ECLI:NL:RBNHO:2025:14987

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 855
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Douanerecht en kwalificatie van producten als limonade onder de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Noord-Holland op 2 december 2025, staat de kwalificatie van door eiseres ingevoerde producten als limonade centraal. Eiseres, een Limited gevestigd in [land], heeft bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling van verbruiksbelasting die door de inspecteur van de Douane zijn opgelegd. De rechtbank behandelt twee zaken, HAA 24/855 en HAA 24/856, waarbij de eerste betrekking heeft op een bedrag van €30.725,70 en de tweede op €69.753,87 aan verbruiksbelasting. Eiseres stelt dat de producten niet als limonade kunnen worden gekwalificeerd volgens artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). De rechtbank oordeelt dat de producten, die als voedingssupplementen zijn ingevoerd, voldoen aan de criteria voor limonade, omdat ze gezoet zijn, smaakstoffen bevatten en bestemd zijn om onverwarmd te worden gedronken. Eiseres heeft aangevoerd dat de inspecteur onvoldoende kennis heeft van de producten en dat er een schending van het verdedigingsbeginsel heeft plaatsgevonden, maar de rechtbank oordeelt dat de inspecteur voldoende informatie heeft verstrekt en dat eiseres niet heeft aangetoond dat haar recht op verdediging is geschonden. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af, met uitzondering van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op €500. De rechtbank legt de proceskosten op aan de Staat.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/855 en HAA 24/856

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 2 december 2025 in de zaken tussen

[eiseres] Limited, gevestigd te [vestigingsplaats] ( [land] ), eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma),
en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Inleiding

Dit beroep gaat over de vraag of de door eiseres ingevoerde producten kwalificeren als limonade in de zin van artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (hierna: WVAD).

Procesverloop

Op 22 juli 2023 heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ter hoogte van € 30.725,70 aan verbruiksbelasting en € 1.783,25 aan rente op achterstallen (hierna: utb 1) en een utb ter hoogte van € 69.753,87 aan verbruiksbelasting en € 4.166,88 aan rente op achterstallen (hierna: utb 2).
Eiseres heeft daartegen bezwaar ingediend.
Verweerder heeft met dagtekening 19 januari 2024 in elke zaak uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin zijn de bezwaren ongegrond verklaard en utb 1 en utb 2 gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen utb 1 in behandeling genomen onder kenmerk HAA 24/855 en het beroep tegen utb 2 onder kenmerk HAA 24/856.
Verweerder heeft met betrekking tot beide zaken één verweerschrift ingediend.
Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025.
Namens eiseres zijn verschenen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door mr. B.J.B. Boersma, mr. [naam 5] en [naam 6] BBA.
Namens verweerder zijn verschenen: mr. [naam 7] en MSc [naam 8] .

Feiten

1. In de periode van 8 maart 2021 tot en met 14 april 2022 dient [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) als direct vertegenwoordiger via het geautomatiseerde aangiftesysteem in naam en voor rekening van eiseres 100 aangiften in voor het plaatsen onder de regeling “in het vrije verkeer brengen” van producten die in de aangiften worden omschreven als voedingssupplementen voor spiergroei dan wel als voedingspreparaten (hierna ook: de producten). In de aangiften is niet de nationale aanvullende goederencode voor de verbruiksbelasting vermeld.
2. Verweerder legt telkens utb’s op conform de gegevens in de aangiften. In die utb’s zijn geen bedragen aan verbruiksbelasting begrepen.
3. Bij e-mail van 17 augustus 2022 met bijlagen kondigt verweerder bij [bedrijf] twee administratieve controles aan. De ene controle heeft betrekking op aangiften met een aanvaardingsdatum in de periode van 19 februari 2021 tot en met 19 oktober 2021 en de andere controle op aangiften met een aanvaardingsdatum gelegen in de periode van
21 oktober 2021 tot en met 14 april 2022. De controles zien op de juistheid van de vermelde goederencodes in de betreffende aangiften, meer specifiek of verbruiksbelasting is verschuldigd over de ingevoerde producten. Van deze controles zijn controlerapporten opgesteld, die eerst in conceptversie en vervolgens in definitieve versie aan eiseres zijn verstrekt.
4. Bij brieven van 16 januari 2023 kondigt verweerder aan dat hij voornemens is om twee utb’s op te leggen, een voor een bedrag van € 32.188 aan verbruiksbelasting en een tweede voor een bedrag van € 70.741 aan verbruiksbelasting.
5. Na de reactie van eiseres op deze voornemens kondigt verweerder bij brieven van
4 april 2023 aan dat hij voornemens is om twee - lagere - utb’s op te leggen, een voor een bedrag van € 30.725 en een tweede voor een bedrag van € 69.753 aan verbruiksbelasting.
6. Met dagtekening 22 juli 2023 legt verweerder, overeenkomstig zijn onder overweging 5 opgenomen voornemens, utb 1 en utb 2 op aan eiseres zoals vermeld in het procesverloop.

