ECLI:NL:RBNHO:2025:14805

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/15/371846 / KG ZA 25-730
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • E.B. van den Heuvel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over nasleep juwelenroof tijdens TEFAF 2022 met betrekking tot douaneschuld en zekerheidstelling

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een kort geding, is er een geschil ontstaan over de nasleep van een juwelenroof tijdens de TEFAF 2022. De juwelen waren onder de Regeling Tijdelijke Invoer geplaatst, maar na de diefstal heeft de Douane een uitnodiging tot betaling (UTB) gedaan aan International Airfreight Associates B.V. (IAA) voor een douaneschuld van € 1.180.716,60. IAA heeft in deze procedure zekerheid gevraagd van Valverde B.V. en Ferrari Logistics Netherlands B.V. voor de betaling van deze UTB. De rechtbank heeft vastgesteld dat Valverde op basis van de Fenex-voorwaarden verplicht is om zekerheid te stellen voor de douaneschuld, terwijl Ferrari NL niet kan worden aangesproken voor deze verplichting. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Valverde binnen een week na betekening van het vonnis zekerheid moet stellen voor het bedrag van € 477.269,55 aan douanerechten. De vorderingen van IAA tegen Ferrari NL zijn afgewezen, omdat IAA niet kan worden aangemerkt als 'derde' in de zin van artikel 7:421 BW. De proceskosten zijn toegewezen aan IAA en Valverde, terwijl Ferrari NL ook in de proceskosten is veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/371846 / KG ZA 25-730 en C/15/372014 / KG ZA 25-739
Vonnis in kort geding van 17 december 2025
in de hoofdzaak met zaaknummer C/15/371846 / KG ZA 25-730 van
INTERNATIONAL AIRFREIGTH ASSOCIATES B.V.,
te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna te noemen: IAA,
advocaten: mr. M.J. Hajdasinski en mr. J.A. Biermasz,
tegen

1.VALVERDE B.V.,

te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Valverde,
advocaten: mr. G. Sibma, mr. B.J.B. Boersma en mr. M. van Egmond,
2.
FERRARI LOGISTICS NETHERLANDS B.V.,
te Rozenburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Ferrari NL,
advocaten: mr. A. Spijker en mr. V. van Uden,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/15/372014 / KG ZA 25-739 van
VALVERDE B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in vrijwaring,
hierna te noemen: Valverde,
advocaten: mr. G. Sibma, mr. B.J.B. Boersma en mr. M. van Egmond,
tegen
FERRARI LOGISTICS NETHERLANDS B.V.,
te Rozenburg,
gedaagde partij in vrijwaring,
hierna te noemen: Ferrari NL,
advocaten: mr. A. Spijker en mr. V. van Uden.

1.De procedures

1.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 12 producties
- de producties 13 tot en met 16 van IAA
- de producties 1 tot en met 15a van Ferrari NL
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van IAA
- de pleitnota van Valverde
- de pleitnota van Ferrari NL
- de brief van IAA van 8 december 2025
- de brief van Valverde van 10 december 2025
- de brief van Ferrari NL van 10 december 2025
- de akte vermindering eis van IAA van 10 december 2025
- de brief van IAA van 10 december 2025
- de brief van de voorzieningenrechter van 10 december 2025.
1.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 9
- de productie 10 van Valverde
- de producties 1 tot en met 15b van Ferrari NL
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Valverde
- de pleitnota van Ferrari NL
- de brief van Valverde van 10 december 2025
- de brief van Ferrari NL van 10 december 2025.

2.De feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak

2.1.
IAA is een luchtvrachtdienstverlener die logistieke diensten aanbiedt aan andere bedrijven. zij treedt onder meer op als douane-expediteur.
2.2.
Valverde is een gespecialiseerde dienstverlener op het gebied van evenementenlogistiek. Zij organiseert en coördineert de logistieke keten rond (inter-) nationale beurzen en evenementen.
2.3.
Ferrari NL is een logistieke serviceprovider. Zij richt zich onder meer op fine-
art-logistiek, douanediensten, freight forwarding, logistieke services en
security/quality control. Ferrari NL maakt onderdeel uit van de wereldwijd opererende Ferrari Group Public Limited Company, die is gespecialiseerd in het transport en de distributie van sieraden, edelstenen en luxeproducten. Ferrari Group Public Limited Company (hierna: de Ferrari Group) is enig aandeelhouder van Ferrari NL
2.4.
In 2022 heeft het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde S.C. Bond Street Ltd., handelende onder de naam Symbolic & Chase (hierna: S&C), Ferrari Express Ltd. (hierna: Ferrari UK) opdracht gegeven om juwelen vanuit het Verenigd Koninkrijk te vervoeren naar The European Fine Art Fair (TEFAF) in Maastricht (hierna: TEFAF 2022) en na afloop van TEFAF 2022 weer terug naar het Verenigd Koninkrijk.
2.5.
Ferrari UK heeft de opdracht (deels) doorgegeven aan Ferrari NL. Ferrari NL heeft de juwelen vervoerd vanuit het Verenigd Koninkrijk naar de TEFAF locatie.
2.6.
Ferrari NL heeft vervolgens Valverde opdracht gegeven om te regelen dat de juwelen van S&C - die vanuit het Verenigd Koninkrijk onder een T1-document de Europese Unie (EU) werden ingevoerd voor TEFAF 2022 - onder de Douaneregeling Tijdelijke Invoer zouden worden gebracht en na afloop van TEFAF 2022 onder een nieuw T1-document (retour T1) de EU weer zouden verlaten.
