ECLI:NL:RBNHO:2025:15321

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
371597 KG ZA 25-715
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming van opdrachtovereenkomst en oplevering van het Dynamic 365 Business Central-project

In deze zaak vordert de besloten vennootschap De Nederlandse Fashion Support B.V. (hierna: De Nederlandse) dat de besloten vennootschap Dynamic Hosting Services B.V. (hierna: DHS) haar verplichtingen uit de opdrachtovereenkomst nakomt. De vordering betreft de oplevering van het Dynamic 365 Business Central-project, dat oorspronkelijk per 1 januari 2024 operationeel zou zijn. De Nederlandse stelt dat DHS in gebreke is gebleven en dat er inmiddels meer dan € 180.000,- aan facturen is gefactureerd zonder dat er zichtbare resultaten zijn opgeleverd. DHS heeft de werkzaamheden opgeschort vanwege openstaande facturen van De Nederlandse, maar De Nederlandse betwist dat DHS recht heeft op opschorting. De voorzieningenrechter oordeelt dat DHS haar verplichtingen moet nakomen, aangezien voor een vordering tot nakoming geen ingebrekestelling of verzuim vereist is. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van De Nederlandse toe, inclusief een dwangsom voor het geval DHS in gebreke blijft. Daarnaast wordt DHS veroordeeld tot afgifte van de broncode van het project en de proceskosten worden aan DHS opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/371597 / KG ZA 25-715
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap DE NEDERLANDSE FASHION SUPPORT B.V.,
te Zevenaar,
eisende partij,
hierna te noemen: De Nederlandse,
advocaat: mr. R.H. van de Beeten,
tegen
de besloten vennootschap DYNAMIC HOSTING SERVICES B.V.,
te Noord-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DHS,
advocaat: mr. W.H.J. Luijer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 19 november 2025,
- de akte vermeerdering van eis met producties,
- de aanvullende producties van De Nederlandse,
- de producties van DHS,
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van De Nederlandse,
- de pleitnota van DHS.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft, zoals aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling, op 11 december 2025 een tussenvonnis gewezen met alleen een beslissing op de vorderingen onder V, VI en VII die betrekking hebben op de “Sorter”. De motivering van deze beslissing is opgenomen in dit vonnis. Ook bevat dit vonnis een beslissing op de overige onderdelen en een motivering daarvan.

2.De uitgangspunten

2.1.
De Nederlandse is een onderneming die zich toelegt op logistieke werkzaamheden voor bedrijven in de textielbranche. Daarbij valt te denken aan zowel de belevering door textielfabrikanten en grossiers van detailhandelszaken als de belevering van consumenten die via websiteshops bestellingen plaatsen. Vanuit haar locatie in Zevenaar vindt de verzending door De Nederlandse plaats. Het hele logistieke systeem is sterk geautomatiseerd.
2.2.
Tot op heden maakt De Nederlandse voor het geautomatiseerde systeem gebruik van de diensten van het Belgische bedrijf Insys. Dat systeem wordt aangeduid als Fashion Partner.
2.3.
Omdat De Nederlandse een efficiënter systeem wenste, is zij in gesprek geraakt met DHS, welke aangaf aan de wensen van De Nederlandse te kunnen voldoen. De Nederlandse en DHS hadden eerder samengewerkt en kenden elkaar. Zo had Dynamic Services Solutions B.V. (hierna: DSS), een zusteronderneming van DHS, enkele jaren daarvoor een sorteermachine (“Sorter”) bij De Nederlandse geïnstalleerd. Op 1 mei 2023 zijn partijen een opdrachtovereenkomst met elkaar aangegaan. Het project werd aangeduid als Dynamic 365 Business Central (hierna: BC). Doel (de Scope) van de overeenkomst is om de processen van De Nederlandse die in Fashion Partner en Exact zijn vastgelegd over te brengen naar BC en deze uit te breiden met de benodigde WMS functionaliteit.
2.4.
