Beoordeling door de rechtbank
12. Eiseres voert aan dat in zowel de voornemenfase als de bezwaarprocedure essentiële stukken niet zijn verstrekt en geen inzage daarin is verleend. Eiseres doelt specifiek op een intern memo van 4 januari 2023 (bijlage 16 bij het verweerschrift), het logboek (opgenomen in bijlage 48 bij het verweerschrift) en een Excel bestand (bijlage 6 bij het verweerschrift).
13. Het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, brengt voor een bestuursorgaan de verplichting mee de geadresseerde van een besluit in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen. Deze regel heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten.
14. Verweerder heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, zesde lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) en artikel 8 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 (hierna: UVo.DWU) voordat de utb’s werden opgelegd op 22 juli 2023, de voornemens aan eiseres verzonden. Tevens heeft verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder c, van de UVo.DWU in de voornemens vermeld dat de bescheiden en overige informatie die ten grondslag liggen aan de voornemens, kunnen worden ingezien en dat daarvoor contact met verweerder kon worden opgenomen. Het verdedigingsbeginsel verplicht verweerder niet om in de voorfase de aan de voorgenomen besluitvorming ten grondslag liggende stukken toe te zenden aan eiseres. Eiseres kan in de voorfase (enkel) aanspraak maken op inzage in het heffingsdossier. Het niet toezenden van (alle) stukken in de voorfase vormt dus geen schending van het verdedigingsbeginsel. Dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid tot inzage in de stukken, is haar keuze en kan verweerder niet worden aangerekend.
De rechtbank merkt op dat de onder 12 genoemde documenten weliswaar op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, maar dat het interne stukken zijn die gewisseld zijn tussen ambtenaren waarvan de inhoud reeds blijkt uit andere op de zaak betrekking hebbende stukken. Het betreft daarom geen informatie die cruciaal was voor het opleggen van de utb’s.
15. Ook in de bezwaarfase heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om de stukken in te zien. Eiseres heeft echter opnieuw geen gebruik gemaakt van het inzagerecht. Indien en voor zover eiseres klaagt dat verweerder geen informatie over de samenstelling van de diverse producten zou hebben verstrekt, merkt de rechtbank op dat eiseres als producent van de onderhavige producten de exacte samenstelling kent. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat in de bezwaarfase aan eiseres stukken zijn onthouden waardoor zij haar recht op verdediging niet heeft kunnen uitoefenen.
16. Ook de stelling dat in de beroepsfase nog steeds niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd kan niet slagen, reeds omdat eiseres niet heeft geconcretiseerd welke stukken nog niet door verweerder zouden zijn overgelegd.
17. Naar het oordeel van de rechtbank is utb 2 voldoende gemotiveerd. Hoewel de eigenschappen van de producten wat minder gedetailleerd zijn weergegeven dan hierna onder punt 19 is vermeld, was het voor eiseres voldoende kenbaar welke producten in geschil zijn en waarom deze producten door verweerder worden aangemerkt als limonade volgens artikel 9, eerste en tweede lid, van de WVAD. Dat verweerder dit in het verweerschrift uitgebreider heeft toegelicht dan in utb 2, doet aan het voorgaande niet af.
18. Gelet op het voorgaande is geen sprake van schending van het verdedigingsbeginsel.
Productinformatie en bewijslast
19. Verweerder heeft tijdens de controle aan de hand van informatie van de labels van de producten en de website van eiseres, de volgende eigenschappen van de producten verzameld en gebruikt ter onderbouwing van de utb’s:
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
0,75% en het proteïnegehalte 15/30%. Wijze van consumeren: water, yoghurt, fruit.
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water, vruchtensap of sportdrank.
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water.
Dit product is uit plantaardige ingrediënten, waaronder erwten- en
rijsteiwit, vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte
73%. Wijze van consumeren: water.
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
1,19% en het proteïnegehalte 83,4%. Wijze van consumeren: water, melk,
smoothie, havermout, yoghurt, kwark.
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water, sportdrank.
Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 0%. Wijze van
consumeren: water.
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
3,46% en het proteïnegehalte 75,03%. Wijze van consumeren: water, smoothie,
bakrecept.
Dit product is een concentraat. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het
proteïnegehalte 0%. Wijze van consumeren: water.
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
3,46% en het proteïnegehalte 75,03%. Wijze van consumeren: water, melk.
Dit product is een concentraat. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het
proteïnegehalte 0%. Wijze van consumeren: water.
Dit product is uit wei of weiproducten vervaardigd. Het melkvetgehalte bedraagt
3% en het proteïnegehalte 47,66%. Wijze van consumeren: water.
Dit product is vervaardigd uit plantaardige ingrediënten, waaronder erwten- en
rijsteiwit. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 75%. Wijze van
consumeren: water, smoothie, bananenbrood, havermout.
Dit product is vervaardigd uit plantaardige ingrediënten, waaronder tarwegras,
spirulina en açai. Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 75%.
Wijze van consumeren: water, sap, smoothie.