2.7.
Omdat Valverde zelf niet over een vergunning voor Tijdelijke Invoer beschikt, heeft zij de opdracht het plaatsen van de juwelen onder de regeling Tijdelijke Invoer en de daarmee verbonden werkzaamheden op haar beurt weer doorgezet naar IAA, die wel over een vergunning beschikt. Valverde heeft aan IAA opgedragen om de douanedocumenten voor de plaatsing onder en de beëindiging van de regeling Tijdelijke Invoer na afloop van TEFAF 2022 administratief op te maken.
2.8.
De juwelen zijn de EU binnengekomen onder een T1-document en vervolgens in
Nederland geplaatst onder de regeling Tijdelijke Invoer. Voor het gebruik van die regeling had IAA een vergunning aangevraagd en verkregen.
2.9.
Door gebruik te maken van de douaneregeling tijdelijke invoer (artikel 150 en volgende van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU)) konden de juwelen tijdelijk en met vrijstelling van invoerrechten in het douanegebied van de Unie worden gebracht voor specifiek TEFAF 2022. De juwelen dienden daartoe gedurende het verblijf in Nederland onder douanetoezicht te blijven totdat zij weer buiten de Unie zouden worden gebracht.
2.10.
Valverde en IAA werkten voor 2022 al meerdere jaren samen (in het kader van TEFAF) waarbij IAA onder andere de aangifte voor het plaatsen onder de regeling Tijdelijke Invoer verzorgt.
2.11.
De e-mails die IAA (in het kader van TEFAF 2022) aan Valverde heeft gestuurd, bevatten een voettekst waarin onder meer staat:
“All business undertaken is subject to the Dutch Forwarding Conditions, General Conditions of the FENEX, in its latest version. Please find enclosed a copy of these conditions in
Dutchor
English. In addition to the applicable Dutch Forwarding Conditions in its latest version, the principal shall continuously indemnify International Airfreight Associates B.V. against all claims from third parties connected with any order given to International Airfreight Associates B.V., including fiscal claims, penalties and balances payable, and the principal shall provide sufficient security against any of such claims.
2.12.
De e-mails die Valverde (in het kader van TEFAF 2022) aan IAA heeft gestuurd, bevatten een voettekst waarin onder meer staat:
“On all our transactions the latest version of the Dutch Fenex conditions are applicable. All work is carried out subject to the general conditions of the federation of the Dutch forwarding agent’s organization FENEX deposited at the Registry of the Court at (…), latest version. These conditions will be sent to you on request.
(…)”.
2.13.
Valverde en Ferrari NL werkten voor 2022 al meerdere jaren samen (in het kader van TEFAF).
2.14.
Op 13 april 2022 heeft Valverde onder meer het volgende gemaild aan Ferrari NL:
“(…)
I would like to inform you that we are ready to assist you and your clients during TEFAF 2022.
Myself and my colleague (…) will be on-site during move-in / event and move-out.
Our office will be located in a different area then previous editions.
Our office is located in the Forum Passage, office 1.7 & 1.8.
(…)
Please find enclosed our handling instructions and tariff.
We are looking forward to cooperate again
(…)”
De e-mail bevat dezelfde voettekst als hiervoor onder 2.12 is geciteerd.
Op de website van de Ferrari Group staan op de pagina “Downloads” onder “Transport Terms & Conditions” de algemene voorwaarden van de Ferrari Group voor verschillende landen. Op die pagina kunnen de “General Conditions of FENEX” – 1 mei 2018 worden gedownload.
2.15.
De FENEX-voorwaarden 2018 – die in 2022 van toepassing waren – bevatten onder meer de volgende bepalingen:
“(…)
Artikel 11. Aansprakelijkheid
1. Alle Diensten geschieden voor rekening en risico van de Opdrachtgever.
(…)
Artikel 15. Betalingsvoorwaarden
(…)
6. De Opdrachtgever is verplicht om op eerste vordering van de Expediteur zekerheid te stellen voor hetgeen de Opdrachtgever aan de Expediteur is verschuldigd dan wel wordt verschuldigd. Deze verplichting bestaat ook, indien de Opdrachtgever zelf in verband met het verschuldigde reeds zekerheid heeft moeten stellen of heeft gesteld.
8. De Opdrachtgever is te allen tijde verplicht in verband met de Overeenkomst door enige overheid in te vorderen dan wel na te vorderen of na te heffen bedragen alsmede daarmee samenhangende boetes aan de Expediteur te vergoeden. Voornoemde bedragen dienen eveneens door de opdrachtgever aan de expediteur te
worden vergoed, indien de expediteur in verband met de Overeenkomst voor voornoemde bedragen door een door hem ingeschakelde derde wordt aangesproken.
(…)”
2.16.
Tijdens TEFAF 2022 zijn de juwelen van S&C gestolen uit een vitrinekast op de beursvloer van TEFAF 2022.
2.17.
De Inspecteur van de Douane heeft de diefstal van de onder de regeling Tijdelijke Invoer geplaatste goederen aangemerkt als onttrekking aan het douanetoezicht waardoor op grond van het DWU een douaneschuld is ontstaan. IAA is als aangever en houder van de vergunning voor het gebruik van de regeling Tijdelijke Invoer door de inspecteur aangemerkt als de douaneschuldenaar van die schuld.
