ECLI:NL:RBNHO:2025:14847

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/15/356512 / FA RK 24-4514
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezag en zorgregeling na echtscheiding met aandacht voor de belangen van het kind

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een moeder en een vader over de wijziging van het gezag en de zorgregeling voor hun minderjarige kind. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag, omdat de zorgregeling na de echtscheiding lange tijd niet nagekomen was. De vader, die weer een rol in het leven van hun zoon wil spelen, verzet zich tegen dit verzoek en vraagt om een wijziging van de zorgregeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders sinds de echtscheiding in 2022 moeizaam communiceren en dat de vader lange tijd niet betrokken is geweest bij de opvoeding van het kind. De rechtbank oordeelt dat, hoewel de verstandhouding tussen de ouders verstoord is, er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. De vader heeft inmiddels een stabieler leven en de moeder staat open voor contactherstel. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag af, maar stelt een opbouwende zorgregeling vast die rekening houdt met de afstand tussen de ouders en de behoeften van het kind, dat autisme heeft. De zorgregeling wordt gefaseerd opgebouwd, met als doel het welzijn van het kind voorop te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gezag en omgang
zaak-/rekestnr.: C/15/356512 / FA RK 24-4514
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 18 december 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. van der Himst, kantoorhoudende te Den Helder,
tegen
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. W.R. Arema, kantoorhoudende te Rotterdam,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de moeder ingekomen op 3 september 2024;
- het verweer van de vader ingekomen op 19 november 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2025 in aanwezigheid van partijen, de moeder bijgestaan door mr. M. van der Himst en ondersteund door een tolk en de vader bijgestaan door mr. W.R. Arema.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 4 augustus 2022.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
Het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] is na de echtscheiding in stand gebleven. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek van de moeder strekt tot wijziging van het gezag over [de minderjarige] , in die zin dat voortaan het gezag over [de minderjarige] alleen aan haar toekomt.
3.2.
De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat het niet langer in het belang van [de minderjarige] is dat het gezamenlijk gezag blijft voortduren. De ouders zijn in het ouderschapsplan een omgangsregeling overeengekomen, maar korte tijd later is de vader vanuit [plaats] naar [plaats] verhuisd. Sindsdien heeft er enige tijd in zeer beperkte mate omgang plaatsgevonden. Op 28 januari 2023 heeft de vader [de minderjarige] bij de moeder thuis opgehaald. Na ongeveer anderhalf uur heeft de vader [de minderjarige] weer naar huis gebracht. [de minderjarige] was overstuur. De dag daarna zag de moeder dat [de minderjarige] een bijtplek op zijn linkerbeen had. De moeder heeft op 4 februari 2023 aangifte jegens de vader gedaan van mishandeling van [de minderjarige] . In verband hiermee heeft de moeder via haar advocaat schriftelijk aan de vader kenbaar gemaakt de omgang, met het oog op de veiligheid van [de minderjarige] , voorlopig op te schorten. De moeder heeft hierna nog wel foto’s van [de minderjarige] aan de vader toegezonden, hij heeft daar niet op gereageerd. De vader heeft hierna ook niet meer aangedrongen op het hervatten van de omgang. Er vindt al vanaf februari 2023, geen omgang meer plaats.
De vader speelt geen enkele rol van betekenis meer in het leven van [de minderjarige] . De moeder acht het laten voortduren van het gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] . Er dient dan op regelmatige basis sprake te zijn van een constructief overleg over [de minderjarige] en daarvan is volgens de moeder al lange tijd geen sprake meer. De moeder is wel bereid de vader in het vervolg van informatie over [de minderjarige] te voorzien, indien dit wenselijk mocht worden geacht.
3.3.
Door en namens de moeder is op de zitting naar voren gebracht dat de moeder openstaat voor contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] . De moeder vindt de zorgregeling zoals voorgesteld door de vader echter niet realistisch. Zij begrijpt dat de vader omgang wil met [de minderjarige] , maar gelet op de lange periode waarin er geen omgang heeft plaatsgevonden, is het niet reëel om direct naar een heel weekend te gaan. [de minderjarige] zal bovendien moeten wennen aan de situatie, zeker gelet op zijn autisme. De moeder acht hulpverlening noodzakelijk om te kunnen komen tot een situatie die het meest in het belang van [de minderjarige] is.

