ECLI:NL:RBNHO:2025:14864

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
14/010278-97
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van terbeschikkingstelling van een 74-jarige man met ernstige persoonlijkheidsstoornis en recidivegevaar

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 16 december 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) van een 74-jarige man, die sinds 1998 onder TBS staat wegens doodslag. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie om de TBS met twee jaar te verlengen toegewezen. De betrokkene verblijft momenteel in het Forensisch Psychiatrisch Centrum Pompestichting en heeft een complexe psychiatrische geschiedenis, waaronder ernstige persoonlijkheidsstoornissen en middelenafhankelijkheid. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen geschikte vervolgplek voor de betrokkene is gevonden, ondanks pogingen van de kliniek en het ministerie van Justitie en Veiligheid. De kliniek heeft geadviseerd om de TBS te verlengen, omdat de betrokkene niet in staat is om zelfstandig te functioneren in de maatschappij, wat het risico op recidive vergroot. De rechtbank heeft ook de impasse in het behandeltraject erkend en benadrukt dat de zoektocht naar een betere plek moet worden voortgezet. De beslissing om de TBS met twee jaar te verlengen is genomen om de veiligheid van anderen te waarborgen, gezien het recidivegevaar dat de betrokkene met zich meebrengt. De rechtbank heeft ook de mogelijkheid van een zorgconferentie genoemd, maar op dit moment zijn de voorwaarden daarvoor nog niet vervuld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige kamer
Parketnummer: 14/010278-97
Uitspraakdatum: 16 december 2025
Beslissing ex artikel 6:6:10, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling van
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
nu verblijvende in het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Pompestichting te Zeeland,
hierna: de betrokkene,
met twee jaar.

1.De procedure

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 september 1998 is aan de betrokkene de
maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, wegens, zakelijk weergegeven, doodslag.
De termijn van de TBS nam een aanvang op 17 december 2000.
De termijn is laatstelijk verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 21 februari 2024 met twee jaar, welke beslissing in beroep door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 oktober 2024 is bevestigd.
De onderhavige vordering is op 6 november 2025 bij de rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken, waaronder:
  • adviezen als bedoeld in artikel 6:6:12, eerste lid, aanhef en onder a Sv, te weten een verlengingsadvies gedateerd 18 april 2025, afkomstig van FPC Pompestichting LFPZ Zeeland (hierna: de kliniek) en ondertekend door [naam 1], plaatsvervangend hoofd van de inrichting, en een aanvulling op het advies gedateerd 25 september 2025, ondertekend door [naam 2], plaatsvervangend hoofd van de inrichting/directeur Algemene Zaken;
  • een afschrift van de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene als bedoeld in artikel 6:6:12, eerste lid, aanhef en onder b Sv;
  • adviezen van twee onafhankelijke gedragsdeskundigen, te weten een advies gedateerd 28 juli 2025, opgemaakt door J.L.M. Dinjens, psychiater, en een advies gedateerd 6 augustus 2025, opgemaakt door P.K. Kristensen, psycholoog, welke adviezen zien op de wenselijkheid van de verlenging van de LFPZ-status.
Op 2 december 2025 is de vordering op een openbare terechtzitting behandeld. De betrokkene en de deskundige van de kliniek, te weten G.G.E. Giesbers, zijn via een videoverbinding gehoord. Verder waren aanwezig de officier van justitie en de raadsman van de betrokkene mr. A.R. Ytsma, advocaat te Amsterdam.
Van deze zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