De oplevering van het project zou plaatsvinden in december 2023, zodat het project per 1 januari 2024 operationeel zou zijn. Het geïndiceerde budget van de opdracht zou exclusief btw € 77.300,00 bedragen, op basis van nacalculatie.
2.5.
Op de opdrachtovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van DHS van toepassing verklaard. Daarin staat (voor zover van toepassing) het volgende opgenomen:
Artikel 3. Projectplanning
3.4
Indien de vertraging te wijten is aan DHS, zal deze vertraging ongedaan maken, respectievelijk voorkomen dat hierdoor de datum van oplevering wordt overschreden, onder meer door eventueel vrijmaken van extra capaciteit en/of inzetten van medewerkers. Kosten van DHS die zijn gemaakt om de vertraging te herstellen, komen voor rekening van DHS.
Artikel 10. Documentatie
10.1
DHS zal Opdrachtgever bij Installatie en Implementatie van door DHS ontwikkelde Programmatuur voorzien van ten minste één set van documentatie in de vorm van een FO (Functioneel ontwerp Document) en de broncode.
2.6.
In de loop van 2023 werd duidelijk dat het niet zou lukken om het BC-systeem per 1 januari 2024 operationeel te hebben. In overleg heeft Insys haar systeem in de lucht gehouden, totdat BC zou draaien.
2.7.
Op 24 september 2024 heeft [naam 1] namens DHS een e-mail aan De Nederlandse gestuurd, met daarin een overzicht van alle nog uit te voeren taken. De uitvoering van deze taken zou nog € 57.300,- kosten, waarvan de ene helft voor rekening van DHS zou komen en de andere helft voor rekening van De Nederlandse. De verwachte opleverdatum bedroeg op dat moment 16 december 2024. Voorwaarde was dat de reguliere en nog openstaande facturen op vervaldatum worden voldaan.
2.8.
[naam 2] heeft namens De Nederlandse op 27 oktober 2024 ingestemd met het voorstel. Hij heeft daarbij opgemerkt dat Insys per 1 januari 2025 zou stoppen met haar ondersteuning, zodat het BC-systeem per die datum operationeel moest zijn. De Nederlandse heeft DHS op dat moment alvast op voorhand aansprakelijk gesteld voor de schade die zou worden veroorzaakt indien de opleverdatum niet zou worden gehaald.
2.9.
Omdat het DHS niet lukte om per 1 januari 2025 op te leveren, werd er door DHS rechtstreeks overleg gevoerd met Insys om hun ondersteuning voorlopig voort te zetten. Op 28 januari 2025 schrijft de heer [naam 3] van Insys aan DHS:
“Dag [naam 1] , zoals besproken is het voor ons belangrijk dat DNL volledig op jullie
systeem kan werken en ons systeem niet meer nodig hebben. Om jullie te stimuleren
om hiervoor de deadline de door jou aangegeven van 1/7/2025 te halen, stellen we het
volgende voor:
- Wij factureren tot en met juli elke maand € 5.000,00 voor het gebruik en operationeel
houden van ons systeem.
- Als op 1/7/2025 DNL volledig op jullie systeem werkt en ons systeem dus niet meer
nodig is, crediteren we € 10.000,00 wat overeenkomt met de korting die je
voorstelt.
- als op 1/7/2025 ons systeem nog steeds wordt gebruikt wordt er niet gecrediteerd en
loopt de maandelijkse facturatie gewoon door.”
2.10.
Op 3 februari 2025 heeft DHS aan De Nederlandse kenbaar gemaakt dat zij de hiervoor genoemde afspraken met Insys heeft gemaakt.
2.11.
Omdat de oplevering per 1 juli 2025 wederom niet werd gehaald, heeft De Nederlandse DHS geattendeerd op de extra kosten van Insys en aangezegd dat DHS deze kosten diende te dragen. Hier heeft DHS niet op gereageerd.
2.12.