4.Verweer

4.1.
De vader heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. De vader verzoekt de rechtbank het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag af te wijzen. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, naar de rechtbank begrijpt, een wijziging van de zorgregeling zoals deze door partijen in het ouderschapsplan, aangehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 4 augustus 2022, is overeengekomen. De vader verzoekt de zorgregeling als volgt te wijzigen:
- tussen de vader en [de minderjarige] zal één keer per maand (het laatste weekend) van vrijdagmiddag tot zondagmiddag omgang plaatsvinden, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt bij de moeder/school en de moeder [de minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt.
4.2.
De vader wil graag betrokken zijn bij [de minderjarige] . Dit was in de afgelopen jaren moeilijk voor hem. Zo kon de vader niet in [plaats] wonen omdat er geen woning beschikbaar was voor hem en de moeder hem niet toestond om met [de minderjarige] op pad te gaan. De vader heeft [de minderjarige] voor het laatst in mei 2025 kort gezien in [plaats] . De vader merkt op dat de moeder niet voldoet aan haar verplichting om de andere ouder (dus de vader) te informeren over hun minderjarige kind. De verhuizing naar [plaats] is ook niet met de vader overlegd. De vader wordt ook niet meegenomen in de zorgen die er zijn over [de minderjarige] . De vader benadrukt dat hij wel interesse heeft in [de minderjarige] en dat hij graag onderdeel wil zijn van zijn leven.
De moeder refereert naar een bijt-incident eind januari 2023, maar met de aangifte en door Veilig Thuis is vervolgens niets gedaan. Gezamenlijk ouderlijk gezag is het uitgangspunt van de wet. Het feit dat partijen de afgelopen jaren minimaal hebben gecommuniceerd, waarin beide ouders een aandeel hebben, geeft volgens de vader geen reden om het gezamenlijk ouderlijk gezag te beëindigen. De vader meent dat niet is voldaan aan het ’klem of verloren-criterium’. De vader wil graag in overleg te treden met de moeder over [de minderjarige] en de moeder waar mogelijk ondersteunen in zijn opvoeding.
Het is de vader er niet om te doen om de moeder in de weg te zitten en geen toestemming te geven bij gezagsbeslissingen. De vader is dan ook van mening dat het ook niet anderszins in het belang is van [de minderjarige] om alleen de moeder te belasten met het ouderlijk gezag.
4.3.
De uitvoering van de in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling is logistiek niet meer mogelijk nu de moeder en [de minderjarige] in [plaats] wonen en de vader in [plaats] woont.
De vader werkt in de binnenvaart. Vanwege zijn werkrooster wil de vader graag ieder laatste weekend van de maand van vrijdagmiddag tot zondagmiddag voor [de minderjarige] zorgen. De vader wil graag [de minderjarige] weer zien en [de minderjarige] heeft ook recht op contact met zijn vader.
4.4.
Op de zitting is door en namens de vader naar voren gebracht dat de vader uit een moeilijke situatie komt maar dat het op dit moment beter met hem gaat. Hij heeft nu weer ruimte in zijn hoofd om een rol te spelen in het leven van [de minderjarige] en wil dit graag. De vader begrijpt dat er stapjes gezet moeten worden in de omgang en dat het tempo van [de minderjarige] hierin leidinggevend zal zijn.