Dit product is vervaardigd uit plantaardige ingrediënten (plantaardige eiwitten en
groenten). Het melkvetgehalte bedraagt 0% en het proteïnegehalte 61%. Wijze van
consumeren: water.
Alle producten betreffen concentraten in poedervorm. Ze zijn gezoet, bevatten smaakstoffen en worden in kleinhandelsverpakking aangeboden.
20. De rechtbank is van oordeel dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de producten kwalificeren als limonade op grond van de WVAD. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder - met verwijzing naar de website van eiseres en de labels van de producten - van voornoemde informatie mocht uitgaan voor de beoordeling of sprake is van limonade in de zin van de WVAD, omdat deze informatie van eiseres zelf afkomstig is. De onderhavige goederen zijn niet fysiek gecontroleerd en niet door het Douanelaboratorium geanalyseerd. Anders dan eiseres stelt, was verweerder niet gehouden om de producten alsnog te laten onderzoeken door een laboratorium om de samenstelling te laten vaststellen. De samenstelling volgt immers voldoende uit de beschikbare productinformatie. De stelling dat verweerder onvoldoende kennis heeft van de relevante eigenschappen van de producten, kan daarom niet slagen. Eiseres heeft voornoemde samenstelling en toepassing van de producten overigens niet weersproken. De rechtbank zal daarom voor de beoordeling van het geschil uitgaan van deze informatie over de producten.
21. De stelling van eiseres over extrapolatie - wat daar verder ook van zij - kan niet slagen, reeds omdat geen analyse door het Douanelaboratorium en ook geen extrapolatie heeft plaatsgevonden.
22. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de producten in geschil als limonade in de zin van artikel 9, eerste en tweede lid, van de WVAD. De producten zijn gezoet, er zijn smaakstoffen aan toegevoegd en de producten zijn kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ‘onverwarmd’ en ‘gedronken’ afzonderlijke en cumulatieve criteria zijn. Op de door eiseres overgelegde productinformatie op de labels van alle producten in geschil staat vermeld dat het product kan worden gemengd met water of andere vloeistoffen en hoeveel scheppen van het product daarvoor nodig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de producten kennelijk zijn bestemd om met koud water/vloeistoffen – en dus onverwarmd – te worden gedronken. De stelling van eiseres dat de producten in veel toepassingen juist warm worden geconsumeerd (bijvoorbeeld door het product toe te voegen aan beslag) zoals uit diverse bronnen, zoals filmpjes op YouTube blijkt, kan eiseres niet baten. Het is immers niet relevant of producten ook geschikt zijn om verwarmd te worden gebruikt of gedronken, als de producten bestemd zijn om koud te worden gedronken.
23. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de producten geconcentreerde limonades in poedervorm in kleinhandelsverpakking. Het poeder is naar het oordeel van de rechtbank een drank in vaste vorm als vermeld in het tweede lid van artikel 9 van de WVAD. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting op artikel 9 van de WVAD. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende vermeld: “Ook de zogenoemde limonadepoeders worden ingevolge het tweede lid in de heffing betrokken. Het gaat hier om dranken als bedoeld in het eerste lid in vaste vorm.” De stelling van eiseres dat bij vaste vorm alleen sprake is van limonade als het product vloeibaar is geweest, vindt geen steun in het recht.
24. Dat de wezenlijke toepassing van de producten spierversterking is en dat een groot deel van de producten een eiwitgehalte heeft dat hoger is dan 30%, is voor de kwalificatie als limonade in de zin van de WVAD niet relevant. Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat de producten kennelijk bestemd zijn om onverwarmd te worden gedronken en voldoen zij aan de overige criteria van artikel 9, eerste en tweede lid, van de WVAD, zodat sprake is van limonade. Dat het begrip limonade in de WVAD mogelijk anders en ruimer is dan het begrip limonade in het normale spraakgebruik, is niet relevant. Dat deze rechtbank in de 2010-uitspraak ten aanzien van een - volgens eiseres - identiek product anders heeft geoordeeld, doet aan het voorgaande evenmin af.
25. De producten voldoen niet aan de uitzonderingen, als vermeld in het derde lid van artikel 9 van de WVAD. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
26. Eiseres stelt dat meerdere producten melkvet bevatten zodat die producten niet kwalificeren als producten waarvoor verbruiksbelasting verschuldigd is. Deze stelling kan niet slagen omdat het betreffende bestanddeel afkomstig is uit wei of weiproducten. Weidranken worden op grond van artikel 9, derde lid, onder a, van de WVAD juist wel aangemerkt als limonade, ook als ze 0,02%mas of meer melkvet bevatten. Het gaat in dit geval om de producten [product 1] , [product 5] , [product 8] , [product 10] en [product 12] .