Na de zomer van 2025 heeft DHS laten weten dat het BC-systeem zo ver gevorderd was dat de implementatie van het systeem en de training van het personeel van De Nederlandse opgepakt kon worden. [naam 1] zou namens DHS twee dagen naar de locatie in Zevenaar komen om de werkzaamheden te verrichten. Deze training en de implementatie van het BC-systeem hebben tot op heden niet plaatsgevonden.
2.13.
Bij brief van 23 oktober 2025 heeft mr. van de Beeten namens De Nederlandse DHS gesommeerd om te verklaren dat het systeem per 1 januari 2026 operationeel is en live kan gaan. Ook heeft hij DHS gesommeerd om een contractuele boete te aanvaarden voor het geval de oplevering per 1 januari 2026 niet of niet tijdig of niet naar behoren zou plaatsvinden.
2.14.
[naam 1] heeft namens DHS in zijn reactie laten weten dat de werkzaamheden worden opgeschort vanwege het ontbreken van betaling van de laatste facturen, ter hoogte van € 6.300,-.
2.15.
Vanwege problemen aan de Sorter heeft De Nederlandse eind 2025 externe deskundigen ingeschakeld voor nader onderzoek. Op 3 december 2025 hebben B. Geelen en R. Veenman (software deskundigen) een verslag uitgebracht over het vastlopen van de Sorter. Na contact met DHS is gebleken dat er inmiddels een fix is ontwikkeld, die gereedstaat om te worden uitgerold. DHS heeft kenbaar gemaakt dat deze fix, vanwege het uitblijven van betaling van supportfacturen, voorlopig niet zal plaatsvinden.
2.16.
De Nederlandse heeft inmiddels conservatoir derdenbeslag gelegd onder MyMicro Group B.V. op hetgeen deze opdrachtgever aan DHS verschuldigd zou zijn.
2.17.
Inmiddels heeft DHS meer dan € 180.000,00 aan De Nederlandse gefactureerd.

3.Het geschil

3.1.
De Nederlandse vordert na vermeerdering van eis - samengevat – DHS bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen om:
I. onmiddellijk na betekening van het af te geven vonnis de werkzaamheden voor De Nederlandse op het adres van De Nederlandse te hervatten en voort te zetten gedurende kantooruren tot aan de oplevering op straffe van een dwangsom van
€ 10.000,- per dag voor iedere werkdag dat DHS in gebreke is, waarvan ook sprake zal zijn wanneer DHS op het eind van de werkdag nalaat te rapporteren welke werkzaamheden zijn verricht,
II. uiterlijk in de laatste tien werkdagen van december 2025, althans in januari 2026, een behoorlijke oplevering van het Dynamic 365 Business Central-project te doen plaatsvinden – training van personeel inbegrepen – op straffe van een dwangsom van € 150.000,- te vermeerderen met € 10.000,- per dag voor elke werkdag of gedeelte daarvan dat DHS met deze oplevering in gebreke is,
III.
primair:binnen vierentwintig uur na betekening van het af te geven vonnis aan De Nederlandse af te geven in de staat waarin een en ander zich dan bevindt (een kopie van) de broncode van het Dynamic 365 Business Central-project en bijbehorende Functioneel Ontwerpdocument op straffe van een dwangsom van € 150.000,- te vermeerderen met € 10.000,- per dag voor elke werkdag of gedeelte daarvan dat DHS met deze afgifte in gebreke is,
IV.
