Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:15173

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
24/8293
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die door het UWV is afgewezen omdat hij volgens verzekeringsartsen over arbeidsvermogen beschikt. Eiser betoogt dat het onderzoek onzorgvuldig was, met name dat onvoldoende is onderzocht of sprake is van excessief ziekteverzuim en dat zijn medische klachten onvoldoende zijn meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is ondanks een beperkte termijnoverschrijding vanwege de psychische beperkingen van eiser. Het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is zorgvuldig bevonden, mede omdat eiser op een hoorzitting is gehoord en dossieronderzoek is verricht. Er is geen bewijs van excessief ziekteverzuim en de conclusie dat eiser één uur aaneengesloten kan werken en ten minste twee uur per dag belastbaar is, is voldoende gemotiveerd.

De rechtbank volgt de verzekeringsarts in de beoordeling dat eiser ondanks zijn klachten over arbeidsvermogen beschikt, mede omdat zijn beperkingen niet hebben verhinderd dat hij zijn masteropleiding afrondde. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8293

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit Heiloo, eiser

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. R. Roos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser is sprake van een onzorgvuldig onderzoek, omdat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende onderzoek is gedaan naar het excessief ziekteverzuim. Daarnaast is volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn medische klachten. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 4 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Uwv.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Eiser, geboren op [datum] 1990, heeft op 9 mei 2023 een laattijdige ‘aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend, om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering.
3.2.
In het kader van zijn aanvraag is eiser op 18 juli 2023 gezien op het spreekuur door de verzekeringsarts. In de hiervan door de verzekeringsarts opgemaakte medische rapportage van 18 juli 2023 is vermeld dat eiser op zijn achttiende verjaardag of tijdens zijn studie beperkingen had als gevolg van een ziekte of gebrek. Het ontstaansmoment van het prikkelbaar darmsyndroom (PDS) en de angstklachten is gelegen in 2011 en nadien zijn in 2012 secundaire depressieve klachten ontstaan. Op de datum van de aanvraag en de datum van het onderzoek voldeed eiser volgens de verzekeringsarts niet aan de strikte voorwaarden van Geen Benutbare Mogelijkheden, zodat van mogelijkheden wordt uitgegaan. Verder is door de verzekeringsarts vermeld dat het bij een aantal van eisers klachten lastig is om objectiveerbare en rechtstreeks vaststelbare beperkingen voortkomend uit de stoornis vast te stellen. De ervaren belemmeringen vinden namelijk plaats op het niveau van klachten (functioneel) zonder dat sprake is van objectiveerbare afwijkingen. Gelet hierop concludeert de verzekeringsarts dat beperkingen moeten worden aangenomen, alleen niet in de mate waarin eiser de klachten en belemmeringen ervaart. Verder vermeldt de verzekeringsarts dat uit de door eiser overgelegde informatie van derden volgt dat de voorliggende stoornis het leven van eiser in toenemende mate is gaan beheersen en dat dit evenwel het afronden van opleidingen, weliswaar met een aangepaste stage, niet in de weg heeft gestaan. Eiser wordt dan ook in staat geacht om één uur per dag aaneengesloten zelfstandig te werken en om, verdeeld over de dag, ten minste twee uur belastbaar te zijn. Door de arbeidsdeskundige is in de rapportage van 4 augustus 2023 geconcludeerd dat eiser beschikt over arbeidsvermogen. Op grond hiervan is het primaire besluit genomen.
3.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar is eiser op 22 oktober 2024 gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de hiervan opgemaakte medische rapportage van 24 oktober 2024 is vermeld dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht eiser dan ook in staat om zelfstandig één uur per dag aaneengesloten te werken en acht hem voor ten minste twee uur per dag belastbaar. Daarnaast is vermeld dat eiser volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan omgaan met verschillende soorten werktijden. Het niet in de ochtend werken, is wegens het ervaren van een toename van klachten in de ochtend, gewenst maar vanuit medisch gronden niet strikt aangewezen, zo staat in de rapportage vermeld. Een goed dag- en nacht ritme is juist bij een depressieve stoornis van belang. Met dieetmaatregelen kan eiser zijn klachten (enigszins) onderdrukken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 29 oktober 2024 geconcludeerd dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden en hij een taak kan uitvoeren. Op grond hiervan is het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De reden van de overschrijding is gelegen in de aard van de diagnosen en de beperkingen. De bij eiser vastgestelde persisterende depressieve stoornis en de angststoornis maken dat het voor eiser zeer moeilijk is om ergens toe te komen, post te openen, deze te begrijpen, ingrijpende keuzes te maken en daadwerkelijk tot actie over te gaan. Daarbij komt dat sprake is van een zeer beperkte termijnoverschrijding en de belangen van anderen niet door een inhoudelijke behandeling worden geschaad.
