Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met 21 producties;
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Voorafgaande aan de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van [eiseres] :- de producties 6 tot en met 14;
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
3.Het geschil
(i) de tussen partijen gesloten overeenkomst die is neergelegd in de aktenummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , ontbindt met ingang van 1 januari 2024;
(ii) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 11.790,00, te vermeerderen met rente en kosten.
4.De beoordeling
Ook gaat de rechtbank voorbij aan de twijfels die [gedaagde] heeft over de uit de stukken blijkende vermogensafname van [eiseres] in de periode 2022/ 2023 [4] . [eiseres] is middels een op zichzelf niet onbegrijpelijke schriftelijke verklaring van [zoon] [5] ingegaan op de door [gedaagde] geuite twijfels en gestelde vragen. Daarbij komt dat de redenen voor de vermogensafname afname op zichzelf niet afdoen aan de feitelijke financiële situatie waar [eiseres] zich met ingang van januari 2024 in bevindt. Deze feitelijke financiële situatie, samengevat een banksaldo van € 144.639,00 tegenover een totale jaarlijkse rentelast van € 55.9804,90 per jaar, vormt de grondslag voor de gevorderde ontbinding.
Voor het overige heeft [gedaagde] geen feiten en omstandigheden aangedragen die meebrengen dat de vermogensafname in de periode 2022/2023 voor risico van [eiseres] dient te komen. Dit terwijl, naar is gebleken, [gedaagde] tot 2021 inzicht had in de financiën van [eiseres] .
Aldus is sprake van een door partijen onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6: 258 lid 1 BW.
Ongewijzigde instandhouding van de renteverplichting is voor [eiseres] niet op te brengen (zonder wijziging van levensstijl of aangaan van andere financiële verplichtingen) en zal daarom in de toekomst leiden tot een onaanvaardbare situatie.
4.19. Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] geen ongewijzigde instandhouding van de samenhangende schenking- en leenovereenkomsten kan verwachten.
Voor het overige heeft [gedaagde] zijn stelling dat de rentebetalingen een structureel onderdeel van zijn begroting vormen onvoldoende concreet gemaakt.