subsidiair:voor het geval de voorzieningenrechter de vordering onder sub III niet – onverkort- toewijst: binnen vierentwintig uur na betekening van het af te geven vonnis c.q. van een ter zake te geven beslissing, op te nemen in een proces-verbaal van de zitting, aan de door de rechtbank benoemde deskundige te verschaffen (een kopie van) de broncode van het Dynamic 365 Business Central-project en het bijbehorende Functioneel Ontwerpdocument op straffe van een dwangsom van € 150.000,- te vermeerderen met € 10.000,- per dag voor elke werkdag of gedeelte daarvan dat DHS met deze afgifte in gebreke is,
V. onmiddellijk na betekening van dit vonnis en tot aan het bericht van of namens De Nederlandse dat de herstartfunctie door een derde is overgenomen telkens na melding van een storing in het programma van de sorter deze telkens binnen uiterlijk dertig minuten te herstarten op straffe van een dwangsom van € 100.000,- te vermeerderen met € 10.000,- per dag voor elke kalenderdag of gedeelte daarvan dat DHS in gebreke is,
VI. binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis aan De Nederlandse af te geven (een kopie van) de broncode van de sorter-software op straffe van een dwangsom van € 150.000 te vermeerderen met € 10.000,- per dag voor elke kalenderdag of gedeelte daarvan dat DHS met deze afgifte in gebreke is,
VII. binnen achtenveertig uur na betekening van dit vonnis de zogenaamde fix te installeren op een deugdelijke en werkende wijze op straffe van een dwangsom van
€ 100.000,- te vermeerderen met € 10.000,- per dag voor elke dag of deel van een dag dat DHS zulks nalaat,
VIII. de kosten van dit kort geding te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
De Nederlandse legt aan de vordering het volgende ten grondslag. DHS komt de tussen partijen gesloten opdrachtovereenkomst niet na. Inmiddels is er bijna twee jaar verstreken sinds de oorspronkelijke opleverdatum. Ondanks meerdere sommaties en betaling van meer dan het dubbele van het geoffreerde bedrag, heeft De Nederlandse tot op heden nog niets gezien van het door DHS ontwikkelde BC-systeem. Bovendien heeft Insys, de huidige systeembeheerder, laten weten dat zij op korte termijn haar ondersteuning wil stopzetten. Het is daarom van groot belang dat het BC-systeem zo spoedig mogelijk wordt geïmplementeerd en in werking wordt gesteld.
DHS doet een beroep op opschorting, vanwege een aantal openstaande facturen. Hoewel De Nederlandse een aantal facturen onbetaald heeft gelaten, komt DHS geen beroep op het opschortingsrecht toe. De Nederlandse heeft immers zekerheid gesteld middels een depot op de derdenrekening van het kantoor van mr. Van de Beeten. Verder ziet een groot gedeelte van de facturen op onderhoud aan de Sorter, hetgeen geen onderdeel uitmaakt van de opdrachtovereenkomst met betrekking tot het BC-systeem, en op meerwerk waarvoor geen toestemming is verleend.
Verder is DHS verantwoordelijk voor het goed functioneren van de Sorter. Deze software is immers enkele jaren geleden ook door DHS geleverd, maar is gebrekkig gebleken. Hierdoor moet de Sorter steeds worden herstart. Voor deze herstart is De Nederlandse afhankelijk van DHS. Hoewel DHS deze herstart tot op heden telkens heeft uitgevoerd, weigert zij dit nu. De gevolgen van de niet nakoming door DHS zijn zeer ernstig en onaanvaardbaar voor De Nederlandse.
3.3.
DHS voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Nederlandse.
3.4.
DHS voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Allereerst is er nimmer een fatale termijn overeengekomen, zodat DHS niet in verzuim is. Bovendien is de vertraging van het BC-project veroorzaakt door De Nederlandse zelf. Zij is immers als voorzitter van de stuurgroep eindverantwoordelijk voor het BC-project. Deze stuurgroep heeft de regie en bewaakt de voortgang van het BC-project. Zie artikel 6.1.1. uit de Opdrachtovereenkomst. Tot op heden heeft De Nederlandse op geen enkel moment de regie genomen. Daarbij komt dat -hoewel het BC-systeem inmiddels zo goed als gereed is om te worden uitgerold- voor DHS onmogelijk is om het project af te ronden, gelet op de houding van [naam 2] . DHS ziet het vanwege zijn aanwezigheid en gedrag niet langer zitten om bij De Nederlandse op locatie trainingen aan de werknemers te geven en het systeem te implementeren.