Geschil

7. In deze zaken is tussen partijen in geschil of verweerder terecht utb 1 en utb 2 heeft opgelegd en rente op achterstallen in rekening heeft gebracht. Meer in het bijzonder is in geschil of de producten als limonade in de zin van artikel 9, eerste lid, van de WVAD dienen te worden aangemerkt.
In de zaak met nummer HAA 24/856 is verder in geschil of het recht op verdediging en/of het vertrouwensbeginsel zijn geschonden. Eiseres heeft ter zitting deze formele gronden in de zaak met nummer HAA 24/855 ingetrokken.
8.1
Eiseres stelt in beide zaken dat de producten niet kwalificeren als limonade en dat utb 1 en utb 2 daarom ten onrechte zijn opgelegd. Eiseres voert daartoe onder meer aan dat verweerder, op wie de bewijslast rust, onvoldoende kennis heeft van de relevante eigenschappen van de producten. Het feit dat verweerder enkel verwijst naar screenshots en labels is onvoldoende om te kunnen vaststellen of de producten kwalificeren als limonade. Er zijn verschillen tussen de producten en daarom is extrapolatie niet mogelijk. In sommige producten zit meer dan 0,02%mas soja-eiwit en geen wei. Uit diverse bronnen, zoals filmpjes op YouTube, blijkt dat de producten juist niet worden aangelengd met water om er een drank van te maken, maar worden toegepast in heel andere bereidingen in vaste vorm. Voor hetzelfde product, waarop een etiket is geplakt met de toepassing ‘aanlengen met melk’, wordt geen verbruiksbelasting in rekening gebracht.
Eiseres wijst op de uitspraak van deze rechtbank van 11 mei 2010 (ECLI:NL:RBHAA:2010:BM8061, hierna ook: de 2010-uitspraak) waarin is geoordeeld dat producten als de onderhavige niet kwalificeren als limonade. Deze uitspraak heeft formele rechtskracht en is niet achterhaald door latere uitspraken.
Voorts stelt eiseres dat over verbruiksbelasting geen rente op achterstallen kan worden berekend omdat hiervoor een wettelijke bepaling ontbreekt.
8.2
Eiseres stelt verder in de zaak met nummer HAA 24/856 dat het recht op verdediging is geschonden omdat verweerder in de voornemen- en bezwaarfase essentiële stukken niet heeft overgelegd ondanks herhaalde verzoeken. Ook in de beroepsfase zijn nog steeds niet alle stukken overgelegd. Eiseres stelt dat de primaire besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd en daarom een effectief verweer in de controle- en bezwaarfase niet mogelijk was.
Voorts stelt eiseres dat een in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat geen verbruiksbelasting zou worden geheven over de producten, gelet op de 2010-uitspraak en het feit dat verweerder nooit enige uitlating heeft gedaan waaruit volgt dat de kwalificatie moest plaatsvinden in afwijking van de 2010-uitspraak.
8.3
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de utb’s. Eiseres verzoekt voorts om vergoeding van de proceskosten en om vergoeding van immateriële schade.
9. Verweerder stelt dat de producten wel als limonade kwalificeren en dat de utb’s daarom terecht zijn opgelegd. Er is ook terecht rente op achterstallen in rekening gebracht. Het beroep op het verdedigingsbeginsel kan niet slagen omdat verweerder alle relevante stukken die nodig zijn voor de beslechting van het geschil, heeft ingebracht. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan evenmin slagen. Er is geen sprake van een nauwkeurige toezegging dat producten met een hoog eiwitgehalte niet zouden worden belast omdat ze niet bestemd zijn om de dorst te lessen. Als er wel sprake zou zijn van een nauwkeurige toezegging, dan is die toezegging in strijd met het recht. Bovendien heeft de Douane met de publicatie op 27 oktober 2020 in het Handboek verbruiksbelasting duidelijk gesteld dat het “dorstlessende karakter” van een alcoholvrije drank geen zelfstandig criterium is bij de beantwoording van de vraag of een drank een limonade is. Daarmee had het voor eiseres duidelijk moeten zijn dat haar producten onderhevig zijn aan verbruiksbelasting en dat de 2010-uitspraak niet juist was.
In het Handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken van de Douane (hierna: het handboek verbruiksbelasting) is vanaf 27 oktober 2020 onder meer de volgende passage opgenomen:
“6.1 Producten aangemerkt als limonade
De volgende producten worden aangemerkt als limonade (artikel 9, WVAD):
(…)
Bepaalde alcoholvrije vloeibare voedingssupplementen, die als zodanig gereed zijn om als dranken te worden gebruikt (mits deze dranken geen van melk afkomstige vetstoffen bevatten met een gehalte aan melkvetten van 0,02%mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden)
(…).
Het dorstlessend karakter van een alcoholvrije drank is geen zelfstandig criterium voor de vaststelling of het om ‘limonade’ gaat. In de Memorie van Toelichting op artikel 9 WVAD is deze term enkel gebruikt om een afbakening te maken tussen limonade en medicinale dranken.”
9.1
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Relevante regelgeving

