De werkneemster, sinds 1 januari 2021 in dienst als afdelingssecretaresse, werd op 6 augustus 2025 telefonisch op staande voet ontslagen. Zij verzocht op 9 oktober 2025 de kantonrechter om vernietiging van dit ontslag en betaling van loon. De werkgever voerde verweer dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien de vervaltermijn van twee maanden na het ontslag was verstreken.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag inderdaad op 6 augustus 2025 is gegeven, wat werd onderbouwd met verklaringen en WhatsApp-berichten. De werkneemster betwistte dit later, maar dit werd niet geloofwaardig bevonden. Ook als het ontslag op 8 augustus 2025 was ontvangen, was het verzoek op 9 oktober 2025 te laat. Het beroep op redelijkheid en billijkheid vanwege vertraging in de postbezorging werd verworpen omdat de werkneemster geen bijzondere omstandigheden had gesteld en zij had kunnen voorkomen dat het verzoek te laat werd ingediend.
Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De werkneemster werd veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten vanaf het moment dat zij op de vervaltermijn was gewezen, omdat zij de procedure ondanks de duidelijke overschrijding voortzette en daarmee onnodige kosten veroorzaakte. De proceskosten werden gematigd tot € 2.500,00 plus kosten van betekening.