een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel is om de overlast te bestrijden. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij en zijn dieren dakloos zullen worden door de sluiting, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat er vooralsnog geen aanleiding is om te concluderen dat de sluiting onevenwichtig is. De burgemeester heeft toegezegd verzoeker te ondersteunen in zijn zoektocht naar opvang. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn erop gewezen dat er geen hoger beroep of verzet openstaat tegen deze mondelinge uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5468

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker] , uit Den Helder, verzoeker

(gemachtigde: mr. T. Novakovic),
en

de burgemeester van de gemeente Den Helder

(gemachtigden: S.N. Coffie en M. Scholte).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 27 november 2025 tot sluiten van zijn woning per 5 december 2025, voor de duur van drie maanden.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

De beslissing

2.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarbij geen aanleiding. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Zijn oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.2.
Achtereenvolgens dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
  • Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
  • Is sluiting van de woning door de burgemeester in dit geval evenredig?
De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit meerdere onderdelen: een beoordeling van de geschiktheid, van de noodzaak en van de evenwichtigheid van de sluiting.
2.3.
Toepassing van voornoemd toetsingskader leidt tot het volgende.
Bevoegdheid
2.4.
In de woning van verzoeker, in een verborgen ruimte achter een plank, is ongeveer 300 gram cocaïne aangetroffen. Verzoeker heeft hierover aan de politie verklaard dat de aangetroffen substantie crack (een bewerkte vorm van cocaïnepoeder) betreft. Daarnaast is bij verzoeker een bedrag van € 1.480,00 aan contact geld aantroffen. Gelet hierop is er een bewijsvermoeden dat sprake van handel in harddrugs. Dit bewijsvermoeden wordt ondersteund door meerdere MMA-meldingen gedurende de periode 2022 tot en met november 2025, informatie van de Woningstichting Den Helder van 11 november 2025 en cameraobservaties in de maand november. Uit de hieruit verkregen gegevens volgt dat verzoeker veel aanloop heeft met kortstondige bezoeken en dat er sprake is van overlast. Dit ondersteunt het vermoeden dat verzoeker handelt in drugs. Met de enkele verklaring van verzoeker dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor eigen gebruik zou zijn heeft hij dit bewijsvermoeden niet weten te ontkrachten. De burgemeester is gelet op hetgeen is aangetroffen en het daaruit voortvloeiende vermoeden naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan.
Geschiktheid en noodzakelijkheid
2.5.
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de burgemeester navolgbaar heeft gemotiveerd dat de sluiting (op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat) een geschikt middel is en noodzakelijk is. De voorzieningenrechter acht de sluiting gerechtvaardigd gezien het feit dat het om harddrugs gaat, de op drugshandel wijzende overlastgevende situatie al jaren bestaat en dat zelfs tijdens de handhavingsprocedure nog veel op drugshandel wijzende (aan-)loop naar de woning is geconstateerd. Van enig tijdsverloop tussen overtreding en effectuering van de sluiting lijkt daarom ook geen sprake.
Evenwichtigheid
2.6.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij en zijn dieren dakloos zullen worden door de sluiting van de woning. De voorzieningenrechter ziet hierin vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de sluiting in verzoekers geval onevenwichtig zou zijn. Redengevend hiervoor is dat verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij en zijn dieren thans feitelijk onderdak hebben. Voor zover verzoeker daarvan in het vervolg verstoken zou blijven, heeft de burgemeester ter zitting toegezegd verzoeker dan te zullen ondersteunen in zijn zoektocht naar opvang.
2.7.
De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de zorgplicht van de burgemeester, inhoudende dat de burgemeester daadwerkelijk informeert naar de mogelijkheden van geschikte opvang. Dit is staande jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (vgl. ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083). Hoewel een toepassing van een dergelijke vergewisplicht ontbreekt in het primaire besluit van 27 november 2025, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding het besluit evident onrechtmatig te achten. Gelet ook op de toezegging kan dit gebrek worden hersteld in de bezwaarfase.
2.8.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025 door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: