ECLI:NL:RBNHO:2025:14811

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
HAA 25/3730 en 25/3731
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor appartementen met parkeergarage aan Dorpsstraat 25 in Landsmeer

Deze uitspraak betreft de omgevingsvergunning voor het bouwen van appartementen met een ondergrondse parkeergarage aan de Dorpsstraat 25 in Landsmeer. Eisers, die zich verzetten tegen het bouwplan, hebben hun bezwaren geuit, met name tegen de geplande parkeergarage. De voorzieningenrechter heeft op 19 december 2025 geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. De voorzieningenrechter concludeert dat niet is aangetoond dat het bouwplan niet voldoet aan het Bouwbesluit en dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De eisers kregen geen gelijk en hun beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, aangezien de voorzieningenrechter op basis van de ingediende stukken en de zitting tot de conclusie kwam dat er geen aanleiding was voor het treffen van een voorlopige maatregel. De uitspraak benadrukt de zorgvuldigheid waarmee het college de aanvraag heeft behandeld, inclusief de betrokkenheid van deskundigen en de afweging van de belangen van de omwonenden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/3730 en HAA 25/3731
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres 1] ,

[eiseres 3] en [eiseres 4],
[eiser 1] ,
[eiseres 2] en [eiser 2], uit [plaats 1] , eisers
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer

(gemachtigde: mr. S. van Dam).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder 3] uit [plaats 2] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van appartementen met een parkeergarage aan de Dorpsstraat 25 in Landsmeer . Eisers zijn het niet eens met het bouwplan, in het bijzonder met de geplande ondergrondse parkeergarage. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek en het beroep.
2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Niet is aannemelijk geworden dat het bouwplan niet voldoet aan het Bouwbesluit. Ook heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

3.1.
Vergunninghouder heeft op 2 april 2020 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen woongebouw met ondergrondse parkeergarage, en een uitritvergunning, op de percelen 1761 en 3218 aan de Dorpsstraat 25 in Landsmeer . Het woongebouw van 296 m² is gesitueerd op perceel 1761 en komt in de plaats van een bestaand detailhandel- en woongebouw.
3.2.
Het college heeft de aanvraag met de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (uov) behandeld. De ontwerp-omgevingsvergunning met bijbehorende stukken heeft zes weken ter inzage gelegen. Hierop hebben eisers zienswijzen ingediend.
3.3.
De gemeenteraad van Landsmeer heeft bij besluit van 10 juli 2025 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
3.4.
Bij besluit van 21 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.
3.5.
Het college heeft bij de rechtbank op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een beroep gedaan op beperkte kennisname van een of meerdere stukken. Bij beslissing van 28 oktober 2025 is het beroep afgewezen. Hierna heeft het college op 7 november 2025 de betreffende stukken ingediend.
3.6.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft schriftelijk op het beroep gereageerd.
3.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres 1] , [eiser 1] , [eiseres 3] , [eiser 2] en [eiseres 2] ; de gemachtigde van het college vergezeld door [naam 1] ; namens [vergunninghouder 3] waren aanwezig
[naam 2] en [naam 3] , vergezeld door ir. [naam 4] en ir. [naam 5] , en de gemachtigde van vergunninghouder.
3.8.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Overgangsrecht
4. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Ow een aanvraag om een besluit is ingediend, dan blijft in de meeste gevallen het oude recht van toepassing. [2] De aanvraag is ingediend op 2 april 2020. Dit betekent dat in onderhavige procedure de Wabo met bijbehorende wet- en regelgeving van toepassing is.
Toetsingskader
5.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van 10 juli 2025. De voorzieningenrechter heeft het beroep zo begrepen, dat eisers (ook) bedoeld hebben om het raadsbesluit over de band van het besluit ter verlening van de omgevingsvergunning van 25 juli 2025 te bestrijden.
5.2.
De aanvraag is ingediend voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘aanleggen van een uitrit’. [3] De Wabo schrijft voor wanneer de omgevingsvergunning voor die activiteiten kan worden verleend of geweigerd. [4] Het college is bij een aanvraag slechts gehouden om aan de wettelijke beoordelingscriteria uit de Wabo per activiteit te toetsen.
5.3.
De gronden van eisers die het kader van de wettelijke beoordelingscriteria te buiten gaan, kunnen niet leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter behandelt die gronden daarom niet.
Buiten de omvang van het geschil vallen de volgende onderwerpen:
  • De door partijen beschreven politieke verdeeldheid over het project in de gemeenteraad.
  • De voorgeschiedenis van het bouwplan inclusief eerdere afwijzingen.
  • De onzekerheid en onduidelijkheid voor eisers omtrent de juridische en financiële bedrijfsstructuur van vergunninghouder. Of vergunninghouder een toereikende CAR- en aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten en voldoende middelen heeft om eventuele schade te vergoeden, is immers geen beoordelingscriterium voor de aangevraagde activiteiten. Op de zitting hebben vergunninghouder en het college aan eisers uitleg kunnen geven over bijvoorbeeld het verzekeringsregime. Vergunninghouder gaat daarvoor nog een nulmeting doen.
  • Bij de aanvraag heeft vergunninghouder geen toestemming verzocht voor het samenvoegen van geplande woningen, zodat een discussie daarover buiten het bestek van de procedure valt. Een dergelijke aanvraag tot het onttrekken van woonruimte is onderhevig aan eigen wettelijke en lokale beoordelingscriteria, die nu niet ter toetsing voorliggen. Dat vergunninghouder op haar website de optie tot het samenvoegen van woningen geeft, is in deze procedure daarom niet relevant.
  • De wens van eisers om op voorhand een compensatieregeling met vergunninghouder af te spreken voor tijdens en na de bouw. De zogeheten procedure voor nadeelcompensatie valt buiten het bestek van deze procedure.
Zienswijzen
6.1.
Eisers voeren aan dat het college in het bestreden besluit geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op hun zienswijzen. Daarnaast is het college onzorgvuldig met de persoonsgegevens van eisers omgegaan, door hun zienswijzen kaal door te sturen naar vergunninghouder.
6.2.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat Nota van zienswijzen in reactie op de ingediende zienswijzen vanwege vormgebreken te kort schoot. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het college heeft erkend dat bij het doorsturen van de zienswijzen iets is misgegaan. Hier heeft het college excuses voor aangeboden. De betreffende persoonsgegevens waren evenwel bij vergunninghouder al bekend. Deze omstandigheden leiden niet tot vernietiging van de omgevingsvergunning.
Gelijkwaardige alternatieven?
7. Volgens vaste rechtspraak biedt het systeem van de Wabo alleen plaats voor een beslissing op grondslag van de aanvraag zoals die is ingediend. In het geval dat een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen nog tot weigering van de vergunning leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [5]
7.1.
Eisers hebben alternatieve bouwplannen aangedragen, waarbij het woongebouw meer opschuift richting de Raadhuisstraat , zodat de parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen bovengronds kan worden opgelost. Met een dergelijke inrichting zouden eisers kunnen instemmen, zodat tegen het bouwplan aanzienlijk minder bezwaren zullen bestaan.
7.2.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat met de door eisers ingebrachte alternatieven geen gelijkwaardig resultaat wordt bereikt. Het college heeft toegelicht dat het onwenselijk is om het woongebouw meer richting de straat te positioneren, omdat de ruimte op maaiveldniveau voor groen dan verdwijnt. Het college mocht tot uitgangspunt nemen dat met een parkeergarage het groen meer behouden blijft dan bij de alternatieven. De beroepsgrond slaagt niet.
Activiteit bouwen
8.1.
Eisers voeren als belangrijkste grond aan dat het bouwplan mogelijk schade zal veroorzaken aan hun woningen en percelen. Grondverzet, bemaling en trillingen kunnen leiden tot verzakking en funderingsschade. Het betreft een waterrijk gebied, waardoor de grond slap is. De houten funderingspalen liggen in laagveengrond. Door het plaatsen van damwanden kunnen de palen droog komen te liggen, wat ze extra kwetsbaar zal maken. Volgens eisers is nog onduidelijk hoe veilig het is om op het bouwperceel te graven, damwanden te plaatsen en bijvoorbeeld te heien. Eisers hebben verwezen naar een rapport van Korff uit 2009, het Handboek Omgevingsbeïnvloeding uit 2018 en verschillende nieuwsartikelen waar schade is opgetreden aan omliggende woningen en infrastructuur door de aanleg van damwanden en parkeerkelders.
8.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat de beroepsgronden over de uitvoering van het bouwplan slechts via het Bouwbesluit 2012 een ingang hebben in deze procedure. [6] In artikel 8.1 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig is dat voor de omgeving nadelige hinder zo veel mogelijk wordt voorkomen. In artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 is (onder meer) bepaald dat bij de uitvoering van bouw- of sloopwerkzaamheden maatregelen worden getroffen om beschadiging aan al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel te voorkomen.
8.3.
De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of het college aannemelijk heeft mogen achten dat vergunninghouder voldoende maatregelen zal nemen om hinder en beschadiging door de uitvoering van het bouwplan zo veel mogelijk te voorkomen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat vergunninghouder voor de civieltechnische werkzaamheden die nodig zijn voor de parkeergarage, meerdere geotechnische onderzoeken heeft laten uitvoeren. In de Ruimtelijke Onderbouwing is opgenomen dat dit een geohydrologisch advies van [adviesbureau 1] en een geotechnisch (damwand, bemaling en fundering) advies van [adviesbureau 2] betreffen. Uit de adviezen volgt dat de parkeerkelder onder voorwaarden geen negatieve gevolgen zal hebben. De injectiepalen worden volledig trillingvrij geschroefd en de (water- en grondkerende) damwanden worden trillingvrij ingebracht door indrukken. Door de kenmerken van de grondlaag ter plaatse wordt geen verticale stijging van het grondwater verwacht. Bemalingswater kan worden geloosd in het hemelwaterriool, waarbij de grondwaterstand door middel van geijkte watermeters wordt gemonitord.
Daarnaast heeft vergunninghouder aanvullend [adviesbureau 3] verzocht de genoemde technische rapportages kort en overzichtelijk te beschrijven. Vergunninghouder heeft hiermee dus nog een risico-inventarisatie opgemaakt uitgaande van de technische werkzaamheden die nodig zijn voor de parkeerkelder en welke mitigerende maatregelen kunnen worden genomen.
Op de zitting heeft een hydrologisch deskundige van [adviesbureau 3] toegelicht dat de damwanden in alle gevallen een verbetering van de waterhuishouding op de percelen opleveren. Bepaalde onzekerheden voor de grondwaterhuishouding zijn verder neerslagafhankelijk en staan dus los van het bouwplan.
Vervolgens is in de anterieure overeenkomst met de gemeente en het addendum opgenomen dat de wijze van realisatie van het project zodanig moet zijn dat de gemeente en derden geen nodeloze hinder ondervinden. Hiertoe wordt een bouwkundige vooropname gemaakt van de omliggende panden en percelen. Uit deze opname dient te blijken dat de voorgenomen bouwwerkzaamheden geen schade zullen veroorzaken aan de panden. Indien dat risico wel bestaat, dient vergunninghouder alle noodzakelijke maatregelen te treffen ter voorkoming van schade. Hierbij dient vergunninghouder haar CAR-verzekeraar (Construction All Risks) te betrekken.
Tot slot heeft het college ook nog een second opinion gevraagd over de geotechnische rapporten en adviezen. In het advies van 8 oktober 2024 van [adviesbureau 4] is opgenomen dat de geotechnische- en constructieve adviezen/rapportages naar behoren zijn uitgevoerd.
8.4.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het college in beginsel mag afgaan op door deskundigen uitgebrachte adviezen en rapportages, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit is anders wanneer een partij concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming, de begrijpelijkheid van de redenering of de daarop gebaseerde conclusies. Dit heet de vergewisplicht. [7]
8.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college afgaan op de uitgebrachte deskundigenadviezen en rapportages. Vergunninghouder heeft op meerdere manieren geprobeerd te waarborgen dat de bouw van de parkeerkelder geen schade zal aanrichten aan de omliggende percelen en panden, en zich in te spannen om die schade te voorkomen. Ook heeft vergunninghouder haar verantwoordelijkheid hierin inzichtelijk willen maken met het overzicht door [adviesbureau 3] en de afspraken in de anterieure overeenkomst. Van belang acht de voorzieningenrechter voor de beoordeling dat het college vanuit zijn vergewisplicht ook nog om een second opinion heeft verzocht. Eisers hebben weliswaar eigen onderzoek gedaan en hun twijfels geuit over of de risico-inschattingen en mitigerende maatregelen de nodige bescherming zullen bieden, maar zij hebben hun standpunten niet concreet op de door vergunninghouder en het college gebruikte deskundigenrapporten gericht. Eisers hebben alleen gewezen op algemene rapporten en krantenartikelen. Dit is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het college de onderzoeken niet ten grondslag had mogen leggen aan de beoordeling dat voldoende maatregelen worden getroffen om beschadiging aan al dan niet roerende zaken en hinder op een aangrenzend perceel te voorkomen. Tijdens de uitvoering zal de aangewezen toezichthouder controleren of volgens de regels in het Bouwbesluit 2012 wordt gebouwd, ook gelet op de opgenomen normen voor trillings- en geluidshinder. Enige hinder is daarbij niet te voorkomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Activiteit afwijken van het bestemmingsplan
9.1.
Ter plaatste gold ten tijde van de aanvraag het bestemmingsplan ‘Het Lint 2015’. Het perceel aan de Dorpsstraat heeft de enkelbestemming ‘Wonen – 3’ met functieaanduiding ‘detailhandel’ en het perceel aan de zijde van de Raadhuisstraat de enkelbestemming ‘Groen’. Vrijwel het hele projectgebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’.
9.2.
Volgens de Ruimtelijke Onderbouwing overschrijdt het bouwplan de op de bestemming Wonen 3 maximaal toegestane goot- en bouwhoogte, het bouwvlak en het toegestane gebruik. Op de bestemming Groen is het bouwplan in strijd met het toegestane gebruik voor groenvoorzieningen.
9.3.
Met het bestreden besluit heeft het college ingestemd om van het bestemmingsplan af te wijken omdat het volgens het college geen strijd met een goede ruimtelijke ordening zal opleveren. De afwijkingen heeft het college vergund met toepassing van de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid. [8] Hiertoe heeft vergunninghouder de Ruimtelijke Onderbouwing bij de aanvraag ingediend.
10. Eisers voeren aan dat het project vanwege verschillende argumenten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zodat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid niet had kunnen verlenen.
- Volgens eisers heeft de gemeenteraad met de toegestane bouwafmetingen in het bestemmingsplan bewust gekozen voor een kleinschalig, open karakter van het dorpslint, passend bij de omgeving. Het bouwplan staat haaks op deze kenmerken, bijvoorbeeld doordat het bebouwd oppervlak twee tot drie keer zo groot is, dieper op het perceel komt te liggen en tot 9,5 meter hoog wordt. Het grootschalige karakter is in strijd met het landschappelijke karakter van de omgeving.
- Het argument in de Ruimtelijke Onderbouwing dat het bouwplan het pleinkarakter zou versterken heeft geen grondslag in gemeentelijke beleidsstukken. Het college heeft geen advies van een stedenbouwkundige ingewonnen. Het advies van de welstandscommissie over de stedenbouwkundige aspecten is ongeschikt als vervanging hiervoor, en bovendien onbevoegd gegeven.
- Het project is volgens eisers in strijd met de Woonvisie ‘Goed Wonen in Landsmeer 2016-2024’ (hierna: de Woonvisie). De te realiseren appartementen zijn geen betaalbare woningen voor senioren, maar woningen in het hogere koopsegment. Hierdoor leent het project zich niet voor doorstroming in een segment waar dat noodzakelijker is. De doelgroep van de appartementen sluit aldus niet aan bij de beleidsintenties in de Woonvisie.
- Eisers voeren aan dat het gewijzigd gebruik van de groenstrook onvoldoende wordt gecompenseerd. Daarbij wordt de geplande voortuin aan de straatzijde omheind, zodat dit niet als compensatie voor de voorheen openbare groenvoorziening kan gelden. Verder leidt het verlies van een ‘groene buffer’ tot verslechtering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden en was de groenstrook onderdeel van het karakteristieke plein.
- De bouw van meer woningen leidt tot het gevolg dat de naastgelegen [onderneming] wordt beperkt in haar bedrijfsactiviteiten. De balkons van de appartementen zijn aan de zijde van de slagerij geprojecteerd, direct boven de rokerij. Hierdoor ontstaat het risico voor klachten van bewoners over bijvoorbeeld geur- en geluidshinder. Het bouwplan mag niet leiden tot beperkingen voor of het verlies van de karakteristieke slagerij.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in redelijkheid kon besluiten dat het project geen strijd met een goede ruimtelijke ordening oplevert. Hierbij is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college van de door de gemeenteraad afgegeven verklaring van geen bedenkingen gebruik heeft mogen maken.
Pleinversterking
11.1.
In de Ruimtelijke Onderbouwing is omschreven dat het bestaande vrijstaande hoekgebouw onderdeel uitmaakt van de pleinwanden van het Raadhuisplein. De voorzieningenrechter kan het standpunt volgen dat het verhogen van het gebouw en het vergroten van het bouwvolume op het hoekperceel de pleinwanden verder zal versterken. De langere gevelwand aan de Raadhuisstraat leidt tot een meer ruimtelijke beslotenheid van het plein, waardoor de pleinruimte duidelijker omgrenst wordt. Het college kon dit valide stedenbouwkundig ruimtelijk element in redelijkheid betrekken bij de beoordeling. Vergunninghouder heeft ook bewust aansluiting gezocht bij de bouwvolumes in de omgeving. Wat eisers over het element pleinversterking hebben aangevoerd, maakt dit niet anders. Vaststaat immers dat het projectperceel aan het plein ligt.
Welstand
11.2.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat bij gebrek aan een stedenbouwkundige bij de gemeente, de welstandscommissie heeft geadviseerd over de stedenbouwkundige verhouding van het bouwplan ten opzichte van de omgeving. De voorzieningenrechter overweegt dat de welstandscommissie meerdere keren over verschillende versies van het bouwplan heeft geadviseerd, en de aangevraagde versie op 13 januari 2025 akkoord heeft bevonden. De welstandscommissie heeft het bouwplan getoetst aan de uitgangspunten in de Welstandsnota Landsmeer 2012. In de Welstandsnota zijn ook stedenbouwkundige uitgangspunten opgenomen, zoals de inpassing van nieuwe bebouwing in het lint als ruimtelijke hoofdstructuur. Voor het geldende welstandsniveau ‘bijzonder’ moet het welstandstoezicht een bijdrage leveren aan het maximaal behouden en versterken van de stedenbouwkundige, architectonische en culturele kwaliteiten van het dorpscentrum Landsmeer . Gelet hierop is de welstandscommissie niet buiten haar bevoegdheid getreden, door mede te overwegen dat het bouwplan de pleinstructuur van het Raadhuisplein versterkt. Verder acht de commissie het bouwplan passend in de omgeving. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om aan dit advies te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Woonvisie
11.3.
In de Ruimtelijke Onderbouwing is opgenomen dat het bouwplan niet is strijd is met de Woonvisie. Het past bij de speerpunten dat gebouwd dient te worden op inbreidingslocaties, de dynamiek op de woningmarkt wordt verhoogd (doorstroming) en extra aanbod voor ouderen wordt gerealiseerd. Op de zitting heeft het college toegelicht dat er behoefte is aan extra aanbod voor senioren. Zes van de zeven appartementen zijn dan ook daarvoor beoogd. Geprobeerd is om deze doelgroep te borgen door in de anterieure overeenkomst op te nemen dat de appartementen eerst met voorrang worden aangeboden aan 55-plussers uit de gemeente Landsmeer . Daarna zijn andere senioren aan de beurt, waarna pas naar andere doelgroepen wordt gekeken. Meer draagkrachtige senioren (doorstromers vanuit de koopsector) vallen ook onder de doelgroep senioren. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de appartementen niet in lijn zijn met de Woonvisie. Dat de particuliere appartementen mogelijk niet betaalbaar zijn voor starters op de woningmarkt (doorstromers vanuit de huursector), maakt niet dat de Woonvisie zich – nog los van de vraag naar juridische status van de Woonvisie – verzet tegen deze ontwikkeling. Het college heeft bij de beoordeling mogen betrekken dat een ontwikkeling niet aan alle beleidsdoelen tegelijk hoeft te voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.
