ECLI:NL:RBNHO:2025:15250

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
15/273122-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tien maanden gevangenisstraf voor invoer van ongeveer 1,8 kg cocaïne op Schiphol met nieuwe uitgangspunten voor drugskoeriers

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 14 oktober 2025 op Schiphol werd aangehouden met ongeveer 1,8 kg cocaïne in haar ruimbagage. De verdachte, die zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland was en gedetineerd in een penitentiaire inrichting, werd beschuldigd van het opzettelijk invoeren van cocaïne. Tijdens de zitting op 11 december 2025 heeft de officier van justitie, mr. M. Lenderink, gevorderd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk de cocaïne had ingevoerd, ondanks haar verklaring dat zij niet op de hoogte was van de inhoud van haar bagage. De rechtbank overwoog dat de verdachte, gezien de omstandigheden, een onaanvaardbaar risico had genomen door de inhoud van haar bagage niet te controleren. De rechtbank legde een gevangenisstraf van tien maanden op, met inachtneming van de recente uitgangspunten voor strafoplegging voor drugskoeriers. De rechtbank verklaarde ook het in beslag genomen geldbedrag van € 900 verbeurd, aangezien dit bedrag verkregen was door middel van het bewezen verklaarde feit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/273122-25 (P)
Uitspraakdatum: 24 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 december 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum en plaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. M. Pieplenbosch, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij, op of omstreeks 14 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, te weten het opzettelijk in Nederland invoeren van cocaïne.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de opzet-variant van het ten laste gelegde feit, omdat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk cocaïne binnen het Nederlands grondgebied heeft gebracht, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte wist namelijk niet dat zij in haar ruimbagage cocaïne vervoerde en zij heeft de aanmerkelijke kans daarop ook niet aanvaard.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de invoer van cocaïne heeft gehad, en overweegt daartoe het volgende.
De verdachte kwam op 14 oktober 2025 met het vliegtuig vanuit Colombia aan op Schiphol met de bedoeling om daarna door te vliegen naar Griekenland. Na haar aankomst op Schiphol troffen medewerkers van de Douane in haar ruimbagage onder andere vijf dienbladen aan en een dienbladbodem zonder hout eromheen. Uit onderzoek bleek dat de zes dienbladbodems vloeistoffen bevatten met daarin in totaal ongeveer 1.800 gram cocaïne. De verdachte heeft hierover bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat zij van een man die zij niet heel goed kent, ene Andres, het verzoek kreeg om dienbladen naar Athene te brengen. Daarvoor zou zij € 6.000,- krijgen. Vlak voor vertrek had deze man, in het bijzijn van een voor de verdachte onbekende andere man, de dienbladen in haar koffer gedaan. Hij had geen antwoord gegeven op vragen van de verdachte over het afleveren van de dienbladen en waarom zij de dienbladen moest meenemen. De verdachte wist niet wanneer, waar en door wie de dienbladen zouden worden opgehaald. De verdachte heeft bij de Koninklijke Marechaussee verder verklaard dat zij Andres onbetrouwbaar vond en dat zij het gevoel had dat er iets niet in orde was. Ook heeft de verdachte verklaard dat zij zelf niets heeft hoeven te betalen voor het vliegticket en het verblijf in het hotel in Athene. Het geldbedrag van € 900,- dat bij haar is aangetroffen, heeft zij voorts van Andres gekregen “als deel van wat ze haar [de rechtbank begrijpt: als beloning] zouden geven”. Tijdens de zitting is de verdachte teruggekomen op deze verklaring en heeft zij (samengevat) verklaard dat zij Andres wél goed kende, dat zij niet wist hoeveel geld zij voor het vervoeren van de dienbladen zou krijgen, dat de € 900,- niet als voorschot op de beloning aan haar was gegeven en dat zij vóór het verzoek van Andres al van plan was om als toerist naar Griekenland te reizen. De rechtbank acht die verklaring, mede gelet op haar verklaring bij de Koninklijke Marechaussee kort na ontdekking van het feit, echter ongeloofwaardig en schuift deze daarom terzijde.
In zaken zoals deze, waarbij in ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, geldt als uitgangspunt dat een passagier die per vliegtuig (ruim)bagage met zich meevoert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud ook verantwoordelijk is. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die wetenschap niet heeft bestaan en het (voorwaardelijk) opzet op de invoer dus ontbreekt.
Het is een feit van algemene bekendheid dat vanuit landen als Colombia - een zogenoemd risicoland - vaak cocaïne naar Europa wordt gesmokkeld, door de drugs in allerlei voorwerpen te verstoppen. Daar komt bij dat de verdachte een aanzienlijk geldbedrag zou ontvangen voor het meenemen van enkele dienbladen, van een man die zij niet heel goed kende. Bovendien heeft de verdachte zelf geen kosten voor de reis en het verblijf in Griekenland hoeven te maken. Volgens haar eigen verklaring had de verdachte het gevoel dat iets niet in orde was. Gelet op deze omstandigheden heeft de verdachte, die verantwoordelijk is voor de inhoud van haar bagage, een onaanvaardbaar risico genomen door na te laten de inhoud ervan grondig te controleren. Zij heeft zich hierdoor willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat haar bagage verdovende middelen zou bevatten, zoals inderdaad het geval was. De verdachte heeft dan ook het voorwaardelijk opzet gehad op het invoeren in Nederland van de cocaïne in haar koffer.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
