ECLI:NL:RBNHO:2025:15583

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
15/172745-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zedenzaak: Vrijspraak voor gekwalificeerde verkrachting, veroordeling voor gekwalificeerde aanranding van minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een zedenzaak tegen een 82-jarige verdachte, die beschuldigd werd van gekwalificeerde verkrachting en aanranding van een minderjarig buurmeisje. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde gekwalificeerde verkrachting, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte het slachtoffer met zijn vinger had binnengedrongen. Echter, de rechtbank achtte het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk gekwalificeerde aanranding, wel bewezen. De verdachte had het slachtoffer meermalen aangerand door haar onverhoeds aan te raken op haar benen, borsten, onderlichaam en vagina, en had daarbij gedreigd haar en haar ouders in de problemen te brengen als zij het aan iemand zou vertellen. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, tot een bedrag van € 2.591,34, wegens materiële en immateriële schade. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn leeftijd en gezondheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/172745-25 (P)
Uitspraakdatum: 12 november 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad en aldaar ingeschreven.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. W.M. van der Most, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, en mr. M.A. Docter, advocaat van de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 8 mei 2025 te Den Helder, althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het meermalen, althans eenmaal, (over de kleding heen) duwen en/of prikken van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, (over de kleding heen) aanraken van en/of wrijven over/op de benen, borsten, en/of onderlichaam en/of vagina van die [slachtoffer]
en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- het meermalen, althans eenmaal, onverhoeds (over de kleding heen) duwen en/of prikken van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, onverhoeds (over de kleding heen) aanraken van en/of wrijven over/op de benen, de borsten, en/of het onderlichaam en/of de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het tegen die [slachtoffer] zeggen; "Als je iets zegt dan ga je in de problemen komen en doe ik wat met je vader en moeder", althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of
- (aldus) voor die [slachtoffer] een zodanig bedreigende en/of overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) van/met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken;
subsidiairhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 8 mei 2025 te Den Helder, althans in Nederland met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het meermalen, althans eenmaal, (over de kleding heen) duwen en/of prikken van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, (over de kleding heen) aanraken van en/of wrijven over/op de benen, de borsten, en/of het onderlichaam en/of de vagina van die [slachtoffer]
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- het meermalen, althans eenmaal, onverhoeds (over de kleding heen) duwen en/of prikken van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, onverhoeds (over de kleding heen) aanraken van en/of wrijven over/op de benen, de borsten, en/of het onderlichaam en/of de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het tegen die [slachtoffer] zeggen; "Als je iets zegt dan ga je in de problemen komen en doe ik wat met je vader en moeder", althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of
- (aldus) voor die [slachtoffer] een zodanig bedreigende en/of overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) van/met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ontkent met zijn vinger het lichaam van het slachtoffer te zijn binnengedrongen en ook het slachtoffer zelf heeft daar niet over verklaard.
Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel vrijgesproken moet worden. Volgens de raadsman kan alleen het aanraken van en wrijven over de benen, het onderlichaam en de vagina van het slachtoffer bewezen worden verklaard. De verdachte heeft de andere onderdelen van de tenlastelegging steeds stellig ontkend en het dossier bevat geen aanknopingspunten die de verklaring van het slachtoffer op deze punten ondersteunen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak primair ten laste gelegde feit (gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren)Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte met zijn vinger het lichaam van het slachtoffer is binnengedrongen. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.3
Bewijsmotivering subsidiair ten laste gelegde feit (gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren)
Beoordeling bewijs in zedenzaken
Bij zedenzaken doet zich vaak de situatie voor dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de gebeurtenissen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan kan volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één persoon (bijvoorbeeld die van het slachtoffer). Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de verklaring van het vermeende slachtoffer betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs is. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of deze verklaring voldoende wordt ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen. Niet vereist is dat ieder onderdeel van de verklaring van het slachtoffer met bijkomend bewijs wordt ondersteund. Voor een bewezenverklaring kan het voldoende zijn dat de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Daarnaast is van belang dat de rechtbank uit het dossier en de zitting de overtuiging krijgt dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd.
Betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer
[slachtoffer] heeft op 29 mei 2025 in een kindvriendelijke verhoorstudio een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat de verdachte bij haar in de straat woonde en dat zij regelmatig bij hem over de vloer kwam. Zij noemde de verdachte ‘opa’. De verdachte heeft haar meerdere keren aangeraakt. Dat gebeurde in de gang bij hem thuis. Hij heeft haar over haar kleding aangeraakt bij haar benen, borsten, onderlichaam en vagina (door het slachtoffer haar ‘wc plek’ genoemd). De verdachte heeft het slachtoffer ook onder haar kleding bij haar vagina aangeraakt. De verdachte heeft vaker geprobeerd haar aan te raken, maar dan duwde zij hem weg. De verdachte leek op die momenten boos. Het slachtoffer was bang om het aan haar ouders te vertellen omdat de verdachte tegen haar gezegd heeft dat hij haar in de problemen zou brengen en wat met haar ouders zou doen. Op een vraag van de agent hoe het kwam dat ze het ging vertellen aan papa en mama, antwoordde zij: ‘Want ik wilde dood gaan. ‘Ik kon niet meer.’
De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen. Ondanks haar jonge leeftijd heeft zij gedetailleerd en consistent verklaard over welke handelingen de verdachte bij haar heeft verricht. Haar woordgebruik komt authentiek over. Ook geeft zij het duidelijk aan als zij bepaalde dingen niet weet of als zij ergens geen gedetailleerde herinnering aan heeft. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. Dat de verdachte de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten betwist geeft de rechtbank geen reden hier anders over te denken.
Steunbewijs
Vervolgens is de vraag aan de orde of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dit als volgt toe.
1. De verklaring van de verdachte
Ten eerste vindt de verklaring van het slachtoffer op meerdere specifieke onderdelen ondersteuning in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 4 juni 2025 bevestigd dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt en gestreeld bij haar benen, onderlichaam en vagina. Ook heeft hij bevestigd dat dit meerdere keren is gebeurd en dat hij haar zowel boven als onder haar kleding heeft aangeraakt bij haar vagina. Bij zijn verhoor bij de politie op 5 juni 2025 heeft hij verduidelijkt dat hij het slachtoffer op haar blote vagina heeft aangeraakt. Nu bepaalde belangrijke onderdelen van de verklaring van het slachtoffer worden bevestigd door de verklaring van de verdachte, levert de verklaring van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank sterk steunbewijs op.
2. De verklaring van de moeder van het slachtoffer
Verder ziet de rechtbank steun voor de verklaring van het slachtoffer in de verklaring van de moeder van het slachtoffer bij de eerste melding en in diens aangifte. De moeder van het slachtoffer heeft bij de eerste melding aan de politie verklaard dat haar dochter al een paar weken niet lekker in haar vel zat en emotioneel was, pas na doorvragen had verteld wat er speelde maar dat zij niet wist of haar dochter alles verteld had omdat [slachtoffer] steeds te emotioneel was. De politieagenten zagen het slachtoffer emotioneel op de bank zitten toen zij na die melding van de moeder bij de woning arriveerden. In de aangifte heeft de moeder van het slachtoffer verklaard dat haar dochter, het slachtoffer, niet meer naar de woning van de verdachte wilde. Zij verzon steeds smoesjes. De moeder heeft ook verklaard dat zij het slachtoffer huilend in bed aantrof en dat het slachtoffer toen aangaf dat zij het niet mocht vertellen en dat zij bang was dat de verdachte haar en haar gezin iets aan zou doen. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de waarnemingen over de angstige en emotionele toestand van het slachtoffer waarover haar moeder heeft verklaard ook steunbewijs op.
Conclusie
Op grond van de betrouwbaar geachte verklaring van het slachtoffer die op onderdelen voldoende steun vindt in de hierboven genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierna vermeld, bewezen kan worden verklaard.
Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte haar meermaals op haar benen, borsten en vagina aanraakte. Zij vertelde ook dat zij zijn handen weghaalde, hem probeerde weg te duwen en ‘nee’ zei. Door het slachtoffer desondanks op verschillende momenten onverwacht (‘onverhoeds’) aan te raken op benen, borsten en vagina, is de aanranding gepaard gegaan met dwang als bedoeld in artikel 249 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het slachtoffer heeft ook verklaard dat de verdachte tegen haar zei dat zij en haar familie in de problemen zouden komen als zij iemand iets zou vertellen. Door dergelijke dingen te zeggen tegen een zeer jong meisje (net tien jaar), terwijl er tussen haar en verdachte sprake was van een vertrouwensband en een afhankelijkheidsrelatie, heeft de verdachte het slachtoffer onder druk gezet om de aanranding door verdachte voor zich te houden. Hij heeft daarmee een bedreigende sfeer doen ontstaan.
Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van de strafverzwarende omstandigheden dwang en bedreiging. Het subsidiair ten laste gelegde feit is dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
subsidiairhij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2025 tot en met 8 mei 2025 te Den Helder met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het meermalen, althans eenmaal, (over de kleding heen) aanraken van en/of wrijven over de benen, de borsten, en het onderlichaam en de vagina van die [slachtoffer],
welke aanranding werd vergezeld van dwang en gevolgd door bedreiging, door
- het meermalen, althans eenmaal, onverhoeds (over de kleding heen) aanraken van en/of wrijven over de benen, de borsten, het onderlichaam en de vagina van die [slachtoffer] en
- het tegen die [slachtoffer] zeggen; "Als je iets zegt dan ga je in de problemen komen en doe ik wat met je vader en moeder", althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en
- aldus voor die [slachtoffer] een zodanig bedreigende en overweldigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen van verdachte kon onttrekken en durfde te onttrekken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren vergezeld van of gevolgd door dwang en bedreiging, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 4 september 2025, te worden verbonden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om gelet op de leeftijd en de gezondheid van de verdachte te volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en waarbij aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Ten aanzien van de formulering van de bijzondere voorwaarden heeft de raadsman om een aantal aanpassingen verzocht, namelijk om (i) de meldplicht bij de reclassering op de locatie in Den Helder te laten plaatsvinden, (ii) het locatieverbod te beperken tot een gedeelte van Den Helder zodat de verdachte na zijn detentie (tijdelijk) bij zijn zoon in Den Helder kan wonen, (iii) de voorwaarde ten aanzien van het vermijden van contact met minderjarigen te herformuleren zodat de verdachte wel contact met zijn kleinkinderen kan hebben zonder dat hierbij een volwassen persoon aanwezig is en (iv) de bijzondere voorwaarden alleen te laten gelden als de verdachte in Nederland is gelet op de wens van de verdachte om te emigreren naar het buitenland.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte, toen 82 jaar oud, heeft in een periode van ruim vier maanden zijn buurmeisje meermalen aangerand. In die periode was zij eerst negen en later tien jaar oud. De seksuele handelingen bestonden uit het onverhoeds aanraken van het slachtoffer op haar benen, borsten, onderlichaam en haar vagina. Hierbij heeft de verdachte gedreigd haar en haar ouders in de problemen te brengen als zij het aan iemand zou vertellen. Dit is een schokkend en ernstig strafbaar feit. De handelingen hebben plaatsgevonden in het huis van de verdachte, waar het slachtoffer vaak over de vloer kwam omdat zij bij hem in de straat woonde en de verdachte als een grootvader zag. Het huis van de verdachte was dan ook een plek waar het slachtoffer zich veilig had moeten voelen. Het slachtoffer en haar ouders vertrouwden erop dat het slachtoffer in goede handen was bij de verdachte. Dit vertrouwen heeft de verdachte op grove wijze beschaamd. De verdachte heeft met deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat misbruik van jonge kinderen hun seksuele ontwikkeling kan verstoren en dat zij nog lange tijd op diverse vlakken ernstige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. Uit de slachtofferverklaring die de moeder van het slachtoffer op de zitting heeft voorgelezen blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De moeder van het slachtoffer heeft verteld dat het slachtoffer is veranderd van een levendig, vrolijk en zelfverzekerd meisje naar een angstig, gespannen en voortdurend bedroefd kind. Zij heeft veel last van nachtmerries en staat onder behandeling bij een psycholoog. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft verder gekeken naar de rapporten van de reclassering van 6 juni 2025 en 4 september 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De reclassering ziet mogelijkheden voor uitvoering van een reclasseringstoezicht. Binnen het toezicht zou de verdachte aangemeld kunnen worden voor een ambulante forensische behandeling waardoor er nader onderzocht kan worden hoe het delict tot stand is gekomen, welke risicofactoren hieraan ten grondslag liggen en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling, (iii) begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (iv) een contactverbod met het slachtoffer,