2.18.
Op 27 december 2024 heeft de inspecteur een Uitnodiging tot Betaling (UTB) aan IAA gedaan. Deze UTB, een navordering betreft een totaalbedrag van € 1.180.716,60, waarvan € 447.269,55 aan invoerrecht en € 703.447,05 aan rente op achterstallen (hierna ROA) over het invoerrecht en de invoer-btw. De betalingstermijn voor de UTB is 10 dagen, dus uiterlijk op 6 januari 2025 diende de UTB betaald te zijn.
2.19.
Daarnaast heeft de inspecteur bij aparte beschikking een tweede UTB opgelegd. Deze tweede UTB betreft een bedrag van € 4.795.946,72 aan invoer-btw. IAA, Valverde, Ferrari NL, Ferrari UK en S&C hebben in de periode 10 maart 2023 tot december 2024 overleg gevoerd met de Belastingdienst en Douane. Uiteindelijk is een vaststellings- overeenkomst gesloten, waarin is afgesproken dat de verschuldigde invoer-btw uit de tweede UTB niet in de keten wordt doorberekend maar wordt verrekend via een cessie: S&C draagt haar recht op teruggaaf van de btw ter hoogte van EUR 4.795.946,72 over aan
IAA, die dit recht inzet om haar eigen btw-schuld te voldoen. De Belastingdienst en Douane
hebben ingestemd met deze werkwijze, waarbij de Belastingdienst het teruggaafbedrag rechtstreeks overmaakt aan de Ontvanger van de Douane ter delging van IAA's btw-verplichting.
2.20.
Op 6 januari 2025 heeft IAA bezwaar aangetekend tegen de eerste UTB en verzocht om een nadere termijn om de gronden van het bezwaar aan te vullen. Ook heeft IAA verzocht om uitstel van betaling van de UTB. Op 17 januari 2025 heeft de Ontvanger meegedeeld dat voor het verlenen van uitstel van betaling vanwege bezwaar op grond van artikel 45 DWU zekerheid is vereist.
2.21.
Op 20 januari 2025 heeft IAA per-email verzocht om extra tijd om de zekerheid te regelen. De Ontvanger heeft IAA daarop tot 17 februari 2025 de tijd gegeven om dat te regelen.
2.22.
Op 17 februari 2025 heeft IAA verzocht om de termijn te verlengen tot 14 maart 2025. De Ontvanger heeft daarmee ingestemd. Op 17 maart 2025 heeft IAA nogmaals verzocht om de termijn te verlenen, dit keer tot 11 april 2025. De Ontvanger heeft hierin voor de laatste keer ingestemd.
2.23.
Bij brief van 4 november 2025 heeft de Douane (de Ontvanger) onder meer het volgende aan de advocaat van IAA bericht:
“Vaststaat dat:
  • de UTB op grond van de EU wetgeving een betalingstermijn van 10 dagen heeft en dat de UTB dus op 6 januari 2025 uiterlijk had moeten worden betaald, zoals ook in de UTB is vermeld.
  • de Ontvanger op verzoek ruimte heeft gegeven aan IAA en de andere betrokken marktdeelnemers in de keten om in overleg te treden om tot een gezamenlijke oplossing te komen, in ieder geval inhoudende de verschaffing van zekerheid gedurende de bezwaarprocedure bij voorkeur door betaling ten titel van zekerheid;
  • de Ontvanger zich bereid heeft getoond om hiervoor ruimte te bieden, maar dat de Ontvanger meent dat daarvoor nu ruim voldoende tijd is geboden.
  • de Ontvanger meent dat nader uitstel van de betalingsverplichting ten aanzien van de UTB, dan wel de alternatieve verplichting om daarvoor zekerheid te stellen, niet meer kan worden geboden, ook met het oog op de verantwoording van de Ontvanger naar Brussel en dat dit overigens ook niet in het belang van belanghebbende(n) is in verband met oplopende rente.
  • de Ontvanger er dan ook op staat dat de betalingsverplichting dan wel verplichting tot zekerheidstelling voor het bedrag van de UTB die al sinds 6 januari 2025 bestaat, geëffectueerd wordt.
  • Er vanaf de vervaldatum van 6 januari 2025 tot heden al een opbouw van € 40.697,00 aan kredietrente.
Ik geef uw cliënt de tijd om uiterlijk 30 december 2025 zekerheid te stellen voor het
gehele bedrag van de UTB.”
2.24.
Bij e-mail van 5 november 2025 heeft IAA Valverde en Ferrari NL verzocht om uiterlijk 7 november 2025 te bevestigen dat zekerheid zal worden gesteld voor de UTB.
2.25.
Bij e-mail van 28 november 2025 heeft de advocaat van IAA aan de Douane verzocht aan te geven of toch nader uitstel mogelijk is na 30 december 2025.
2.26.
Bij e-mail van 1 december 2025 heeft de Douane het volgende geantwoord:
“Het afgelopen haar heeft uw client ruimschoots de tijd gehad om zekerheid te regelen, welke wij noodzakelijk achten voor het geven van uitstel van betaling bij bezwaar. In onze brief van 4 november jl. hebben wij uw client uiterlijk tot 30 december 2025 de tijd gegeven om zekerheid te stellen.
Aangezien het nu bijna een jaar geleden is dat de utb is opgelegd, is voor ons 30 december de uiterste termijn die wij uw client geven.
Een nader termijn is niet opportuun”.
2.27.
In de periode vanaf 27 december 2024 tot en met 2 december 2025 hebben (de advocaten van) IAA, Valverde en Ferrari NL overleg gevoerd over de UTB, het in te dienen bewaar, de nader in te dienen aanvullende gronden daarvoor en het stellen van zekerheid.
2.28.
Na de mondelinge behandeling heeft de Douane bij beschikking van 9 december 2025 in een afzonderlijke kwijtscheldingsprocedure besloten de € 703.447,05 aan rente op achterstallen over het invoerrecht en de invoer-btw kwijt te schelden. De beslissing op het bezwaar tegen de opgelegde € 447.269,55 aan invoerrecht zal op een later moment in de bezwaarprocedure worden genomen.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
IAA vordert, na wijziging van eis (na de mondelinge behandeling), dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
1. Valverde en Ferrari NL hoofdelijk, des de één stellende de ander zal zijn gekweten, althans Valverde althans Ferrari NL, beveelt om binnen één week na betekening van dit vonnis, zekerheid te stellen voor de hiervoor bedoelde douanevordering zoals deze volgt uit de UTB met dagtekening 27 december 2024, met beschikkingsnummer NL24DSF0470168 voor een totaalbedrag van € 477.269,55 aan douanerecht:
primair, en naar hun keuze, door betaling van de UTB aan de Douane ten titel van zekerheid en aan IAA van die betaling binnen 24 uur een bewijs te verstrekken of een afdoende borgtocht te (doen) stellen ten gunste van de Douane en IAA van die afgegeven borgtocht binnen 24 uur een kopie te verstrekken, dan wel
subsidiair door betaling ten titel van zekerheid van de douanevordering aan IAA ter doorbetaling door IAA aan de Douane, dan wel
nog meer subsidiair het doen stellen van een bankgarantie van een eersteklas Nederlandse bank, opgesteld op NVB-formulier dan wel Rotterdams Garantieformulier, ten gunste van IAA, voor een bedrag van € 477.269,55, zijnde de douanerechten zoals vermeld in de UTB, vermeerderd met de gebruikelijke opslag voor bijkomende heffingen en kosten zoals begroot volgens de staffel van Paragraaf 12 Beslagsyllabus 2025;
2. Valverde en Ferrari NL hoofdelijk, des de één betalende de ander zal zijn gekweten, veroordeelt in de kosten van dit kort geding, aan de zijde van IAA tot op heden begroot op 2 punten ad € 3.502 = € 7.004, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;
3. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente daarover.
3.2.
Valverde en Ferrari NL voeren ieder voor zich verweer. Beide concluderen tot niet-ontvankelijkheid van IAA, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van IAA, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van IAA in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Het geschil in de vrijwaringszaak

4.1.
Valverde vordert, als toegelicht op zitting, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
Ferrari NL te veroordelen tot al datgene waartoe Valverde als gedaagde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met inbegrip van een eventuele kostenveroordeling in de hoofdzaak en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, te vermeerderen met de wettelijke rente en proces- en nakosten in de vrijwaringszaak;
subsidiair:
Ferrari NL te veroordelen om Valverde volledig te vrijwaren voor iedere veroordeling jegens IAA, inclusief (maar niet beperkt tot) de UTB of zekerheidstelling, wettelijke rente, proces- en nakosten.
4.2.
Ferrari NL voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Valverde, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Valverde, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Valverde in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In de hoofdzaak
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of IAA ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisendheid
5.2.
IAA stelt aan dat zij spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft, omdat op 30 december 2025 zekerheid gesteld moet worden. Als dat niet gebeurt, loopt zij het risico dat haar doorlopende zekerheid wordt uitgewonnen en/of dat haar vergunningen worden opgeschort.
5.3.
Valverde en Ferrari NL betogen dat de spoedeisendheid door IAA zelf is veroorzaakt. IAA is traag geweest met het indienen van de aanvullende gronden ter toelichting op het ingediende bezwaar tegen de UTB met als gevolg dat de Douane nu niet langer uitstel voor het stellen van zekerheid wil verlenen. Er is een grote kans dat als de aanvullende gronden van bezwaar eerder waren ingediend, de Douane reeds zou zijn overgegaan tot kwijtschelding van de ROA, zodat voor een veel lager bedrag zekerheid gesteld zou hoeven worden. Daar komt bij dat IAA de Douane weliswaar op 28 november jl. nogmaals om uitstel heeft verzocht, maar dat zonder onderbouwing heeft gedaan, zodat het verzoek geen kans van slagen had en is afgewezen. Na de zitting hebben Valverde en Ferrari NL aan het voorgaande toegevoegd dat de advocaat van Valverde de Douane mede namens Ferrari NL gemotiveerd heeft verzocht om de termijn waarbinnen zekerheid gesteld moet worden nog eenmaal te verlengen en de ROA kwijt te schelden. De Douane heeft beide verzoeken toegewezen en aangegeven dat de termijn waarbinnen zekerheid gesteld moet worden verlengd kan worden met zes weken. IAA heeft de Douane echter meegedeeld dat dat zij geen uitstel meer wenst en dat de uiterste datum voor zekerheidstelling van 30 december 2025 gehandhaafd moet blijven. Nu de omvang van de zekerheidstelling met meer dan de helft is verminderd en de Douane uitstel voor de zekerheidstelling wil verlenen, is de door IAA gestelde spoedeisendheid volgens Valverde en Ferrari NL komen te vervallen.
5.4.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Hoewel het voortvarender indienen van de (aanvullende) gronden op het bezwaar er waarschijnlijk toe had geleid dat de Douane op een eerder moment de ROA zou hebben kwijtgescholden, heeft dat geen gevolgen voor de spoedeisendheid in deze zaak. Ook na de kwijtschelding moet er nog steeds op korte termijn voor een aanzienlijk bedrag van bijna € 500.000 zekerheid worden gesteld en tot nu toe heeft noch Valverde noch Ferrari NL toegezegd dat te zullen doen voor IAA. Partijen zijn het er dus (nog steeds) niet eens over wie de zekerheid voor de UTB moet stellen. Dat betekent dat een rechter daarover moet beslissen. Die beslissing moet op korte termijn worden genomen, ongeacht of de zekerheid 30 december 2025 of medio februari 2026 gesteld moet worden. In beide gevallen is, gelet op die termijnen, een bodemprocedure geen optie. IAA heeft dus nog steeds spoedeisend belang bij haar vorderingen. Het enkele feit dat het vonnis in dit kort geding, gelet op de bereidheid van de Douane tot uitstel van de zekerheidsstelling, ook een paar weken later zou kunnen worden gewezen, betekent dus niet dat er geen spoedeisend belang (meer) is bij de vorderingen.
De vordering tegen Valverde
5.5.
Valverde heeft aan IAA opdracht gegeven ervoor te zorgen dat de juwelen onder de regeling Tijdelijke Invoer zouden worden geplaatst. Tussen deze partijen is niet in geschil dat op de tussen hen gesloten overeenkomst de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn en dat uit artikel 15 van die voorwaarden volgt dat Valverde als opdrachtgever gehouden is om aan IAA als douane-expediteur te vergoeden wat zij als aangever wegens de opgelegde UTB aan de Douane moet betalen - waarvoor IAA nu zekerheid moet stellen - en dat Valverde verplicht is op eerste vordering van IAA zekerheid te stellen voor datgene wat IAA in verband daarmee verschuldigd is of wordt.
5.6.
Valverde stelt dat het civielrechtelijk niet vanzelfsprekend is dat zij zekerheid moet stellen zolang de douaneschuld uit de UTB niet onherroepelijk vaststaat. Dat verweer slaagt in dit geval niet. Het is juist dat de douaneschuld nog niet onherroepelijk vaststaat, al omdat de bezwaarprocedure tegen de opgelegde UTB nog loopt. Het gaat in deze procedure echter niet om betaling van de UTB zelf, maar om zekerheidstelling daarvoor. Valverde heeft niet betwist dat op IAA sinds 6 januari 2025 de verplichting tot betaling rust en (na bezwaar) om in elk geval zekerheid te stellen voor het bedrag van de UTB. Die verplichting tot zekerheidstelling is definitief. Dat de Douane meerdere keren uitstel heeft verleend voor het stellen van de zekerheid (en daartoe ook nu nog bereid blijkt) laat onverlet dat de verplichting tot zekerheidstelling op zichzelf definitief is. Voor die verplichting moet Valverde IAA op grond van de Fenex-voorwaarden vrijwaren.
5.7.
Valverde heeft tijdens de zitting een beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van IAA. Zij heeft betoogd dat IAA te lang heeft gewacht met het indienen van de aanvullende gronden op het door haar ingediende bezwaar met als gevolg dat de Douane nu niet langer bereid is de termijn waarbinnen zekerheid gesteld moet worden uit te stellen. Het verzoek dat IAA op 28 november 2025 aan de Douane heeft gedaan om de termijn waarvoor zekerheid moet worden gesteld toch nog een keer te verlengen is niet gemotiveerd en (daarom) afgewezen. Als de aanvullende gronden op het bezwaar eerder waren ingediend, zou de Douane bovendien al op het bezwaar hebben beslist en de kans is groot dat de ROA dan zou zijn kwijtgescholden, zodat voor een veel lager bedrag zekerheid gesteld zou hoeven worden.
5.8.
Dit verweer is inmiddels achterhaald nu de Douane de ROA kort na de zitting heeft kwijtgescholden. De verplichting tot het stellen van € 477.269,55 zekerheid voor de invoerrechten bestaat echter nog steeds. Het (al dan niet) met vertraging indienen van de toelichtende gronden op het bezwaar is op het ontstaan van die verplichting niet van invloed geweest en ook niet op het nog bestaan van die verplichting. Valverde is tot nu toe niet bereid gebleken voor (in ieder geval) het bedrag van de invoerrechten zekerheid te stellen. Dat na de zitting is gebleken dat de Douane toch bereid is zes weken uitstel te verlenen voor het stellen van zekerheid, maar IAA zelf de termijn niet wil verlengen, is weliswaar opmerkelijk, maar verandert niets aan het feit dat hoe dan ook binnen enkele weken zekerheid gesteld moet worden. Die verplichting bestaat nog steeds. Er is geen grond om aan het niet meewerken aan het verlengen van de termijn het gevolg te verbinden dat Valverde in het geheel niet meer gehouden zou zijn IAA te vrijwaren voor de (in de Fenex-voorwaarden) overeengekomen te stellen zekerheid. Gesteld noch gebleken is overigens dat de nog te nemen beslissing op bezwaar ertoe zal leiden dat IAA in het geheel geen invoerrecht verschuldigd zal zijn. Dat een voortvarender bezwaarprocedure geen zekerheidstelling en/of betalingsverplichting voor Valverde zou opleveren, is dus niet aannemelijk.