2.Het advies van de kliniek

In het advies van de kliniek staat, onder meer, het volgende:
Betrokkene is een 74-jarige man met een ernstige persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken en psychopathie. Daarnaast is er sprake van afhankelijkheid van middelen, welke in een gecontroleerde setting in remissie is. Verder is er sprake van een psychotische kwetsbaarheid blijkend uit het verleden en een recidiverende depressieve stoornis. In 1982 is betrokkene voor het eerst veroordeeld tot TBR wegens doodslag. Deze maatregel werd in 1989 beëindigd. In 1998 is betrokkene voor de tweede keer veroordeeld wegens doodslag en werd de huidige TBS opgelegd. Dit indexdelict wordt door betrokkene nog altijd ontkend. Daar verschillende behandelpogingen vruchteloos zijn gebleken is in 2006 uiteindelijk overgegaan tot de aanvraag van een LFPZ-status (Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg). Sinds januari 2010 verblijft betrokkene binnen de LFPZ van de Pompestichting.
In 2021 heeft het Ministerie besloten de LFPZ-status op te heffen zodra betrokkene in de destijds beoogde vervolgvoorziening opgenomen zou worden, Reso 4 (locatie in Nijmegen). Echter betrokkene is daar nimmer geplaatst, omdat Reso 4 is opgeheven. Sindsdien wordt gezocht naar een andere verblijfsplek voor betrokkene en dit blijkt een ingewikkeld proces. Longcare-voorzieningen en verschillende klinieken zijn benaderd, maar wijzen betrokkene af. De problematiek wordt als te fors gezien voor hetgeen aan ondersteuning mogelijk is, waarnaast het gebrek aan behandelperspectief en veranderbaarheid contra-indicaties zijn voor opname.
Nadat betrokkene in het afgelopen jaar intern naar een andere afdeling is overgeplaatst, lijkt hij wel beter op zijn plek te zitten. Medebewoners laten hem meer met rust, hij ervaart minder betutteling en meer autonomie. Dit komt de samenwerking met personeel ten goede. Er blijft een patroon bestaan van periodes van inactiviteit, wens voor sederende medicatie, meer lichamelijke klachten en veel verblijf op kamer, afgewisseld met periodes waarin hij zich meer actief toont en meer bereidwillig is tot het aangaan van afspraken met zijn persoonlijk begeleiders. De inschatting is dat betrokkene nog langdurig afhankelijk zal zijn van een begeleidend en gereguleerd kader. Kijkend naar de pathologie en de ontoereikende vaardigheden, kan het risicomanagement uitsluitend extern vormgegeven worden. Het TBS-kader wordt dan ook nog steeds noodzakelijk geacht. Er dient sprake te zijn van een forensische omgeving die toezicht houdt, de bejegening afstemt op de persoonlijkheidsproblematiek en begrenst en structureert waar nodig zodat het recidiverisico laag blijft. Op dit moment is de LFPZ daarvoor de best passende plek, maar er blijft onderzocht worden of er een andere plek buiten de LFPZ passend is. De kliniek is nu in overleg met het ministerie en de advocaat over hoe verder te gaan. Daarnaast is besloten de hertoetsingsprocedure opnieuw op te starten, zodat betrokkene opnieuw formeel bij de LAP-commissie getoetst wordt. Gezien de status van het zoeken van een vervolgvoorziening en het te verwachten traject waarbij, mits een voorziening gevonden wordt, er tijd nodig is om het risicomanagement te kunnen overdragen en bestendigen, is het onwaarschijnlijk dat over een jaar overgegaan kan worden tot een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.
De kliniek adviseert dan ook om de TBS-maatregel te verlengen met twee jaar.
Toelichting van de deskundige ter terechtzittingDe deskundige G.G.E. Giesbers heeft bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting, namens de kliniek, dit advies gehandhaafd en nader toegelicht. Zij heeft aangegeven dat er nog steeds geen passende vervolgplek is gevonden, ondanks pogingen daartoe. Aanvragen bij verschillende instellingen hebben niet tot een acceptatie geleid. Omdat de zoektocht naar een geschikte plek met beveiligingsniveau 3 zo moeilijk is gebleken, is zelfs onderzocht of de betrokkene zou kunnen worden geplaatst naar een instelling met beveiligingsniveau 2. Een dergelijke plaatsing wordt evenwel niet verantwoord geacht gelet op de risico’s. Instellingen met beveiligingsniveau 2 beschikken niet over de fysieke mogelijkheid om bewoners tijdelijk in te sluiten en dat is bij de betrokkene wel nodig. De afwijzingen hebben de hypothese van de kliniek bevestigd dat beveiligingsniveau 3 noodzakelijk is. Om die reden wordt het ook niet zinvol geacht om nog andere instellingen met beveiligingsniveau 2 te benaderen. De door de betrokkene gewenste vrijheden zijn binnen de huidige kaders niet mogelijk. Het maken van individuele uitzonderingen hierop is vrijwel niet mogelijk. Tegelijkertijd maakt de betrokkene niet optimaal gebruik van de faciliteiten en mogelijkheden die hem nu geboden worden. De stand van zaken is dat er op dit moment geen concrete nieuwe stappen te zetten zijn.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de termijn van de TBS met bevel tot verpleging van overheidswege met twee jaar.

4.Het standpunt van de betrokkene

De betrokkene heeft verzocht de verlenging van de termijn van de TBS te beperken tot één jaar. Namens de betrokkene heeft de raadsman in het bijzonder naar voren gebracht dat er meer inspanningen geleverd moeten worden om uit de ontstane impasse met betrekking tot een passende verblijfsplek te komen. De raadsman heeft verscheidene concrete suggesties benoemd, waaronder het aanvragen van een zorgconferentie. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in haar overweging op te nemen dat een zorgconferentie, gelet op de huidige situatie, noodzakelijk wordt geacht. Bij deze stand van zaken moet de TBS worden verlengd met één jaar.