Bovendien heeft De Nederlandse een aantal facturen onbetaald gelaten, waardoor DHS haar werkzaamheden heeft opgeschort.
Tot slot kan DHS er niet toe worden verplicht om de Sorter te herstarten. Ondanks dat zij dit in het verleden weleens uit coulance voor De Nederlandse heeft gedaan, is DHS geen partij geweest bij de overeenkomst die ziet op de Sorter. De Sorter is geleverd door DSS,
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of De Nederlandse ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
DHS heeft haar werkzaamheden jegens De Nederlandse inmiddels opgeschort en weigert verdere nakoming van de opdrachtovereenkomst. Daardoor stagneert de uitrol van het nieuwe BC-systeem en staat de Sorter stil. Nu ook Insys kenbaar heeft gemaakt haar ondersteuning op korte termijn stop te zetten, heeft De Nederlandse een spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Nakoming van de opdrachtovereenkomst en oplevering van het BC-project
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat DHS haar verplichtingen uit de opdrachtovereenkomst, waaronder ook de oplevering van het BC-project, moet nakomen. Hij legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing komt.
4.4.
Allereerst stelt DHS dat partijen geen fatale termijn voor oplevering zijn overeengekomen, zodat DHS niet in verzuim is. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Voor een vordering tot nakoming in de zin van artikel 3:296 BW is geen ingebrekestelling of verzuim vereist. De bevoegdheid tot nakoming te vorderen is immers geen gevolg van een tekortkoming maar bestaat al daarvoor. Zolang de overeenkomst tussen partijen niet is opgezegd of ontbonden, met andere woorden nog voortduurt en nog niet geheel is nagekomen rust op DHS de verplichting om de opdracht af te ronden. Dat betekent dat DHS Fashion Partner moet overbrengen naar BC.
4.5.
DHS beroept zich er evenwel op dat zij niet hoeft na te komen omdat De Nederlandse een aantal facturen onbetaald heeft gelaten.
4.6.
Voor een rechtsgeldig beroep op opschorting conform artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is vereist dat er sprake is van voldoende samenhang tussen de over en weer bestaande verplichtingen. Deze samenhang ontbreekt als de vordering waarop de opschorting wordt gebaseerd voortvloeit uit een andere rechtsverhouding dan de verplichting waarvan nakoming wordt opgeschort. Verder blijkt uit artikel 6:55 BW dat de grondslag voor opschorting ontbreekt, wanneer er voldoende zekerheid is gesteld. Daarbij dient de opschorting gerechtvaardigd te zijn.
4.7.
De facturen die door De Nederlandse tot op heden onbetaald zijn gebleven bestaan - onweersproken - voor een groot gedeelte uit werkzaamheden die zien op de Sorter. Deze werkzaamheden komen voort uit een overeenkomst tussen De Nederlandse en DSS. Omdat deze facturen geen betrekking hebben op een rechtsbetrekking tussen De Nederlandse en DHS, ontbreekt de samenhang. De facturen die zien op onderhoud aan de Sorter kunnen dan ook geen grondslag vormen voor een beroep op opschorting.
4.8.
De overige onbetaald gebleven facturen zien - onweersproken - op meerwerk dat DHS zou hebben verricht. Zoals blijkt uit artikel 3 van de opdrachtovereenkomst komt meerwerk voor vergoeding in aanmerking als De Nederlandse daar goedkeuring voor heeft verleend. Anders dan DHS aanvoert is van goedkeuring door De Nederlandse niet gebleken. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet dat De Nederlandse op dit moment een betalingsverplichting heeft ten aanzien van deze facturen, zodat deze facturen geen grondslag voor opschorting kunnen vormen. Bovendien staat het bedrag dat openstaat (€6.300,--) in geen verhouding tot de bedragen die De Nederlandse reeds aan DHS heeft betaald (circa € 150.000,-). Om voor niet betaling van dat bedrag alle werkzaamheden op te schorten is disproportioneel. Daarbij heeft tevens nog te gelden dat onweersproken is gesteld dat het openstaande bedrag ter zekerheid op de derdengeldenrekening van mr. Van de Beeten staat. Daarmee is ook voldoende zekerheid gesteld.
