ECLI:NL:RBNHO:2025:14905

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11933589 \ VV EXPL 25-93
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming van huurwoning wegens overlast en huurachterstand

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting Parteon en een gedaagde partij die niet is verschenen. Parteon vordert de ontruiming van de woning van de gedaagde, gelegen aan [adres] te [plaats], vanwege aanhoudende overlast en een huurachterstand van zes maanden. De gedaagde huurt sinds 6 mei 2010 de woning en heeft in de afgelopen jaren herhaaldelijk overlast veroorzaakt, waaronder schreeuwen, bedreigen en vernielingen. Ondanks meerdere uitnodigingen voor gesprekken en waarschuwingen van Parteon, heeft de gedaagde geen gehoor gegeven aan de verzoeken om zijn gedrag te verbeteren. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedaagde de overlast en huurachterstand niet betwist, aangezien hij niet op de zitting is verschenen. Gezien de ernst van de situatie en het belang van Parteon om andere huurders en omwonenden te beschermen, heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering tot ontruiming en betaling van de huurachterstand gerechtvaardigd is. De kantonrechter heeft de gedaagde veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van de huurachterstand van € 4.203,00, evenals de proceskosten van in totaal € 1.337,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11933589 \ VV EXPL 25-93 (SJ)
Vonnis in kort geding van 21 november 2025
in de zaak van
STICHTING PARTEON,
te Wormerveer,
eisende partij,
hierna te noemen: Parteon,
gemachtigde: mr. M. van den Oord,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 14 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt met ingang van 6 mei 2010 van Parteon de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
In een brief van 4 januari 2018 heeft Parteon [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek op 11 januari 2018 in verband met een melding van overlast.
2.3.
In een e-mail van 2 december 2019 heeft [gedaagde] aan Parteon geschreven dat hij naar aanleiding van een ander overlastgesprek zelf melding wil maken van overlast.
2.4.
In een brief van 12 februari 2020 heeft Parteon aan [gedaagde] geschreven dat zij naar aanleiding van zijn overlastmelding een ruilwoning hebben gevonden en dat [gedaagde] hiervoor contact kan opnemen met de bewoner van die woning.
2.5.
In een brief van 18 februari 2020 heeft Parteon naar aanleiding van zijn overlastmelding aan [gedaagde] geschreven dat Parteon contact met [gedaagde] zal opnemen als er via woningruil een geschikte woning is.
2.6.
In een brief van 18 juli 2022 heeft Parteon [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek om te spreken over zijn gedrag in het complex.
2.7.
In een brieven van 21 september en 3 oktober 2022 heeft Parteon [gedaagde] nogmaals uitgenodigd voor een gesprek omdat hij niet op de vorige uitnodiging is verschenen.
2.8.
Op 19 september 2023 heeft Parteon van omwonenden een melding van overlast door [gedaagde] ontvangen.
2.9.
Op 12 en 20 augustus 2024 heeft Parteon van omwonenden nog drie nieuwe meldingen van overlast door [gedaagde] ontvangen.
2.10.
In een brief van 8 november 2024 heeft Parteon nogmaals [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek. [gedaagde] is niet verschenen.
2.11.
Op 2 september 2024, 30 oktober 2024 en 23 januari 2025 heeft Parteon logboeken en op 24 april 2025, 6 mei 2025, 16 mei 2025 meldingen van diverse omwonenden ontvangen waaruit volgt dat zij zeer regelmatig overlast van [gedaagde] ervaren.
2.12.
Op 17 juni 2025 heeft op het kantoor van Parteon een gesprek tussen partijen plaatsgevonden.
2.13.
Op 9 september 2025 heeft [gedaagde] het bellenbord in de centrale hal van het complex kapot getrapt.
2.14.
In een brief van 5 september 2025 heeft Parteon [gedaagde] nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op kantoor om een gedragsaanwijzing te tekenen, maar [gedaagde] is niet verschenen.
2.15.
In reactie op deze uitnodiging heeft [gedaagde] op 15 september 2025 met Parteon gebeld en in dat gesprek de medewerker van Parteon uitgemaakt voor ‘kankerhoer’.