10. Artikel 6 van de WVAD luidde tot 1 januari 2024 als volgt:
“Onder alcoholvrije dranken worden verstaan vruchten- en groentesap, mineraalwater en limonade, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenproducten of overige alcoholhoudende producten in de zin van de Wet op de accijns.”
11. Artikel 9 van de WVAD luidt sinds 1 januari 1993 als volgt:
“1. Onder limonade worden verstaan met water aangelengd vruchten- of groentesap alsmede gezoete en aromatische dranken en dranken waaraan geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.
2. Als limonade wordt mede aangemerkt de drank, bedoeld in het eerste lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik gerede limonade vervaardigen voor gebruik ter plaatse.
3. Als limonade wordt niet aangemerkt:
a. de uit melk of melkproducten bereide drank met een gehalte aan melkvetten van 0,02%mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden, niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank;
b. de uit soja bereide drank met een vetgehalte en een eiwitgehalte die vergelijkbaar zijn met het vetgehalte en het eiwitgehalte van melk.”

Beoordeling door de rechtbank

Zaak HAA 24/856 (utb 2)
Verdedigingsbeginsel
12. Eiseres voert aan dat in zowel de voornemenfase als de bezwaarprocedure essentiële stukken niet zijn verstrekt en geen inzage daarin is verleend. Eiseres doelt specifiek op een intern memo van 4 januari 2023 (bijlage 16 bij het verweerschrift), het logboek (opgenomen in bijlage 48 bij het verweerschrift) en een Excel bestand (bijlage 6 bij het verweerschrift).
13. Het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, brengt voor een bestuursorgaan de verplichting mee de geadresseerde van een besluit in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen. Deze regel heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten [1] .
14. Verweerder heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, zesde lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) en artikel 8 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 (hierna: UVo.DWU) voordat de utb’s werden opgelegd op 22 juli 2023, de voornemens aan eiseres verzonden. Tevens heeft verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder c, van de UVo.DWU in de voornemens vermeld dat de bescheiden en overige informatie die ten grondslag liggen aan de voornemens, kunnen worden ingezien en dat daarvoor contact met verweerder kon worden opgenomen. Het verdedigingsbeginsel verplicht verweerder niet om in de voorfase de aan de voorgenomen besluitvorming ten grondslag liggende stukken toe te zenden aan eiseres. Eiseres kan in de voorfase (enkel) aanspraak maken op inzage in het heffingsdossier [2] . Het niet toezenden van (alle) stukken in de voorfase vormt dus geen schending van het verdedigingsbeginsel. Dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid tot inzage in de stukken, is haar keuze en kan verweerder niet worden aangerekend.
De rechtbank merkt op dat de onder 12 genoemde documenten weliswaar op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, maar dat het interne stukken zijn die gewisseld zijn tussen ambtenaren waarvan de inhoud reeds blijkt uit andere op de zaak betrekking hebbende stukken. Het betreft daarom geen informatie die cruciaal was voor het opleggen van de utb’s.
15. Ook in de bezwaarfase heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om de stukken in te zien. Eiseres heeft echter opnieuw geen gebruik gemaakt van het inzagerecht. Indien en voor zover eiseres klaagt dat verweerder geen informatie over de samenstelling van de diverse producten zou hebben verstrekt, merkt de rechtbank op dat eiseres als producent van de onderhavige producten de exacte samenstelling kent. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat in de bezwaarfase aan eiseres stukken zijn onthouden waardoor zij haar recht op verdediging niet heeft kunnen uitoefenen.
16. Ook de stelling dat in de beroepsfase nog steeds niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd kan niet slagen, reeds omdat eiseres niet heeft geconcretiseerd welke stukken nog niet door verweerder zouden zijn overgelegd.
17. Naar het oordeel van de rechtbank is utb 2 voldoende gemotiveerd. Hoewel de eigenschappen van de producten wat minder gedetailleerd zijn weergegeven dan hierna onder punt 19 is vermeld, was het voor eiseres voldoende kenbaar welke producten in geschil zijn en waarom deze producten door verweerder worden aangemerkt als limonade volgens artikel 9, eerste en tweede lid, van de WVAD. Dat verweerder dit in het verweerschrift uitgebreider heeft toegelicht dan in utb 2, doet aan het voorgaande niet af.
18. Gelet op het voorgaande is geen sprake van schending van het verdedigingsbeginsel.
Productinformatie en bewijslast
19. Verweerder heeft tijdens de controle aan de hand van informatie van de labels van de producten en de website van eiseres, de volgende eigenschappen van de producten verzameld en gebruikt ter onderbouwing van de utb’s:
1. [product 1]
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
0,75% en het proteïnegehalte 15/30%. Wijze van consumeren: water, yoghurt, fruit.
2. [product 2]
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water, vruchtensap of sportdrank.
3. [product 3]
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water.
4. [product 4]
Dit product is uit plantaardige ingrediënten, waaronder erwten- en
rijsteiwit, vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte
73%. Wijze van consumeren: water.
5. [product 5]
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
1,19% en het proteïnegehalte 83,4%. Wijze van consumeren: water, melk,
smoothie, havermout, yoghurt, kwark.
6. [product 6]
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water, sportdrank.
7. [product 7]
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water.
8. [product 8]
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
3,46% en het proteïnegehalte 75,03%. Wijze van consumeren: water, smoothie,
bakrecept.
9. [product 9]
Dit product is een concentraat. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het
proteïnegehalte 0%. Wijze van consumeren: water.
10. [product 10]
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
3,46% en het proteïnegehalte 75,03%. Wijze van consumeren: water, melk.
11. [product 11]
Dit product is een concentraat. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het
proteïnegehalte 0%. Wijze van consumeren: water.
12. [product 12]
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
3% en het proteïnegehalte 47,66%. Wijze van consumeren: water.
13. [product 13]
Dit product is vervaardigd uit plantaardige ingrediënten, waaronder erwten- en
rijsteiwit. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 75%. Wijze van
consumeren: water, smoothie, bananenbrood, havermout.
14. [product 14]
Dit product is vervaardigd uit plantaardige ingrediënten, waaronder tarwegras,
spirulina en açai. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 75%.
Wijze van consumeren: water, sap, smoothie.
15. [product 15]
Dit product is vervaardigd uit plantaardige ingrediënten (plantaardige eiwitten en
groenten). Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 61%. Wijze van
consumeren: water.
Alle producten betreffen concentraten in poedervorm. Ze zijn gezoet, bevatten smaakstoffen en worden in kleinhandelsverpakking aangeboden.
20. De rechtbank is van oordeel dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de producten kwalificeren als limonade op grond van de WVAD. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder - met verwijzing naar de website van eiseres en de labels van de producten - van voornoemde informatie mocht uitgaan voor de beoordeling of sprake is van limonade in de zin van de WVAD, omdat deze informatie van eiseres zelf afkomstig is. De onderhavige goederen zijn niet fysiek gecontroleerd en niet door het Douanelaboratorium geanalyseerd. Anders dan eiseres stelt, was verweerder niet gehouden om de producten alsnog te laten onderzoeken door een laboratorium om de samenstelling te laten vaststellen. De samenstelling volgt immers voldoende uit de beschikbare productinformatie. De stelling dat verweerder onvoldoende kennis heeft van de relevante eigenschappen van de producten, kan daarom niet slagen. Eiseres heeft voornoemde samenstelling en toepassing van de producten overigens niet weersproken. De rechtbank zal daarom voor de beoordeling van het geschil uitgaan van deze informatie over de producten.
21. De stelling van eiseres over extrapolatie - wat daar verder ook van zij - kan niet slagen, reeds omdat geen analyse door het Douanelaboratorium en ook geen extrapolatie heeft plaatsgevonden.
Kwalificatie
22. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de producten in geschil als limonade in de zin van artikel 9, eerste en tweede lid, van de WVAD. De producten zijn gezoet, er zijn smaakstoffen aan toegevoegd en de producten zijn kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ‘onverwarmd’ en ‘gedronken’ afzonderlijke en cumulatieve criteria zijn. Op de door eiseres overgelegde productinformatie op de labels van alle producten in geschil staat vermeld dat het product kan worden gemengd met water of andere vloeistoffen en hoeveel scheppen van het product daarvoor nodig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de producten kennelijk zijn bestemd om met koud water/vloeistoffen – en dus onverwarmd – te worden gedronken. De stelling van eiseres dat de producten in veel toepassingen juist warm worden geconsumeerd (bijvoorbeeld door het product toe te voegen aan beslag) zoals uit diverse bronnen, zoals filmpjes op YouTube blijkt, kan eiseres niet baten. Het is immers niet relevant of producten ook geschikt zijn om verwarmd te worden gebruikt of gedronken, als de producten bestemd zijn om koud te worden gedronken [3] .
23. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de producten geconcentreerde limonades in poedervorm in kleinhandelsverpakking. Het poeder is naar het oordeel van de rechtbank een drank in vaste vorm als vermeld in het tweede lid van artikel 9 van de WVAD. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting op artikel 9 van de WVAD [4] . Daarin staat – voor zover van belang – het volgende vermeld: “Ook de zogenoemde limonadepoeders worden ingevolge het tweede lid in de heffing betrokken. Het gaat hier om dranken als bedoeld in het eerste lid in vaste vorm.” De stelling van eiseres dat bij vaste vorm alleen sprake is van limonade als het product vloeibaar is geweest, vindt geen steun in het recht.
24. Dat de wezenlijke toepassing van de producten spierversterking is en dat een groot deel van de producten een eiwitgehalte heeft dat hoger is dan 30%, is voor de kwalificatie als limonade in de zin van de WVAD niet relevant. Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat de producten kennelijk bestemd zijn om onverwarmd te worden gedronken en voldoen zij aan de overige criteria van artikel 9, eerste en tweede lid, van de WVAD, zodat sprake is van limonade. Dat het begrip limonade in de WVAD mogelijk anders en ruimer is dan het begrip limonade in het normale spraakgebruik, is niet relevant. Dat deze rechtbank in de 2010-uitspraak ten aanzien van een - volgens eiseres - identiek product anders heeft geoordeeld, doet aan het voorgaande evenmin af.
25. De producten voldoen niet aan de uitzonderingen, als vermeld in het derde lid van artikel 9 van de WVAD. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
26. Eiseres stelt dat meerdere producten melkvet bevatten zodat die producten niet kwalificeren als producten waarvoor verbruiksbelasting verschuldigd is. Deze stelling kan niet slagen omdat het betreffende bestanddeel afkomstig is uit wei of weiproducten. Weidranken worden op grond van artikel 9, derde lid, onder a, van de WVAD juist wel aangemerkt als limonade, ook als ze 0,02%mas of meer melkvet bevatten. Het gaat in dit geval om de producten [product 1] , [product 5] , [product 8] , [product 10] en [product 12] .
27. Voorts bevatten de meeste producten geen sojabestanddelen. Enkele producten bevatten wel sojalecithine als emulgator, zoals [product 5] . Volgens verweerder, die zich hierbij heeft gebaseerd op het standpunt van het Douanelaboratorium, bevat sojalecithine geen sojaeiwit (bijlage 54 verweerschrift). In de e-mail van eiseres van 11 januari 2024, staat – voor zover van belang – het volgende vermeld: “Namens belanghebbende bevestigen wij dat de sojalecithine geen soja-eiwitten bevat.” (bijlage 57 verweerschrift). Hieruit volgt dat eiseres en verweerder het eens zijn dat sojalecithine geen soja-eiwitten bevat. Daarom voldoen de producten niet aan de voorwaarden van artikel 9, derde lid, onder b, van de WVAD. De stelling van eiseres ter zitting dat bepaalde producten meer dan 0,02%mas sojaeiwitten bevatten, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze in een te laat stadium wordt aangevoerd; daarbij is de stelling niet onderbouwd. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