4.9.
Gelet op het voorgaande faalt het beroep van DHS op opschorting van haar verplichtingen.
4.10.
Verder voert DHS aan dat De Nederlandse eindverantwoordelijk is voor het BC-project, zodat het alleen goed kan worden afgerond indien De Nederlandse haar regiefunctie weer oppakt. De voorzieningenrechter gaat ook hier niet in mee. De Nederlandse heeft DHS ingeschakeld om een efficiëntere software te implementeren in hun bedrijf. Ondanks dat De Nederlandse inmiddels ruim het dubbele van het geoffreerde bedrag heeft betaald, is er tot op heden geen enkel zichtbaar resultaat door DHS opgeleverd.
4.11.
Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor een goed eindresultaat van belang is dat partijen samenwerken, mag van DHS als professionele it-partij worden verwacht dat zij daarbij de regie voert. Dat De Nederlandse formeel voorzitter van een stuurgroep zou moeten staan, maakt dit niet anders. DHS kan op dit moment niet haar eigen verantwoordelijkheid afschuiven met argument dat De Nederlandse geen regie heeft gevoerd. Uit geen enkel bericht is gebleken dat DHS De Nederlandse daarop eerder heeft aangesproken. DHS dient de uitvoering van de opdracht weer ter hand te nemen, waarbij De Nederlandse haar daarbij op verzoek de noodzakelijk input levert.
4.12.
Tot slot voert DHS nog aan dat zij haar werkzaamheden niet langer kan uitvoeren vanwege de houding van [naam 2] . De werkzaamheden die nog moeten worden uitgevoerd, dienen op locatie bij De Nederlandse te worden verricht. DHS stelt dat geen van haar werknemers meer bij De Nederlandse aan de slag wil. Hoewel het gedrag van [naam 2] geen reden vormt voor niet nakoming van haar verplichtingen door DHS, heeft [naam 2] toegezegd niet aanwezig te zullen zijn bij de verdere implementatie en training door DHS. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [naam 2] zich hieraan houdt, zodat dit geen verdere belemmering oplevert.
4.13.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen reden is gebleken op basis waarvan DHS haar verplichtingen voorvloeiend uit de opdrachtovereenkomst niet hoeft na te komen dan wel kan opschorten. De vorderingen van De Nederlandse onder I en II zullen dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet daarbij niet in waarom dat niet binnen de gevorderde kantooruren zou kunnen. Omdat het BC-systeem naar eigen zeggen van DHS nagenoeg gereed ligt voor implementatie en training van de werknemers van De Nederlandse is het eindstadium voorafgaand aan de oplevering aangebroken. De voorzieningenrechter zal, gelet op vordering II, de termijn waarbinnen DHS het BC-systeem dient op te leveren vaststellen op uiterlijk 31 januari 2026, tenzij partijen in overleg tot een andere datum komen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij wel vanuit dat DHS voor het halen van die termijn zo nodig zoals overeengekomen extra capaciteit aantrekt, eventuele openstaande facturen door De Nederlandse zullen worden voldaan en het conservatoir beslag zal worden opgeheven (ofschoon dat laatste niet is gevorderd door DHS).
4.14.
Omdat DHS tot op heden geen zichtbare resultaten heeft geleverd, zal de gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd.
Verplichting tot afgifte van de broncode van het BC-project
4.15.
De Nederlandse vordert afgifte van de broncode van het BC-project. Zij heeft hier belang bij, omdat het onduidelijk is wat DHS tot op heden heeft ontwikkeld. Met de broncode kan worden onderzocht of het systeem klaar is voor implementatie en oplevering.
DHS voert verweer en stelt dat De Nederlandse al over de broncode beschikt. DHS heeft aangeboden om de broncode tegen betaling (nogmaals) af te geven.