5.9.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is Valverde dus gehouden tot de door IAA gevorderde zekerheidstelling voor betaling van de UTB aan de Douane. De primaire vordering (onder i) zal dan ook worden toegewezen.
De vordering tegen Ferrari NL
5.10.
IAA baseert haar vordering tegen Ferrari NL op (analoge) toepassing van artikel 7:421 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW), versterkt door artikel 7:424 BW. Zij stelt dat expediteur IAA voor rekening van haar opdrachtgever Valverde rechtshandelingen heeft verricht, zoals douaneaangiften, en dat de overeenkomst daarmee past binnen het bereik van artikel 7:424 lid 1 BW, zodat de lastgevingsbepalingen - met name artikel 7:421 BW - op haar verhouding met Ferrari NL toe te passen zijn. Daarom kan Ferrari NL door IAA worden aangesproken voor de verplichtingen van Valverde ten opzichte van IAA, zoals het stellen van zekerheid. Daarmee komt volgens IAA de verhouding tussen IAA, Valverde en Ferrari NL functioneel overeen met een gelaagde lastgeving in de zin van artikel 7:414 BW, waarbij Ferrari NL de oorspronkelijke lastgever is en Valverde de doorgevende lasthebber.
5.11.
In artikel 7:421 BW staat dat een derde zijn rechten uit de overeenkomst, die hij met een lasthebber heeft gesloten, tegen de lastgever kan uitoefenen indien de lasthebber zijn verplichtingen uit de in eigen naam met de derde gesloten overeenkomst jegens de derde niet nakomt of in staat van faillissement geraakt. In de opvatting van IAA moet zij worden aangemerkt als “de derde” in genoemd artikel.
Die redenering volgt de voorzieningenrechter niet. Tussen Ferrari NL (als lastgever) en Valverde (als lasthebber) is een overeenkomst van lastgeving (7:414 BW) gesloten. Tussen IAA en Valverde is ook sprake van een overeenkomst van lastgeving. Maar anders dan waar IAA vanuit lijkt te gaan, ziet artikel 7:421 BW niet (ook) op de overeenkomst tussen IAA en Valverde. De voorzieningenrechter licht dat toe. Ferrari NL heeft Valverde in de tussen hen geldende lastgevingsovereenkomst opdracht gegeven om op eigen naam de tijdelijke invoer van de juwelen te regelen. De rechtshandeling waartoe Ferrari NL opdracht aan Valverde heeft gegeven was dus het verrichten van een rechtshandeling met de Douane. De opdracht van Ferrari NL was niet om dat via een derde te doen. De “derde” als bedoeld in artikel 7:421 BW is in dit geval dus de Douane en niet IAA. Dat Valverde als lasthebber voor de uitvoering van haar lastgevingsovereenkomst met Ferrari NL gebruik heeft gemaakt van een hulppersoon (IAA) en daartoe op haar beurt een overeenkomst van lastgeving heeft gesloten met IAA heeft niet tot gevolg dat IAA in de lastgevingsovereenkomst tussen Ferrari NL en Valverde de “derde” is geworden als bedoeld in artikel 7:421 BW. De lastgevingsovereenkomst tussen Ferrari NL en Valverde was daar immers niet op gericht. Die was slechts gericht op het verrichten van een rechtshandeling met de Douane. Het inschakelen van een hulppersoon door Valverde verandert daar niets aan. Nu IAA in de lastgevingsovereenkomst tussen Ferrari NL en Valverde niet kan worden aangemerkt als “derde” is naar het oordeel van de voorzieningenrechter al daarom niet aannemelijk dat in een bodemprocedure het beroep van IAA op artikel 7:421 BW slaagt, zodat zij geen rechten kan uitoefenen jegens Ferrari NL en die partij niet rechtstreeks kan aanspreken tot het stellen van zekerheid. De vorderingen van IAA tegen Ferrari NL zullen dus worden afgewezen.
Proceskosten
5.12.
Valverde is jegens IAA in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke standaard liquidatietarief voor kort gedingen, zoals door IAA gevorderd.
De proceskosten van IAA worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
10.188,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.595,35
5.13.
IAA is jegens Ferrari NL in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ferrari NL worden begroot op:
- griffierecht
10.188,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.473,00
5.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In de vrijwaringszaak
5.15.
Valverde stelt dat op basis van de artikelen 11 en 15 van de tussen hen toepasselijke Fenex-voorwaarden Ferrari NL op haar beurt gehouden is om Valverde te vrijwaren.
5.16.
Ferrari NL verweert zich en doet een beroep op vernietiging van de Fenex-voorwaarden, omdat Valverde die niet aan haar ter hand heeft gesteld als bedoeld in artikel 6:234 BW of op een in artikel 6:230c BW geregelde wijze aan haar heeft verstrekt. Weliswaar wordt onderaan de e-mails van Valverde standaard verwezen naar de Fenex-voorwaarden, maar dat is onvoldoende, omdat er geen hyperlink in de tekst staat. Behalve dat geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de Fenex-voorwaarden kennis te nemen, heeft Valverde ook niet voldaan aan de informatieplicht uit artikel 6:230c BW. Ferrari NL stelt zich verder op het standpunt dat toepassing van artikel 11 en 15 Fenex-voorwaarden in het licht van de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233 sub a BW.