28. Het voorgaande betekent dat alle producten kwalificeren als limonade in de zin van artikel 9 van de WVAD. Op grond van artikel 6 van de WVAD zijn de producten daarom dranken in de zin van de WVAD.
Vertrouwensbeginsel
29. Eiseres voert aan dat verweerder jarenlang zelf heeft bevestigd dat, althans beleid heeft gevoerd waarbij, deze producten (spierversterkende poeders) niet met verbruiksbelasting werden belast, gelet op de 2010-uitspraak. Er heeft geen gepubliceerde beleidswijziging plaatsgevonden. Eiseres had geen reden om te twijfelen aan de bestaande uitleg, aldus eiseres.
30. Volgens verweerder moet het beroep op het vertrouwensbeginsel worden getoetst aan de eisen van artikel 119 DWU en niet aan het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu het in deze procedure niet gaat om een terugbetalingsverzoek en bovendien sprake is van een kwalificatie naar nationaal recht, namelijk producten als limonade in de zin van de WVAD. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel zal toetsen aan de hand van het nationale recht.
31. De inspecteur moet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitvoering van wetgeving de beleidsregels in acht nemen. Een belastingplichtige mag erop vertrouwen dat een inspecteur handelt overeenkomstig de afgegeven beleidsregels, ook als deze buitenwettelijk zijn.
32. Door verweerder is geen standpunt verkondigd in die zin dat heffing van verbruiksbelasting achterwege blijft bij spierversterkende poeders. Dat het
Douanelaboratorium in een bepaalde periode voorafgaand aan de indieningsdata van de aangiften verweerder heeft geadviseerd om op bepaalde spierversterkende producten met een hoog gehalte aan eiwitten geen verbruiksbelasting te heffen, maakt niet dat sprake is van beleid. Verweerder is namelijk niet verplicht om het advies van het Douanelaboratorium te volgen. Ook op diverse interne stukken van verweerder waarin diverse standpunten naar voren komen kan eiseres zich niet beroepen, reeds omdat die niet openbaar zijn gemaakt en er daarom geen sprake is van beleid.
33. Voor zover verweerder een lijn heeft gevolgd naar aanleiding van de 2010-uitspraak, is hij daarop in 2020 terugkomen door in punt 6.1 van het handboek verbruiksbelasting op te nemen dat het dorstlessende karakter van een alcoholvrije drank geen zelfstandig criterium is voor de vaststelling of een product ‘limonade’ is. Voor zover eiseres het standpunt inneemt dat verweerder niet op een eerder gevolgde lijn mocht terugkomen, is dat standpunt onjuist. Volgens verweerder is deze wijziging gepubliceerd op 27 oktober 2020 in versienummer 2.0 van het handboek verbruiksbelasting. Eiseres betwist dat deze beleidswijziging toen is gepubliceerd omdat uit een WOO-verzoek zou volgen dat er geen versie met die datum zou bestaan. De rechtbank acht dit echter een onvoldoende onderbouwing van het standpunt dat dit beleid niet op 27 oktober 2020 zou zijn gepubliceerd. De mededelingen in het handboek verbruiksbelastingen kwalificeren als geldend beleid van de Douane en zijn voor iedereen toegankelijk. Gelet op het voorgaande had het voor eiseres ten tijde van de invoer van de producten duidelijk moeten zijn dat er verbruiksbelasting zou worden geheven omdat de producten kwalificeren als limonade.
34. Gelet op het voorgaande kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.
Rente op achterstallen
35. Artikel 26 van de WVAD gelezen in samenhang met artikel 1:1, eerste lid van de Algemene douanewet (Adw) biedt de wettelijke grondslag om aan degene die ter zake van invoer verbruiksbelasting verschuldigd is geworden, rente op achterstallen zoals bedoeld in artikel 114, tweede lid, van het DWU in rekening te brengen vanaf de dag waarop die verbruiksbelasting verschuldigd is geworden tot de dag waarop het verschuldigde bedrag op de voet van artikel 7:6 van de Adw is medegedeeld (vgl. Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1177). Het betoog van eiseres dat de rente op achterstallen ten onrechte in rekening is gebracht, slaagt dus niet.
Zaak HAA 24/855 (utb 1)
36. Eiseres stelt ook in deze zaak dat de producten niet kwalificeren als limonade, dat utb 1 daarom ten onrechte is opgelegd en dat verweerder ten onrechte rente op achterstallen in rekening heeft gebracht.
37. Deze gronden kunnen niet slagen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 19 tot en met 28 en onder 35.