5.De beoordeling

De rechtbank is, gelet op de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen een verlenging van de termijn van de TBS van de betrokkene vereist.
Indexdelict
De TBS is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en is daarom niet aan een maximumduur gebonden.
Recidivegevaar
De rechtbank acht redengevend voor de verlenging van de TBS dat uit het advies van de kliniek volgt dat de betrokkene niet in staat is om zich zelfstandig staande te houden in de maatschappij wat gepaard zal gaan met frustratie en onmacht. Hij zal in conflict raken met zijn omgeving, gekrenkt raken en terugvallen op inadequate coping strategieën zoals middelengebruik, dreigend of fysiek acting-out gedrag. De kans is dan ook groot dat hij terugvalt in gewelddadig delictgedrag. Ook in geval van voorwaardelijke beëindiging van de TBS wordt het risico op recidive als hoog ingeschat. De verwachting is dat het risico op delicten nog immer aanwezig is en zal toenemen naarmate de vrijheden toenemen. Aan het gevaarscriterium is daarom voldaan.
Verlenging met één of twee jaren?
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden met welke termijn de TBS moet worden verlengd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat volgens vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de TBS in beginsel wordt verlengd met twee jaren, tenzij te verwachten is dat binnen één jaar gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de TBS rechtvaardigen. Van dit uitgangspunt kan echter onder omstandigheden worden afgeweken.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het ministerie van Justitie en Veiligheid in 2021 heeft beslist de LFPZ-status van de betrokkene op te heffen zodra hij in de destijds beoogde vervolgvoorziening, afdeling Reso 4 te Nijmegen, opgenomen zou worden. Deze afdeling werd echter opgeheven voordat de betrokkene daar geplaatst kon worden. Sindsdien is het vinden van een andere passende verblijfsplek een moeilijk, zo niet onmogelijk, proces gebleken. Passend voor de betrokkene is een afdeling met beveiligingsniveau 3 waar hij verblijfszorg kan ontvangen zonder nog in behandeling te zijn. Een dergelijke afdeling bestaat op dit moment niet. De kliniek heeft daarom ook andere mogelijkheden verkend en – hoewel beveiligingsniveau 3 verantwoord wordt geacht – getoetst of de betrokkene wellicht zou kunnen worden geplaatst in een voorziening met beveiligingsniveau 2. Instellingen met beveiligingsniveau 2 hebben evenwel bevestigd dat een verblijf aldaar, waar het fysiek onmogelijk is om bewoners in te sluiten, de risico’s op geweld onvoldoende inperkt. Binnen de huidige voorziening is het voorts niet mogelijk om maatwerk te leveren en het beveiligingsniveau voor de betrokkene (enigszins) te verlagen. Daardoor blijft hij gebonden aan het geldende (te) strenge regime van beveiligingsniveau 4. De kliniek heeft alle mogelijkheden voor een passende verblijfsplek verkend, maar dit heeft tot op heden nergens toe geleid. Dit maakt, zoals ook al benoemd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 3 oktober 2024, dat sprake is van een impasse in het behandeltraject van de betrokkene. Het is van belang dat de zoektocht naar een beter geschikte plek onverminderd wordt voortgezet.
In de aankomende periode zal, op initiatief van de raadsman, worden getracht om de bestaande impasse te doorbreken, door collegiale consultaties te (laten) organiseren, en – wanneer deze niet tot een oplossing leiden – een zorgconferentie te zullen aanvragen. Een zorgconferentie kan ingezet worden als er bijvoorbeeld sprake is van stagnatie in het doorplaatsingsproces, en kan soms ook als ‘breekijzer’ dienen. Kijkend naar het Uitvoeringskader Zorgconferenties Tbs-dwang van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DIZ) van 1 september 2025, stelt de rechtbank vast dat één van de voorwaarden voor het organiseren van een zorgconferentie is dat bij voorkeur eerst andere vormen van overleg zijn doorlopen. Ook wordt een dergelijke aanvraag in beginsel afgewezen indien er nog procedures lopen, zoals een LFPZ-aanvraag. Op dit moment lijkt dan ook (nog) niet aan de voorwaarden voor een zorgconferentie te zijn voldaan. De rechtbank begrijpt evenwel, gelet op de voortdurende impasse en de doelstelling van een zorgconferentie, zeker het belang van het organiseren daarvan indien en zodra aan de voorwaarden is voldaan.
Gelet op het voorgaande is het onwaarschijnlijk dat over een jaar overgegaan kan worden tot een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Aannemelijk is dat het traject meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de TBS met een termijn van een jaar, en dan geldt als uitgangspunt dat de TBS moet worden verlengd met twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en zal de termijn van de TBS verlengen met twee jaar.
De rechtbank benadrukt tot slot dat van belang is dat de kliniek oog blijft houden voor een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven, mede gelet op de duur van de huidige TBS (bijna 25 jaar).

6.De beslissing

De rechtbank:
Wijst de vordering van de officier van justitie toe en
verlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege van
[betrokkene]met
twee jaar.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.F. van Halderen, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Bleijendaal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.