ECLI:NL:RBNHO:2025:14925

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/15/360598 / HA ZA 25-6
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • C. Sijm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:78 BWArt. 843a Rv (oud)Art. 6:119 BWArt. 4 Verordening (EU) nr. 650/2012Art. 21 Verordening (EU) nr. 650/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing informatieverzoeken inzake legitieme portie en legaat in erfrechtelijke nalatenschap

Op 21 december 2023 overleed de vader van eiser en gedaagde, waarbij gedaagde de enige erfgenaam is en eiser onterfd, doch een legaat heeft ontvangen. Eiser vordert inzage in aanvullende taxatierapporten en bewijsstukken om de omvang van haar legitieme portie en legaat vast te stellen.

Gedaagde verstrekte reeds een boedelbeschrijving en later bankafschriften en een taxateurstoelichting. Eiser betoogde dat de stukken onvolledig waren en verzocht om meer informatie, wat werd geweigerd. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd welke documenten ontbreken en dat gedaagde niet gehouden is tot verstrekking van niet-bestaande stukken.

De aanvullende informatieverzoeken tijdens de mondelinge behandeling worden niet in behandeling genomen omdat ze niet in de vordering zijn opgenomen. De proceskosten worden deels toegewezen aan gedaagde wegens onnodige procedurekosten veroorzaakt door eiser. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Vorderingen tot aanvullende informatieverstrekking worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/360598 / HA ZA 25-6
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1], Zwitserland,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A.C. de Bakker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025
- de akte eiswijziging van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 10 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 21 december 2023 is de vader van [eiser] en [gedaagde], [erflater] (hierna: erflater), overleden. [gedaagde] is de enig erfgename van erflater. [eiser] is onterfd. Erflater heeft ten behoeve van [eiser] een legaat opgenomen in zijn testament:

Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten ten laste van mijn erfgenaam, uit te keren binnen zes maanden na mijn overlijden zonder bijberekening van rente, aan mijn dochter [eiser], geboren op [geboortedatum] negentienhonderdvijfenzestig: een onverdeeld aandeel in mijn onroerende goederen in Roemenië (evenwel met uitdrukkelijke uitzondering van mijn villa [adres], Roemenië en het daarbij behorende perceel/terrein) ter grootte van een breukdeel dat wat de teller betreft correspondeert met haar legitieme portie als bedoeld in Afdeling 3 van Titel 4 Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek en wat de noemer betreft met de waarde van mijn vermogen ten tijde van mijn overlijden.
2.2.
[eiser] beroept zich op haar legitieme portie en het legaat.
2.3.
[gedaagde] heeft op 17 mei 2024 een boedelbeschrijving met onderliggende bescheiden verstrekt aan [eiser]. [eiser] heeft zich bij e-mail van 23 juli 2024 beroepen op de onvolledigheid van de boedelbeschrijving en de overige stukken, waardoor het volgens haar niet mogelijk was om de hoogte van de nalatenschap van erflater en dus ook het aan haar toekomende legaat vast te stellen. [eiser] heeft onder meer verzocht om inzage in alle bankafschriften van erflater van de laatste vijf jaar voor zijn overlijden en de taxatiewaarden van alle onroerende zaken van erflater op de datum van overlijden. [gedaagde] heeft bij brief van 7 augustus 2024 betwist dat [eiser] op grond van de toegezonden bescheiden niet in staat zou zijn om de legitimaire massa te berekenen.
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] op 23 december 2024 gedagvaard. [gedaagde] heeft de verzochte bankafschriften vervolgens op 1 maart 2025 verstrekt. [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord van 18 juni 2025 ook een toelichting van de taxateur op de waardebepaling van de onroerende zaken in Roemenië overgelegd.

3.Het geschil

3.1.
Na intrekking van een deel van de vorderingen tijdens de mondelinge behandeling vordert [eiser] – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het verstrekken van kopieën van taxatierapporten van het onroerend goed te Roemenië en alle bewijsstukken waaruit kan worden opgemaakt dat de schuld van de nalatenschap als gevolg van het vooroverlijden van mevrouw [erflaatster] een beloop heeft van € 74.522,28. [eiser] vordert ook dat de rechtbank haar machtigt om alle taxatierapporten die niet door [gedaagde] zijn verstrekt op te vragen. Tot slot vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij de taxatierapporten en de genoemde bewijsstukken nodig heeft voor de vaststelling van de hoogte van de legitieme portie en het legaat.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van [eiser] hebben betrekking op de erfopvolging. Omdat erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om over de vorderingen te oordelen en is Nederlands recht van toepassing. [1]
4.2.
[gedaagde] kan op grond van artikel 4:78 BW Pro en 843a Rv (oud) alleen worden veroordeeld tot het verstrekken van documenten waarover zij beschikt. [gedaagde] ontkent dat taxatierapporten zijn opgesteld die zij niet aan [eiser] heeft verstrekt. Gelet op deze ontkenning, lag het op de weg van [eiser] om te onderbouwen welke taxatierapporten niet zijn verstrekt. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De stelling dat er taxatierapporten zouden moeten zijn, volstaat niet. De vordering tot afgifte van taxatierapporten wordt daarom afgewezen.
4.3.
Omdat [eiser] niet heeft onderbouwd welke taxatierapporten niet zijn verstrekt, wordt ook de gevorderde machtiging om taxatierapporten op te vragen afgewezen. Voor toewijzing van deze vordering ontbreekt bovendien een rechtsgrond.
4.4.
Ook de vordering tot het verstrekken van alle bewijsstukken waaruit kan worden opgemaakt dat de schuld van de nalatenschap als gevolg van het vooroverlijden van mevrouw [erflaatster] een beloop heeft van € 74.522,28 wordt afgewezen. Volgens [gedaagde] zijn alle benodigde bewijsstukken verstrekt. [eiser] heeft vervolgens niet onderbouwd welke benodigde bewijsstukken niet zijn verstrekt en dus niet aan haar stelplicht voldaan.
4.5.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aanvullende informatieverzoeken gedaan. Omdat deze informatieverzoeken geen onderdeel uitmaken van de vordering, kan de rechtbank daarop niet beslissen. [2]
4.6.
In zaken als deze worden de proceskosten, gelet op de relatie tussen partijen, veelal tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Uit het voorgaande volgt echter dat [eiser] de met de mondelinge behandeling gepaard gaande proceskosten van [gedaagde] nodeloos heeft veroorzaakt. De proceskosten worden daarom gedeeltelijk gecompenseerd, in die zin dat [eiser] alleen € 614,00 aan salaris advocaat (1 punt voor de mondelinge behandeling) aan [gedaagde] hoeft te betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] tot een bedrag van € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sijm en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 4 en Pro 21 van Verordening (EU) nr. 650/2012 (de Europese Erfrechtverordening).
2.Artikel 23 Rv Pro.