Conclusies en gevolgen

38. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond worden verklaard.
Verzoek om immateriële schade
39. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De berechting van deze zaken is aangevangen met de ontvangst van de bezwaarschriften door verweerder op 31 augustus 2023 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 2 december 2025. De duur van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaarfase inbegrepen) is twee jaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijn zou moeten worden verlengd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom overschreden met afgerond vier maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangend omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd [5] .
40. De overschrijding van vier maanden is geheel aan de beroepsfase toe te rekenen. Daarom dient de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding van
€ 500 te betalen.
Proceskosten
41. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om immateriële schade – beide zaken hangen samen – met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25, nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn [6] ). De vergoeding van dit bedrag zal plaatsvinden door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Eiseres komt niet in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht. Eiseres heeft weliswaar vóór 31 mei 2024 een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan, maar de redelijke termijn was op voornoemde datum nog niet overschreden [7] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op
€ 500;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres, tot een bedrag van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Hof van Justitie 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., gevoegde zaken C‑129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231, punten 30 en 38.
2.Vgl. Hof van Justitie 9 november 2017, C-298/16, Ispas, ECLI:EU:C:2017:843.
3.Vgl. Hoge Raad 13 juni 2003, 37223, ECLI:NL:HR:2003:AF0380.
4.Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 843, nr. 3, p. 20.
5.Zie Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, r.o. 2.5.2 en Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.
6.Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
7.Vgl. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.