ECLI:NL:RBNHO:2025:15538

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
117214-05 CV EXPL 25-1545
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over leasecontract en betaling van restant leasebedrag

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser] en [gedaagde] over een operationele leaseovereenkomst. Partijen sloten op 17 januari 2024 een leaseovereenkomst voor een TPS Power Press Plus 4-x40, maar [gedaagde] heeft zijn betalingsverplichtingen niet nagekomen. [eiser] heeft de overeenkomst op 17 mei 2025 buitengerechtelijk ontbonden. In de procedure vorderde [eiser] onder andere betaling van achterstallige leasetermijnen, wettelijke rente, incassokosten en afgifte van het leaseobject. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [gedaagde] in gebreke is gebleven en dat de ontbinding van de overeenkomst terecht is gebeurd. De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 1.360,58 is toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025. De kantonrechter heeft ook de incassokosten toegewezen en de vordering tot afgifte van het leaseobject, met een dwangsom voor niet-naleving. De proceskosten zijn voor rekening van [gedaagde]. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11721405 \ CV EXPL 25-1545
Vonnis van 20 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.P.J. Visser,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [naam] ( [stichting] ).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juli 2025
- de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 17 januari 2024 een operationele leaseovereenkomst gesloten
met betrekking tot een TPS Power Press Plus 4-x40. Op die overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen. [eiser] heeft de overeenkomst bij brief van 17 mei 2025 buitengerechtelijk ontbonden.

3.Het geschil en de beoordeling

3.1.
[eiser] vordert samengevat, dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat de operationele leaseovereenkomst is ontbonden,
en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:
  • de achterstallige leasetermijnen en de toekomstige termijnen, totaal, € 1.360,58, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;
  • de incassokosten, inclusief btw, € 234,09;
  • de tot 13 mei 2025 berekende rente, € 188,13;
  • de contractuele boete € 300,00;
  • afgifte van het leaseobject, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00;
  • de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] erkent dat de leasetermijnen niet zijn voldaan en dat hij een betalingsregeling niet volledig is nagekomen. Hij heeft toegelicht dat hij niet in staat is om te betalen, maar hij realiseert zich dat dit niet afdoet aan zijn verplichtingen tegenover [eiser] . [gedaagde] heeft zijn financiële en persoonlijke situatie toegelicht, reden waarom hij door de [stichting] wordt begeleid. Inmiddels is een aanvraag voor onderbewindstelling in gang gezet, waarbij het de bedoeling is dat een te benoemen bewindvoerder de schulden-problematiek gaat aanpakken. Wat betreft het leasecontract stelt [gedaagde] dat hij de Power Press heeft geleased voor een voormalige zakenpartner. Die zou ook de leasetermijnen betalen of aan [gedaagde] vergoeden, maar heeft dat niet gedaan. De Power Press is of was ook bij die voormalige zakenpartner in Rotterdam. [gedaagde] is daardoor niet in staat de Power Press aan [eiser] af te geven.
3.3.
Omdat [gedaagde] een achterstand in de betaling heeft laten ontstaan, heeft [eiser] de overeenkomst op grond van artikel 11 van haar algemene voorwaarden terecht ontbonden. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
3.4.
Door [gedaagde] met zijn voormalige zakenpartner gemaakte afspraken doen er niet aan af dat [gedaagde] degene is die (op naam van zijn eenmanszaak) de overeenkomst heeft gesloten en de daaruit voortvloeiende verplichtingen moet nakomen. Daar is hij door [eiser] ook verschillende malen op gewezen. De verzoeken van [gedaagde] om het contract op naam van die zakenpartner te stellen, heeft [eiser] gemotiveerd afgewezen. Zij is ook niet verplicht om aan dergelijke wijziging van het contract mee te werken.
3.5.
De gevorderde hoofdsom van € 1.360,58, volgens [eiser] zijnde de achterstand en de na de ontbinding vervallen termijnen, wordt toegewezen, omdat deze niet is betwist.
3.6.
Dit is anders voor de gevorderde rente. Hierbij is van belang dat wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW uitsluitend ziet op verbintenissen tot nakoming van handelsovereenkomsten en niet op verbintenissen tot schadevergoeding. Dat het hier gaat om een zakelijke leaseovereenkomst is tussen partijen niet in geschil. De verplichting van [gedaagde] om de leasetermijnen te betalen die vervallen na de ontbinding van de overeenkomst is een vorm van schadevergoeding. Daarover is [gedaagde] niet de wettelijke handelsrente maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd.
3.7.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 188,13 aan wettelijke handelsrente tot en met 13 mei 2025. Niet inzichtelijk is gemaakt hoe [eiser] tot dit bedrag is gekomen en of zij rekening heeft gehouden met wat hiervoor in r.o. 3.6. over de verschuldigde rente is overwogen. De tot 13 mei 2025 berekende rente wordt om die reden afgewezen.
3.8.
[eiser] vordert voorts de wettelijke handelsrente over een bedrag van (naar de kantonrechter begrijpt) € 1.360,58 vanaf 13 mei 2025 tot aan de dag dat het volledige bedrag is betaald. Omdat [eiser] niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel van het bedrag van € 1.360,58 ziet op de achterstallige leasetermijnen en welk deel ziet op leasetermijnen die na de ontbinding zijn vervallen, zal de kantonrechter over het gehele bedrag de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 13 mei 2025.
3.9.
[eiser] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Door [eiser] is voldoende gesteld dat werkzaamheden zijn verricht en er blijkt dat de incassowerkzaamheden betrekking hebben op zowel de vervallen, als de na de ontbinding opeisbaar geworden leasetermijnen. Deze vergoeding wordt daarom toegewezen tot het bedrag van € 204,09, volgens het tarief dat hoort bij een hoofdsom van € 1.360,58.
3.10.
Gelet op de ontbinding van de overeenkomst moest [gedaagde] , op grond van artikel 11 van de Leasevoorwaarden, de Power Press aan [eiser] retourneren. Omdat hij dat niet heeft gedaan wordt de vordering tot afgifte van de Power Press toegewezen. Dat [gedaagde] de Power Press aan een ander in gebruik heeft gegeven komt voor zijn rekening en risico. Mede gelet op de toe te wijzen contractuele boete omdat [gedaagde] niet tijdig aan deze verplichting heeft voldaan, ziet de kantonrechter aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen en op een lager bedrag te maximeren.
3.11.
[eiser] maakt ook aanspraak op een contractuele boete van € 300,00. Zij heeft dit niet toegelicht, maar de kantonrechter stelt vast dat in artikel 11 van de algemene voorwaarden, kort gezegd, is geregeld dat als het leaseobject niet op tijd wordt ingeleverd, een boete verschuldigd is. In dit geval is dat het (minimum-)bedrag van € 300,00. Tegen deze boete is geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal de boete van € 300,00 toewijzen.
3.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.018,73
3.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat heeft gevorderd en [gedaagde] daar geen verweer tegen heeft gevoerd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
De beslissing

4.De kantonrechter

4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.864,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.360,58 met ingang van 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
Veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van het leaseobject (Power Press) binnen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10,00 per dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 250,00;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.018,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
CK