5.17.
Valverde voert verweer. Zij wijst erop dat Ferrari NL Fenex-lid is en de Fenex-voorwaarden zelf ook gebruikt. Ook in 2022 stonden de Fenex-voorwaarden vermeld op de website van Ferrari Group, waarvan Ferrari NL onderdeel is.
5.18.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat het beroep van Ferrari NL op vernietiging in een bodemprocedure niet zal slagen, omdat Ferrari NL de Fenex-voorwaarden zelf ook gebruikt en in ieder geval bekend is met de inhoud van de Fenex-voorwaarden. Ferrari NL heeft niet betwist dat zij lid is van brancheorganisatie Fenex die de voorwaarden voor de branche heeft opgesteld. Op de website van Ferrari Group, waarvan Ferrari NL onderdeel is, en waarnaar in zoekmachines verwezen wordt als wordt gezocht op Ferrari NL, staat onder “Downloads – Transport Terms & Conditions” een downloadbare versie van de Fenex-voorwaarden. Valverde stelt dat uit de google cache blijkt dat dat in 2022 ook al zo was. Ferrari NL heeft dat niet betwist. De vermelding van de Fenex-voorwaarden op de website kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet anders worden begrepen dan dat Ferrari NL, als expediteur, de Fenex-voorwaarden zelf ook gebruikt. Op grond van artikel 6:235 lid 3 BW komt haar dan geen beroep op vernietiging toe. Zij kan zich dus niet op het standpunt stellen dat haar geen redelijke mogelijkheid is geboden van de voorwaarden kennis te nemen en dat de bedingen onredelijk bezwarend zijn. Naast het bepaalde in artikel 6:235 lid 3 BW geldt dat de Hoge Raad in het arrest van 11 november 2022 ( ECLI:NL:HR:2022:1599) heeft geoordeeld dat de wederpartij zich tegenover de gebruiker niet op vernietigbaarheid van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen, wanneer zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met dat beding bekend was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn. Deze bekendheids-uitzondering berust erop dat wanneer de wederpartij bekend is of geacht kan worden bekend te zijn met de algemene voorwaarden van de gebruiker of een daarin voorkomend beding, recht wordt gedaan aan de strekking artikel 6:234 BW. Dit wordt niet anders wanneer de bekendheid van de wederpartij met de algemene voorwaarden of een daarin voorkomend beding, niet door toedoen van de gebruiker maar op andere wijze is ontstaan. Ook in dat geval kan de wederpartij zich daarom niet op vernietigbaarheid op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW beroepen. Nu Ferrari NL Fenex-lid is en zij de Fenex-voorwaarden op haar website heeft staan, moet Ferrari NL in ieder geval geacht worden bekend te zijn met deze voorwaarden.
5.19.
Het zelfstandig beroep van Ferrari NL op het niet voldoen door Valverde aan de informatieverplichting van artikel 6:230b in samenhang met 6:230c BW gaat om dezelfde reden als weergegeven onder 5.18 niet op. De wet bevat geen specifieke sancties die in werking treden als de dienstverrichter (in dit geval Valverde) verzaakt aan zijn informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230b BW te voldoen. Dat betekent dat wat betreft de informatieverplichting van de algemene voorwaarden, als een beroep op vernietiging wordt gedaan, moet worden teruggevallen op artikel 6:233 BW. Hiervoor is al overwogen dat Ferrari NL vanwege haar eigen gebruik van/bekendheid met de Fenex-voorwaarden geen beroep op vernietiging op grond van dat artikel toekomt.
5.20.
Ferrari NL stelt zich verder op het standpunt dat Valverde in haar verhouding tot IAA de tussen hen toepasselijke Fenex-voorwaarden kan vernietigen, omdat IAA de voorwaarden ook niet aan Valverde ter hand heeft gesteld, zoals artikel 6:234 BW voorschrijft, of op een in artikel 6:230c BW geregelde wijze aan Valverde heeft verstrekt. Volgens Ferrari NL is Valverde verplicht dit verweer tegenover IAA te voeren, omdat Valverde gehouden is het risico en de schade zo veel mogelijk te beperken. Doet zij dat niet dan benadeelt zij Ferrari NL en dat levert een omstandigheid op die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt voor Valverde om een beroep te doen op de bepalingen in de Fenex-voorwaarden op grond waarvan Ferrari NL Valverde zou moeten vrijwaren.
5.21.
Ook dit verweer slaagt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet, omdat Valverde jegens IAA geen beroep toekomt op vernietiging van de Fenex-voorwaarden op grond 6:234 BW. Anders dan Ferrari NL aanvoert, staat in de tekst onderaan de e-mails van IAA aan Valverde wel degelijk een hyperlink naar de Fenex-voorwaarden. Daarmee heeft IAA de voorwaarden elektronisch ter beschikking van Valverde gesteld en voldaan aan artikel 6:234 in samenhang met 6:230c BW. Als dat niet zo zou zijn, geldt bovendien dat artikel 6:235 lid 3 BW ook in dit geval een beroep op vernietiging uitsluit, omdat Valverde dezelfde voorwaarden gebruikt, in elk geval kent.
