Op 14 oktober 2025 werd de verdachte aangehouden op Schiphol met ongeveer 1.800 gram cocaïne verborgen in haar ruimbagage. De verdachte verklaarde dat zij voor een onbekende man dienbladen naar Athene zou vervoeren en daarvoor een beloning zou ontvangen. De rechtbank verwierp haar latere ontkenningen en concludeerde dat zij voorwaardelijk opzet had op de invoer van de drugs.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte verantwoordelijk is voor de inhoud van haar bagage en dat het feit dat zij geen kosten hoefde te maken en een aanzienlijk geldbedrag ontving, wijst op bewustzijn van het risico. Er is geen reden om de wederrechtelijkheid of strafbaarheid te ontkennen.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met nieuwe, voorlopige uitgangspunten voor drugskoeriers op Schiphol, die lagere straffen voorschrijven dan het landelijke LOVS-oriëntatiepunt. Gezien de hoeveelheid cocaïne en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van een strafblad en haar zorg voor minderjarige kinderen, werd een gevangenisstraf van tien maanden opgelegd met aftrek van voorarrest.
Daarnaast werd het bij de verdachte in beslag genomen bedrag van €900,- verbeurd verklaard omdat dit uit het strafbare feit voortkwam. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland op 24 december 2025.