ECLI:NL:RBNHO:2025:14750

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
25/5676
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning voor aanleg van kabels en plaatsen van trafo in Haarlem

Op 17 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in de zaak tussen verzoeker, vertegenwoordigd door R.M. Rensing, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem. Verzoeker had een voorlopige voorziening gevraagd tegen de vergunning die aan Liander N.V. was verleend voor het plaatsen van een trafo en de aanleg van kabels in Haarlem. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was, omdat er geen onomkeerbare situatie zou ontstaan door de vergunde werkzaamheden. De voorzieningenrechter wees erop dat de werkzaamheden tijdelijk zijn en dat, mocht blijken dat de vergunning ten onrechte is verleend, deze ongedaan gemaakt kan worden. Het verzoek werd afgewezen, wat betekent dat de vergunde werkzaamheden mochten worden voortgezet. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5676

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Haarlem, verzoeker

(gemachtigde: R.M. Rensing),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Liander N.V. uit Arnhem (Liander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening tegen de aan Liander verleende vergunning voor het uitvoeren van het plaatsen van een trafo en de aanleg van LS- en MS-kabels ter hoogte van [adres] te Haarlem. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft de vergunning met het besluit van 16 juli 2025 verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. In het verzoek heeft verzoeker gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat de werkzaamheden starten op 12 december 2025.
4. De rechtbank heeft verzoeker per brief en per mail van 11 december 2025 gevraagd om een nadere onderbouwing van het spoedeisende belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. In genoemde mail heeft de voorzieningenrechter verzocht bij de beantwoording te betrekken dat met de verleende vergunning geen ruimtelijke toestemming is verleend voor het plaatsen van een trafo, maar dat alleen toestemming is verleend voor het gebruik van openbare gronden daarvoor.
5.1
Per mail van 11 december 2025 heeft (de gemachtigde van) verzoeker hierop gereageerd. In deze reactie is gesteld dat nergens in de vergunning te lezen valt dat alleen toestemming is verleend voor het gebruik van openbare gronden, dat de aanleg van kabels gepaard gaat met ingrijpende werkzaamheden, dat het verzoek zich ook richt tegen deze werkzaamheden en niet alleen tegen het elektriciteitshuisje en dat deze werkzaamheden onomkeerbaar zijn. Een spoedeisend belang zou daarom gegeven zijn, aldus verzoeker.
5.2
Op 16 december 2025 heeft (de gemachtigde van) verzoeker de rechtbank ervan in kennis gesteld dat de vergunde werkzaamheden inmiddels zijn begonnen.
6. De voorzieningenrechter ziet in het enkele gegeven dat de vergunde aanlegwerkzaamheden zijn begonnen geen grond om een voorlopige voorziening te treffen. De vergunde aanlegwerkzaamheden zijn slechts van tijdelijke aard en zullen mogelijk wel voor enige overlast zorgen, maar niet gebleken is dat het verzoeker te doen is om het voorkomen van deze overlast. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat door het vergunnen van de aanlegwerkzaamheden een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Als mocht blijken dat de aanleg van kabels en het plaatsen van een trafo ten onrechte is vergund, kan dit immers, voor zover voor derden van belang, weer ongedaan worden gemaakt.
7. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom, daargelaten beantwoording van de vraag of verzoeker wel als belanghebbende is aan te merken bij de verleende vergunning, als kennelijk ongegrond afwijzen.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dit betekent dat de vergunde aanlegwerkzaamheden mogen worden voortgezet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.