Groenstrook
11.4.
Aan de Raadhuiszijde van het bouwperceel bevindt zich momenteel over de hele breedte een openbare groenzone met een diepte van ca. 7,5 meter. Het perceel 3210 is in eigendom van de gemeente. Uit de Ruimtelijke Onderbouwing volgt dat het nodig is om een ontsluiting te creëren voor de parkeerkelder op de plaats van een deel van de groenstrook. Ter compensatie wordt aan de zijde van de Dorpsstraat een groter oppervlak beschikbaar gesteld voor groenvoorzieningen. Op de zitting hebben het college en vergunninghouder bevestigd dat de nieuwe groenstrook openbaar toegankelijk blijft en in eigendom komt van de gemeente. In de anterieure overeenkomst is immers afgesproken dat voor de groenstrook een grondruil met de gemeente zal plaatsvinden zoals opgenomen op de situatietekening van het project. De gepresenteerde verdere indeling en vormgeving van de groenvoorzieningen op de website van vergunninghouder, doen aan de vorenstaande afspraken niet af. Eisers hebben verder niet onderbouwd hoe zij door het verdwijnen van een deel van de groenstrook onevenredig worden aangetast in hun privacy. De beroepsgrond slaagt niet.
Bedrijfsactiviteiten
11.5.
De voorzieningenrechter volgt de uitleg in de Ruimtelijke Onderbouwing en het verweerschrift dat het bouwplan voldoet aan de richtafstanden voor hindergevoelige gebouwen (woningen). [onderneming] is het dichtstbijzijnde bedrijf. Een slagerij heeft volgens de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering milieucategorie 1 (Detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken en bakken). Hiervoor geldt doorgaans een richtafstand van 10 meter. De appartementen komen op ongeveer 5 meter afstand. Echter kwalificeert de omgeving van de projectlocatie als ‘gemengd gebied’ waar wonen en bedrijvigheid naast elkaar bestaan. Dit heeft functiemenging. In gemengd gebied wordt de richtafstand voor een slagerij verkleind van 10 meter naar 0 meter. Hierdoor kan voor de aanvraag worden aangenomen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners is gewaarborgd. Bovendien is vergunninghouder bereid financieel bij te dragen aan het verbeteren van de kookdampafvoer in het achterdakvlak van de slagerij, mocht dit nodig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Schaduw
11.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat bij de Ruimtelijke Onderbouwing een zonnestudie is gevoegd. Hieruit volgt dat in de namiddag enige toename aan schaduw is te verwachten op de noordoostzijde van het perceel van Siemes. Zij heeft haar beroepsgrond dat deze schaduwwerking onevenredige afbreuk aan haar woon- en leefklimaat meebrengt, niet verder onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ten overvloede
12. Uit de anterieure overeenkomst en het addendum volgt dat vergunninghouder eisers tegemoet heeft willen komen door inzichtelijk te maken hoe de aansprakelijkheidskwestie geregeld is. Tijdens de bouw en de onderhoudstermijn is vergunninghouder verzekerd met een CAR-verzekering en toereikende aansprakelijkheidsverzekeringen. Op de zitting heeft vergunninghouder uitgelegd dat de onderhoudstermijn 10 jaar bedraagt. Daarna geldt het reguliere aansprakelijkheidsregime uit het Burgerlijk Wetboek. Voor de bouw wordt de huidige situatie vastgelegd met een startopname.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten, voor zover zij die zouden hebben gemaakt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 4.3 van de Iw Ow.
3.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.2, aanhef en onder e, van de Wabo.
4.In respectievelijk de artikelen 2.10, 2.12 en 2.18 van de Wabo, waarvan het laatste artikel in samenhang met artikel 2.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Landsmeer .
5.Bijvoorbeeld in rechtsoverweging 12.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340.
6.Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo schrijft voor dat de aanvraag wordt geweigerd indien de aanvraag en verstrekte gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van het bouwwerk, voldoet aan het Bouwbesluit 2012.
7.Bijvoorbeeld in rechtsoverweging 10.1 en 10.2 van de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1295.
8.Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wabo.