zij, op 14 oktober 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij bewezenverklaring van de opzet-variant bij de strafoplegging de recente lokale oriëntatiepunten van de rechtbank Noord-Holland voor Schiphol-koeriers als uitgangspunt te nemen. De verdediging heeft verder verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en deze in strafmatigende zin te betrekken.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 1.800 gram cocaïne vanuit Colombia. Cocaïne is een voor de gezondheid van de gebruikers daarvan schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van zodanige aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder strafbare feiten gepleegd door gebruikers ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verspreiding van en de handel in harddrugs, alsmede de invoer daarvan, worden daarom krachtig bestreden.
Strafoplegging
Bij de bepaling van de straf voor drugskoeriers die zijn aangehouden op Schiphol, heeft de rechtbank tot voor kort vrijwel steeds de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt gehanteerd. Daarin is voor de invoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 1.500 tot 2.000 gram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 24 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
Over dit oriëntatiepunt overweegt de rechtbank dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de invoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de rechtbank constateert wel dat al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan de verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze koeriers verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan de verdachten die worden berecht voor de smokkel van, al dan niet in georganiseerd verband, grote hoeveelheden drugs. Deze disbalans is in de afgelopen jaren verder vergroot door procesafspraken die regelmatig worden gemaakt met de verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel dat – indien het door de rechter wordt gevolgd – doorgaans leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de rechtbank aanleiding om de straffen voor de drugskoeriers die op Schiphol worden aangehouden te matigen. Voor deze matiging van de strafmaat ten opzichte van het LOVS-oriëntatiepunt hanteert de rechtbank – voorlopige – algemene uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke omstandigheden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn gekomen.
Die recente voorlopige uitgangspunten vermelden bij een gewicht tot 1.500 gram aan harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf. Bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram is een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. Voor een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram is als vertrekpunt een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden bepaald.
De rechtbank stelt vast dat het nettogewicht van de in deze zaak aangetroffen cocaïne ongeveer 1.800 gram is, dat wil zeggen aan de onderkant van de hiervoor genoemde tweede gewichtscategorie (1.500-5.000 gram).
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, van 3 november 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de toelichting van de verdachte op de zitting over haar persoonlijke omstandigheden. Hieruit blijkt dat zij in Colombia twee minderjarige kinderen heeft, voor wie zij als alleenstaande moeder de zorg draagt. Verder zorgt zij ook voor haar zieke moeder en haar gezin is financieel afhankelijk van haar.
Deze persoonlijke omstandigheden zijn niet van dusdanig bijzondere aard dat de rechtbank aanleiding ziet om deze bij de straftoemeting in belangrijke mate in het voordeel van de verdachte te betrekken.
Slotsom
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, passend en geboden is. Tenuitvoerlegging van deze straf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.Beslag

Tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde feit is onder de verdachte een contant geldbedrag van € 900 in beslag genomen. Dit geldbedrag behoort toe aan de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit geldbedrag verbeurd moet worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is namelijk gebleken dat dit geldbedrag geheel door middel van het bewezen verklaarde feit is verkregen. De verdachte had dit geldbedrag blijkens haar verklaring bij de Koninklijke Marechaussee immers gekregen van de man voor wie zij de dienbladen naar Griekenland zou vervoeren, als deel van haar beloning.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht
2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen geldbedrag van € 900 (goednummer PL2700-25-092473-10).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. E.L. Hoogstraate en mr. P. Reemst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. P.H. Boersma en M. Langendoen
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2025.