27. Voorts bevatten de meeste producten geen sojabestanddelen. Enkele producten bevatten wel sojalecithine als emulgator, zoals [product 5] . Volgens verweerder, die zich hierbij heeft gebaseerd op het standpunt van het Douanelaboratorium, bevat sojalecithine geen sojaeiwit (bijlage 54 verweerschrift). In de e-mail van eiseres van 11 januari 2024, staat – voor zover van belang – het volgende vermeld: “Namens belanghebbende bevestigen wij dat de sojalecithine geen soja-eiwitten bevat.” (bijlage 57 verweerschrift). Hieruit volgt dat eiseres en verweerder het eens zijn dat sojalecithine geen soja-eiwitten bevat. Daarom voldoen de producten niet aan de voorwaarden van artikel 9, derde lid, onder b, van de WVAD. De stelling van eiseres ter zitting dat bepaalde producten meer dan 0,02%mas sojaeiwitten bevatten, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze in een te laat stadium wordt aangevoerd; daarbij is de stelling niet onderbouwd. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
28. Het voorgaande betekent dat alle producten kwalificeren als limonade in de zin van artikel 9 van de WVAD. Op grond van artikel 6 van de WVAD zijn de producten daarom dranken in de zin van de WVAD.
29. Eiseres voert aan dat verweerder jarenlang zelf heeft bevestigd dat, althans beleid heeft gevoerd waarbij, deze producten (spierversterkende poeders) niet met verbruiksbelasting werden belast, gelet op de 2010-uitspraak. Er heeft geen gepubliceerde beleidswijziging plaatsgevonden. Eiseres had geen reden om te twijfelen aan de bestaande uitleg, aldus eiseres.
30. Volgens verweerder moet het beroep op het vertrouwensbeginsel worden getoetst aan de eisen van artikel 119 DWU en niet aan het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu het in deze procedure niet gaat om een terugbetalingsverzoek en bovendien sprake is van een kwalificatie naar nationaal recht, namelijk producten als limonade in de zin van de WVAD. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel zal toetsen aan de hand van het nationale recht.
31. De inspecteur moet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitvoering van wetgeving de beleidsregels in acht nemen. Een belastingplichtige mag erop vertrouwen dat een inspecteur handelt overeenkomstig de afgegeven beleidsregels, ook als deze buitenwettelijk zijn.
32. Door verweerder is geen standpunt verkondigd in die zin dat heffing van verbruiksbelasting achterwege blijft bij spierversterkende poeders. Dat het
Douanelaboratorium in een bepaalde periode voorafgaand aan de indieningsdata van de aangiften verweerder heeft geadviseerd om op bepaalde spierversterkende producten met een hoog gehalte aan eiwitten geen verbruiksbelasting te heffen, maakt niet dat sprake is van beleid. Verweerder is namelijk niet verplicht om het advies van het Douanelaboratorium te volgen. Ook op diverse interne stukken van verweerder waarin diverse standpunten naar voren komen kan eiseres zich niet beroepen, reeds omdat die niet openbaar zijn gemaakt en er daarom geen sprake is van beleid.
33. Voor zover verweerder een lijn heeft gevolgd naar aanleiding van de 2010-uitspraak, is hij daarop in 2020 terugkomen door in punt 6.1 van het handboek verbruiksbelasting op te nemen dat het dorstlessende karakter van een alcoholvrije drank geen zelfstandig criterium is voor de vaststelling of een product ‘limonade’ is. Voor zover eiseres het standpunt inneemt dat verweerder niet op een eerder gevolgde lijn mocht terugkomen, is dat standpunt onjuist. Volgens verweerder is deze wijziging gepubliceerd op 27 oktober 2020 in versienummer 2.0 van het handboek verbruiksbelasting. Eiseres betwist dat deze beleidswijziging toen is gepubliceerd omdat uit een WOO-verzoek zou volgen dat er geen versie met die datum zou bestaan. De rechtbank acht dit echter een onvoldoende onderbouwing van het standpunt dat dit beleid niet op 27 oktober 2020 zou zijn gepubliceerd. De mededelingen in het handboek verbruiksbelastingen kwalificeren als geldend beleid van de Douane en zijn voor iedereen toegankelijk. Gelet op het voorgaande had het voor eiseres ten tijde van de invoer van de producten duidelijk moeten zijn dat er verbruiksbelasting zou worden geheven omdat de producten kwalificeren als limonade.
34. Gelet op het voorgaande kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.
35. Artikel 26 van de WVAD gelezen in samenhang met artikel 1:1, eerste lid van de Algemene douanewet (Adw) biedt de wettelijke grondslag om aan degene die ter zake van invoer verbruiksbelasting verschuldigd is geworden, rente op achterstallen zoals bedoeld in artikel 114, tweede lid, van het DWU in rekening te brengen vanaf de dag waarop die verbruiksbelasting verschuldigd is geworden tot de dag waarop het verschuldigde bedrag op de voet van artikel 7:6 van de Adw is medegedeeld (vgl. Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1177). Het betoog van eiseres dat de rente op achterstallen ten onrechte in rekening is gebracht, slaagt dus niet. 36. Eiseres stelt ook in deze zaak dat de producten niet kwalificeren als limonade, dat utb 1 daarom ten onrechte is opgelegd en dat verweerder ten onrechte rente op achterstallen in rekening heeft gebracht.
37. Deze gronden kunnen niet slagen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 19 tot en met 28 en onder 35.