4.2.
Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar het excessief ziekteverzuim. Uit het dagverhaal en de anamnese volgt dat bij eiser sprake is van een hoog ziekteverzuim. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op basis hiervan moeten doorvragen naar het ziekteverzuim en hier verder onderzoek naar moeten verrichten. Daarnaast stelt eiser dat de redenering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser één uur per dag zelfstandig kan werken en verdeeld over de dag ten minste twee uur per dag belastbaar is gezien zijn intellectuele capaciteiten enerzijds in combinatie met de aard en ernst van de onderliggende medische feiten anderzijds, niet kan worden gevolgd. Niet is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderbouwd welke rol zijn intellectuele capaciteiten spelen en hoe dit is gewogen tegenover de aard en ernst van de medische feiten.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep
5.1.
Voordat kan worden over gegaan tot een inhoudelijke beoordeling, neemt de rechtbank een beslissing over de vraag of sprake is van een ontvankelijk beroep. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag nadat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen, of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
5.2.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van de termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot de overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
5.3.
Vast staat dat in dit geval eiser zelfstandig, zonder gemachtigde, op 19 december 2024, één dag na het afloop van de beroepstermijn, beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Als reden van de overschrijding heeft eiser gewezen op de aard van zijn (psychische) beperkingen, zoals ook ter zitting toegelicht. Gelet hierop en de omstandigheid dat eiser ten tijde van het indienen van het beroep niet beschikte over beroepsmatige rechtsbijstand of andere ondersteuning, alsmede in aanmerking genomen dat er in dit geval sprake is van een zeer beperkte termijnoverschrijding en het een tweepartijen geschil betreft, acht de rechtbank de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar. Dat betekent dat het beroep ontvankelijk is en de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.
Wettelijk kader
6.1.
Voor de beoordeling geldt als uitgangspunt dat op grond van artikel 1a:1, eerste lid en onder a, van de Wajong een jonggehandicapte de ingezetene is die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
6.2.
Verder is van belang dat op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen.
Zorgvuldig onderzoek
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek zorgvuldig geweest. Daarbij acht zij van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voordat deze tot zijn conclusies is gekomen eiser op de hoorzitting heeft gezien en dossieronderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte gelet hierop over voldoende informatie om tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen. Anders dan de enkele stelling van eiser, volgt uit het dossier niet dat sprake is van een excessief ziekteverzuim. Eiser heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit dit blijkt, of waarin daarvoor aanknopingspunten zijn te vinden. Ook op de hoorzitting heeft eiser geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de verzekeringsarts aanleiding hadden moeten geven om verder onderzoek te doen naar excessief ziekteverzuim dan wel om medische informatie op te vragen bij de behandelaren van eiser. Van een onzorgvuldig onderzoek is de rechtbank dan ook niet gebleken.
7.2.
Verder is door eiser aangevoerd dat zijn beperkingen en klachten zijn onderschat. Anders dan eiser stelt, is de redenering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser één uur per dag zelfstandig kan werken en hij verdeeld over de dag ten minste twee uur per dag belastbaar is gezien zijn intellectuele capaciteiten enerzijds in combinatie met de aard en ernst van de onderliggende medische feiten anderzijds naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd. Door de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vermeld dat (een deel van) de door eiser ervaren belemmeringen op het niveau van klachten plaatsvinden zonder dat daarbij sprake is van objectiveerbare afwijkingen. Er zijn dan ook beperkingen aangenomen, alleen niet in de mate waarin eiser zijn klachten en belemmeringen ervaart. Gelet hierop wordt eiser in staat geacht belastbaar te zijn. Door eiser zijn geen (nieuwe) medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat die conclusie onjuist is en/of er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Daarbij komt dat eisers klachten en beperkingen niet aan het afronden van zijn master opleiding (WO) in de weg hebben gestaan. Gelet hierop volgt de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de conclusie dat eiser gezien zijn intellectuele capaciteiten in combinatie met de aard en ernst van de medische feiten over arbeidsvermogen beschikt. Anders dan eiser stelt, is die conclusie niet onnavolgbaar.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.