3.Het geschil

3.1.
Parteon vordert samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats] . Daarnaast vordert De Woonschakel betaling door [gedaagde] van een bedrag van
€ 4.203,00 ter zake een huurachterstand, een bedrag van € 811,48 per maand vanaf 1 augustus 2025, de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Parteon legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] al geruime tijd overlast voor omwonenden veroorzaakt. Het gaat om overlast van schreeuwen, bedreigen, hard praten, agressief gedrag ten opzichte van omwonenden en vernielingen. De politie is regelmatig ter plaatse geweest. Parteon stelt dat zij [gedaagde] heeft gewaarschuwd, gesprekken met hem heeft gevoerd en hem meerdere keren op kantoor heeft uitgenodigd. Ook het aanbieden van een gedragswijziging heeft geen wijziging in de overlastsituatie gebracht omdat [gedaagde] deze weigert te ondertekenen. De overlast wordt erger. Zo heeft [gedaagde] op 9 september 2025 een bellenbord in de hal bewust kapot getrapt en een medewerker van Parteon uitgescholden. Daarnaast heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan, die thans onbetwist zes maanden bedraagt. [gedaagde] is vanaf april 2025 gestopt met het betalen van de huur. Voor Parteon is de maat vol en de relatie tussen [gedaagde] en de omwonenden is duurzaam verstoord. Om de veiligheid van de naaste omwonenden van [gedaagde] te kunnen garanderen, ziet Parteon geen andere uitweg dan de ontruiming van de woning te vorderen, vooruitlopend op de ontbinding van de huurovereenkomst.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] is ondanks dat de dagvaarding op de juiste wijze is betekend, niet op de zitting verschenen. Tegen hem is daarom verstek verleend.
4.2.
Uit het niet verschijnen ter zitting kan de kantonrechter op grond van artikel 88, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de gevolgtrekkingen maken die zij geraden acht.
4.3.
De kantonrechter leidt uit het niet verschijnen door [gedaagde] af dat hij de door Parteon gestelde overlast, de vernieling van het bellenbord in het complex en het uitschelden van een medewerker van Parteon niet betwist. Verder leidt de kantonrechter uit het niet verschijnen door [gedaagde] af dat hij ook niet betwist dat hij, ondanks waarschuwingen, ernstige overlast blijft veroorzaken en dat dit ernstige tekortkomingen zijn in de nakoming van de huurovereenkomst. Vast staat dat Parteon ook aan andere huurders woongenot moet aanbieden en moet voorkomen dat die huurders en andere omwonenden overlast van, in dit geval [gedaagde] , hebben. Dit alles maakt dat het belang van Parteon bij ontbinding van de huurovereenkomst voorshands zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij het in stand houden daarvan.
4.4.
Parteon heeft er gelet op de ernst en het voortduren van de overlast spoedeisend belang bij dat, daarop vooruitlopend, het gehuurde wordt ontruimd en dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
4.5.
De gevorderde huurachterstand en de gevorderde gebruiksvergoeding zullen ook worden toegewezen. Deze zijn evenmin betwist. Uit de toelichting in de dagvaarding, bezien in samenhang met de specificatie van de huurachterstand in productie 24, maakt de kantonrechter op dat de gevorderde huurachterstand van € 4.203,00 de periode tot en met oktober 2025 betreft. Deze is verder opgelopen met de maand november 2025, zo is ter zitting gebleken.
4.6.
Ook overigens acht de kantonrechter de vorderingen van Parteon naar hun aard spoedeisend en niet onrechtmatig of ongegrond. Het is daarom in hoge mate waarschijnlijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst wordt ontbonden.
4.7.
De conclusie is dat de kantonrechter de vorderingen zal toewijzen als hieronder vermeld.
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Parteon worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.337,45
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Parteon zijn, en de sleutels af te geven aan Parteon,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Parteon:
a. a) € 4.203,00 aan achterstallige huur tot en met oktober 2025;
b) de toekomstige huurpenningen vanaf 1 november 2025 en zolang als het gebruik van de woning door [gedaagde] wordt voortgezet,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.337,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.