4.16.
In artikel 10.1 van de Algemene Voorwaarden van DHS is bepaald dat DHS De Nederlandse zal voorzien van de broncode van het BC-project. De verplichting tot afgifte van de broncode door DHS vloeit derhalve voort uit de opdrachtovereenkomst. Dat De Nederlandse al over de broncode beschikt, heeft DHS niet nader gemotiveerd en daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter zal de vordering dan ook toewijzen. De termijn zal de voorzieningenrechter aanpassen gelet op de aankomende feest en vrije dagen. De voorzieningenrechter zal de termijn dan ook op één week na betekening van het vonnis zetten. Als prikkel tot nakoming zal er tevens een dwangsom aan de veroordeling worden verbonden, met dien verstande dat de dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd.
Geen verplichting tot herstart van de Sorter, afgifte van de broncode en installatie van de fix
4.17.
Volgens De Nederlandse vertoont de Sorter een gebrek waardoor deze telkens moet worden herstart. Voor deze herstart is De Nederlandse volledig afhankelijk van DHS. DHS heeft deze herstarts tot op heden telkens uitgevoerd, maar sinds De Nederlandse het kort geding is gestart weigert DHS de Sorter te herstarten. Hierdoor kan De Nederlandse haar werkzaamheden niet goed uitvoeren. Bovendien heeft DHS kenbaar gemaakt dat er inmiddels een fix is ontwikkeld die gereed staat om te worden uitgerold, maar ook dit weigert DHS uit te voeren.
4.18.
De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af en legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing komt. Hoewel DHS de Sorter tot op heden telkens op verzoek van De Nederlandse heeft herstart, kan zij hier niet toe worden verplicht. De onderliggende overeenkomst betreffende de Sorter blijkt immers niet te zijn gesloten tussen De Nederlandse en DHS, maar tussen De Nederlandse en DSS. DHS is derhalve geen contractspartij. Op haar rust dan ook geen juridische verplichting om de Sorter te repareren. Dat zij dat tot voor kort coulance wel heeft gedaan brengt niet mee dat het van haar ook in rechte kan worden gevraagd. Dat de facturatie steeds door DHS heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders.
De slotsom.
4.19.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen I,II en III zullen worden toegewezen. Vordering IV behoeft geen behandeling. Bij tussenbeslissing van 11 december 2025 zijn de vordering V,VI en VII reeds afgewezen.
Proceskosten
4.20.
DHS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Nederlandse worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.118,40
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt DHS om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de werkzaamheden voor De Nederlandse op het adres van De Nederlandse te hervatten en voort te zetten gedurende kantooruren tot aan de oplevering op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor iedere werkdag dat DHS in gebreke is, waarvan ook sprake zal zijn wanneer DHS op het eind van de werkdag nalaat te rapporteren welke werkzaamheden zijn verricht, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,
5.2.
veroordeelt DHS om uiterlijk 31 januari 2026 een behoorlijke oplevering van het Dynamic 365 Business Central-project te doen plaatsvinden – training van personeel inbegrepen – op straffe van een dwangsom van € 50.000,- te vermeerderen met € 5.000,- per dag voor elke werkdag of gedeelte daarvan dat DHS met deze oplevering in gebreke is, tot (inclusief de eerste dwangsom van € 50.000,-) een maximum van € 100.000,- is bereikt,
5.3.
veroordeelt DHS om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan De Nederlandse af te geven in de staat waarin een en ander zich dan bevindt (een kopie van) de broncode van het Dynamic 365 Business Central-project en bijbehorende Functioneel Ontwerpdocument op straffe van een dwangsom van € 50.000,- te vermeerderen met
€ 5.000,- per dag voor elke werkdag of gedeelte daarvan dat DHS met deze afgifte in gebreke is, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt,
5.4.
veroordeelt DHS in de proceskosten van € 2.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als DHS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt DHS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
MKI/JB