(v) een locatieverbod (zonder elektronische monitoring) en (vi) de verplichting om zoveel als mogelijk contact te vermijden met minderjarigen.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit de oplegging van een gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van de straf in strafmatigende zin enigszins rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Detentie is voor de verdachte, gelet op zijn leeftijd en zijn gezondheidsklachten, zwaarder dan voor een jonger iemand in goede gezondheid. De verdachte kan niet meer terug naar zijn woning in Den Helder en de rechtbank begrijpt dat een groot deel van zijn netwerk zich tegen hem heeft afgekeerd. De rechtbank zal, rekening houdend met het voorgaande, aan de verdachte een lagere onvoorwaardelijke straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van achttien maanden moet worden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De rechtbank zal de formulering van het locatieverbod aanpassen, in die zin dat het locatieverbod niet zal worden opgelegd voor de hele gemeente Den Helder maar voor het gebied begrensd door de straten die hierna in dit vonnis worden opgesomd. Op deze manier kan de verdachte na zijn detentie (tijdelijk ter overbrugging) bij zijn zoon wonen of in de nachtopvang verblijven, zonder dat hij zich begeeft in de directe leefomgeving van het slachtoffer. Met betrekking tot de emigratiewens van de verdachte merkt de rechtbank op dat het bij aanvang van het reclasseringstoezicht aan de reclassering is om te beoordelen in hoeverre deze mogelijke emigratie verenigbaar is met de opgelegde bijzondere voorwaarden.
6.4
Voorlopige hechtenis
Namens de verdachte is verzocht om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis, omdat de gronden die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid niet (meer) aanwezig zijn.
De rechtbank zal dat verzoek afwijzen. Uit de bewezenverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur volgt dat de rechtbank nog immer ernstige bezwaren en daarnaast ook de twaalfjaarsgrond en de geschokte rechtsorde aanwezig acht. Daarnaast is ook nog sprake van herhalingsgevaar mede gelet op het feit dat de verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven over waarom hij tot het plegen van het strafbare feit is overgegaan en er ook nog geen behandeling is gestart.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 2.591,34 wegens materiële en immateriële schade die zij
als gevolg van het subsidiair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit € 91,34,- aan materiële schade (te weten een vergoeding van de reiskosten) en € 2.500,- aan immateriële schade.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gezegd geen opmerkingen te hebben over de vordering van de benadeelde partij.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Deze schade komt op grond van artikel 6:95 en 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor vergoeding in aanmerking. Deze vordering is door de verdediging niet betwist en komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, en zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
Met betrekking tot de gestelde immateriële schade acht de rechtbank het op grond van het strafdossier, de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding en hetgeen namens de benadeelde partij ter zitting is aangevoerd voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Deze schade komt op grond van artikel 6:106 onder b BW voor vergoeding in aanmerking. De verdediging heeft het gevorderde bedrag ter grootte van € 2.500,- niet betwist. Dit bedrag komt de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde handelen en gelet op de schadevergoedingen die in andere – tot op zekere hoogte vergelijkbare - strafzaken zijn toegekend billijk voor, en zal daarom worden toegewezen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van
€ 2.591,34 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren vergezeld van dwang en gevolgd door bedreiging, meermalen gepleegd) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 14a, 14b, 14c, 36f en 249 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 [achttien] maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
6 [zes] maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 [drie] jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich binnen vijf werkdagen na het einde van zijn detentie meldt bij Reclassering
Nederland, op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar of op een andere (spreek)locatie, afhankelijk van zijn toekomstige verblijfplaats en in overleg met de reclassering. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door de forensische poli van GGZ Noord-Holland Noord of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke
opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • zich niet in het gebied begrensd door de Middenweg, de Boerhaavestraat, de Anemonenstraat en het Helders Kanaal in de gemeente Den Helder zal begeven, deze straten daaronder begrepen, en daarnaast niet in de Albert Heijn aan de Meeuwenstraat 2 in de gemeente Den Helder, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • op geen enkele wijze contact heeft en zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de verdachte dat hierbij een volwassen persoon, bij voorkeur de ouder of verzorgende van de minderjarige, aanwezig is.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Vordering benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.591,34, bestaande uit € 91,34 als vergoeding voor de materiële en € 2.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.591,34, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mr. J.O. Rutten en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2025.