5.22.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het beroep van Ferrari NL op vernietiging van de Fenex-voorwaarden dan ook niet. Valverde kan jegens Ferrari NL dus een beroep doen op de artikelen 11 en 15 van de Fenex-voorwaarden die meebrengen dat Ferrari NL Valverde moet vrijwaren voor de verplichting van Valverde ten opzichte van IAA (het stellen van zekerheid voor betaling van de UTB) en dus in haar plaats zekerheid moet stellen.
5.23.
Ferrari NL stelt zich nog op standpunt dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om betaling van de UTB bij haar neer te leggen, omdat Valverde heeft verzuimd cruciale informatie door te leiden naar haar opdrachtgever Ferrari NL. Volgens Ferrari NL wist zij niet dat Valverde de diensten zou uitbesteden. Daarbij komt dat Valverde niet haar uiterste best heeft gedaan om nader uitstel te krijgen voor het stellen van zekerheid. Dat uitstel was nodig om de buitenlandse principaal van Ferrari NL en uiteindelijk de opdrachtgever S&C in geding te betrekken, zodat zij voor zekerheid konden zorgen, aldus Ferrari NL.
5.24.
Valverde heeft gemotiveerd betwist dat Ferrari NL niet wist dat IAA zou worden ingeschakeld en zij wijst er bovendien terecht op dat het doorgeven van de opdracht aan IAA niet van invloed is (geweest) op de verplichting tot het stellen van zekerheid en de hoogte daarvan. De UTB noch de verplichting tot zekerheidstelling is ontstaan als gevolg van een fout van IAA (of Valverde) bij de uitvoering van de opdracht. Dat Valverde de opdracht van Ferrari NL heeft doorgegeven aan IAA is dan ook geen reden om de verplichting tot zekerheidstelling niet bij Ferrari NL te leggen. Datzelfde geldt voor het niet kunnen betrekken van de opdrachtgever van Ferrari NL in dit geding. Niet valt in te zien waarom dat Ferrari NL zou ontheffen van de verplichting tot zekerheidstelling die op grond van artikel 15 van de Fenex-voorwaarden op haar rust. Zij kan haar eigen opdrachtgever ook buiten dit kort geding nog steeds aanspreken.
5.25.
Aan het verweer van Ferrari NL dat zij niet over voldoende liquiditeit beschikt om zekerheid te stellen gaat de voorzieningenrechter voorbij. Nog daargelaten dat het bedrag waarvoor zekerheid gesteld moet worden na de mondelinge behandeling aanzienlijk is verlaagd van bijna € 1,2 miljoen naar bijna € 500.000, is de liquiditeit van partijen voor de vrijwaringsverplichting op grond van artikel 15 van de Fenex-voorwaarden niet relevant.
5.26.
Ferrari NL is dus gehouden om Valverde te vrijwaren voor wat betreft de zekerheidstelling waartoe Valverde in dit vonnis in de hoofdzaak jegens IAA wordt veroordeeld. De vordering onder 1 zal dan ook worden toegewezen, ook wat betreft de proceskosten van IAA tot betaling waarvan Valverde in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Valverde vordert ook wettelijke rente vanaf datum dagvaarding. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over enig bedrag dat Valverde aan de Douane en/of IAA in de hoofdzaak betaalt waarvoor zij niet tegelijkertijd door Ferrari NL wordt gecompenseerd; niet vanaf de datum van de dagvaarding dus, maar vanaf het moment waarop Valverde (eventueel) zelf enig bedrag aan de Douane en/of IAA betaalt.
5.27.
Omdat het onder primair onder 1 gevorderde wordt toegewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de vordering onder 2. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat die vordering, die de nadelige gevolgen van het verlies van de hoofdzaak overstijgt, niet past niet binnen het beperkte bestek van een vrijwaringszaak (in kort geding).
Proceskosten
5.28.
Ferrari NL is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Valverde worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
0,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.404,40
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in de hoofdzaak met zaaknummer C/15/371846 / KG ZA 25-730
6.1.
beveelt Valverde om binnen één week ná betekening van dit vonnis, zekerheid te stellen voor de hiervoor bedoelde douanevordering zoals deze volgt uit de UTB met dagtekening 27 december 2024, met beschikkingsnummer NL24DSF0470168 voor een totaalbedrag van € 477.269,55 aan douanerecht, door betaling van de UTB aan de Douane ten titel van zekerheid en van die betaling aan IAA binnen 24 uur een bewijs te verstrekken, of een afdoende borgtocht te (doen) stellen ten gunste van de Douane en van die afgegeven borgtocht binnen 24 uur aan IAA een kopie te verstrekken,
6.2.
veroordeelt Valverde in de proceskosten van IAA van € 11.595,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Valverde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt Valverde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van IAA als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
veroordeelt IAA in de proceskosten van Ferrari NL van € 11.473,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als IAA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt IAA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Ferrari NL als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/15/372014 / KG ZA 25-739
6.8.
veroordeelt Ferrari NL tot al datgene waartoe Valverde als gedaagde in de hoofdzaak is veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling, alsmede de wettelijke rente over enig bedrag dat Valverde in de hoofdzaak aan de Douane en/of IAA betaalt waarvoor zij niet gelijktijdig door Ferrari NL wordt gecompenseerd, vanaf het moment van betaling van dat bedrag door Valverde,
6.9.
veroordeelt Ferrari NL in de proceskosten van Valverde van € 1.404,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Ferrari NL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.10.
veroordeelt Ferrari NL tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
977