5.De beoordeling

gezag
5.1.
Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, ook na verbreking van hun relatie. Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2.
Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW. De moeder kan dan ook ontvangen worden in haar verzoek.
5.3.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarigen niet klem of verloren raken tussen de ouders.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet, althans onvoldoende, gebleken dat is voldaan aan (één van) de gronden voor eenhoofdig gezag. Duidelijk is dat de verstandhouding tussen de ouders is verstoord en dat zij moeizaam met elkaar communiceren, maar er zijn geen aanwijzingen van zodanige zorgen rondom [de minderjarige] dat hij klem of verloren zal raken bij voortduring van het gezamenlijk gezag. Ook anderszins lijkt het naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vader heeft een moeilijke periode achter de rug waarbij hij tijdelijk dakloos is geweest. Inmiddels heeft de vader een baan in de binnenvaart, een nieuwe relatie en een kind van anderhalf jaar uit deze relatie. De vader lijkt een stabieler leven te leiden en bereikbaar te zijn voor [de minderjarige] en de moeder. De vader heeft bovendien te kennen gegeven graag weer een rol in het leven van [de minderjarige] te willen spelen, hij lijkt hiertoe ook in staat. Daarnaast is er sinds kort weer contact tussen de ouders. De moeder staat open voor contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] . Zij ziet ook graag dat de vader een grotere rol in het leven van [de minderjarige] inneemt. Bij deze ontwikkelingen past naar het oordeel van de rechtbank geen beëindiging van het gezag van de vader. De wijze van communiceren tussen de ouders behoeft sterke verbetering, maar dit is geen reden om het gezag nu te beëindigen. De vader verdient een kans om te laten zien dat hij is veranderd en ertoe in staat is om gezamenlijk met de moeder invulling te geven aan goed ouderschap.
omgang
5.6.
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, BW in samenhang met artikel 1:377e BW, voor zover hier van belang, kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing over de zorgregeling onder meer wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
5.7.
De rechtbank stalt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:377e BW. De zorgregeling is lange tijd niet nageleefd, partijen wonen inmiddels ver uit elkaar en de mogelijkheden voor de vader om voor [de minderjarige] te zorgen worden beïnvloed door zijn werk in de binnenvaart.
5.8.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Het is in beginsel in het belang van het kind om contact te hebben met beide ouders, tenzij sprake is van zwaarwegende omstandigheden die maken dat omgang niet in het belang van het kind moet worden geacht. Het is de kinderrechter gebleken dat de vader langere tijd maar beperkt betrokken is geweest in het leven van [de minderjarige] . Door persoonlijke omstandigheden is het hem niet gelukt om voldoende beschikbaar te zijn voor [de minderjarige] en de moeder.
De rechtbank begrijpt dat het voor de moeder belastend is geweest dat de zorg en opvoeding van [de minderjarige] , bij wie autisme is vastgesteld, in overwegende mate op haar schouders heeft gerust. Het zal voor de moeder tijd kosten om opnieuw vertrouwen te krijgen in de vader wat betreft zijn betrokkenheid in de opvoeding van [de minderjarige] . Positief is dat de moeder welwillend staat tegenover contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] . Gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders en het feit dat de vader vanwege zijn werk vaak langere tijd van huis is, acht de rechtbank de door de vader verzochte zorgregeling passend. De rechtbank merkt hierbij wel op dat er al gedurende lange tijd geen omgang heeft plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de vader. Daarnaast is er bij [de minderjarige] een autismespectrumstoornis vastgesteld. Deze diagnose brengt mee dat [de minderjarige] meer dan gemiddeld behoefte heeft aan voorspelbaarheid en structuur. [de minderjarige] heeft meer tijd nodig om zich aan nieuwe situaties, personen en omgevingen aan te passen. De rechtbank acht het om deze reden noodzakelijk dat de zorgregeling in een voor [de minderjarige] passend tempo wordt opgebouwd, zoals is vermeld onder 6.1.
5.9.
De rechtbank acht het essentieel dat de ouders zich de komende periode gaan wenden tot het wijkteam van de gemeente [gemeente] om ondersteuning te krijgen bij het vormgeven en evalueren van de omgang
.De moeder heeft op de zitting toegezegd zich te zullen melden bij het wijkteam. De rechtbank vertrouwt erop dat zij dit ook zal doen.
5.10.
Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het belang van [de minderjarige] voorop moet staan en dat in de gaten gehouden moet worden door de hulpverlening of de opbouw niet te belastend is voor [de minderjarige] . Het is aan de betrokken hulpverlening om te bepalen en te evalueren of het belang van [de minderjarige] daadwerkelijk het meest bij deze opbouw is gebaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
stelt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 4 augustus 2022 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:
de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , verblijft bij de vader:
  • twee maanden lang twee vrijdagen achter elkaar een middag, gedurende ten minste twee uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en hem weer naar de moeder terugbrengt;
  • na deze twee maanden twee weekenden achter elkaar van vrijdagmiddag tot zaterdag 16:00 uur bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder of school ophaalt en de moeder [de minderjarige] na de omgang bij de vader ophaalt;
  • daarna één keer per maand (het laatste weekend) van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16:00 uur, waarbij de vader de minderjarige ophaalt bij de moeder of school en de moeder [de minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt.
Deze (opbouwende) zorgregeling zal gelden, tenzij de betrokken hulpverlening een andere opbouw in het belang van [de minderjarige] acht;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Verhoeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.