ECLI:NL:RBNHO:2025:15587

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/15/368464 / FA RK 25-4108
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezag in een zaak van huiselijk geweld en intieme terreur

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot wijziging van het gezag over de minderjarige kinderen van partijen, waarbij de moeder het eenhoofdig gezag heeft verzocht. De moeder heeft aangevoerd dat er sprake is van een onveilige situatie door huiselijk geweld en intieme terreur van de vader, wat de kinderen in gevaar zou brengen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader een strafrechtelijke veroordeling heeft wegens stalking en dat er sterke aanwijzingen zijn voor intieme terreur. De moeder en kinderen verblijven op een geheim adres, en de vader heeft sinds mei 2024 geen contact meer met hen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de kinderen is en heeft de moeder met het eenhoofdig gezag belast. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar relevante artikelen van het IVRK en het Verdrag van Istanbul, die de bescherming van de kinderen en de moeder waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/368464 / FA RK 25-4108
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 19 december 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.M. Sent, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de vader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met bijlagen, van de moeder van 11 augustus 2025;
- het bericht van de vader van 13 augustus 2025;
- het bericht van de vader van 19 augustus 2025;
- de brief, van de advocaat van de moeder van 19 augustus 2025;
- de berichten van de vader van 21 augustus 2025;
- de berichten van de vader van 24 september 2025;
- de brief, van de advocaat van de moeder van 24 september 2025;
- het F-formulier van de advocaat van de moeder, met bijlagen van 8 december 2025;
- het bericht van de vader van 8 december 2025.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025 om 9.00 uur en 12.20 uur.
Om 9.00 uur waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat, middels een digitale beeld- en geluidsverbinding.
Om 12.20 uur waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder, middels een digitale beeld- en geluidsverbinding.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
-
[de minderjarige 1] ,geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
-
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
-
[de minderjarige 3] ,geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
De vader heeft de kinderen erkend.
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.
De kinderen wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek van de moeder strekt tot wijziging van het gezag over de kinderen, in die zin dat voortaan het gezag over de kinderen alleen aan haar toekomt.
3.2.
De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat het niet langer in het belang van de kinderen is dat het gezamenlijk gezag blijft voortduren. Er is sprake geweest van een verleden met huiselijk geweld, waarvan de kinderen getuige zijn geweest. Veilig Thuis heeft na onderzoek in 2024 geconstateerd dat er veel signalen van intieme terreur zijn. De vader heeft een contactverbod en de moeder en de kinderen verblijven op een voor de vader geheim adres. Het laatste contact tussen de kinderen en de vader heeft plaatsgevonden in mei 2024. De moeder vreest dat de vereiste toestemming van de vader voor onder meer medische behandelingen of inschrijving op scholen bij het voortduren van gezamenlijk gezag, de vader in staat kan stellen om het geheime adres te achterhalen. De vader heeft in het verleden en heden op diverse manieren laten zien dat hij het niet schuwt om derden onder druk te zetten om informatie te krijgen en heeft zich herhaaldelijk intimiderend en dreigend uitgelaten tegenover instanties en de advocaat van de moeder.
Daarbij komt dat elk contact met de vader bij de moeder een enorme trigger is voor haar emotionele gesteldheid. Het is door het manipulatieve en onberekenbare gedrag van de vader onmogelijk om tussen de ouders zelfs maar een geringe vorm van veilige en betrouwbare samenwerking en communicatie over de kinderen te kunnen bereiken. Bij dit alles komt dat de kinderen klem raken, omdat het geweld waarvan ook zij getuige zijn geweest, onmiskenbaar afkomstig is van alleen de vader.
Hoewel het de moeder tot op heden mede dankzij hulpverlening gelukt is om dringende en noodzakelijke gezagshandelingen te verrichten, is dit niet de wijze waarop dit behoort te gaan en plaatst dit hulpverleners mogelijk voor een dilemma. Zij laat bovendien niet dringende zaken zoals een tandartsbezoek van de kinderen nu achterwege omdat ze daarvoor toestemming van de vader moet vragen.
In de beschikking van 20 juni 2025, waarin het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen is afgewezen, heeft de kinderrechter de beschikking afgesloten met de verwachting dat door beide ouders spoedig een procedure tot eenhoofdig gezag zal worden ingezet. De vader heeft toen ook aan de rechtbank te kennen gegeven dat hij afstand wenst te doen van het gezag. De moeder meent dat de vader deze uitspraak heeft gedaan met een manipulatief doeleinde, nu hij in deze procedure kenbaar heeft gemaakt dat hij niet van plan is afstand te doen van zijn gezag.
De moeder baseert haar verzoek niet alleen op nationale wetgeving. Volgens de moeder nopen ook artikel 3 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en artikel 31 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul) tot toewijzing van haar verzoek om met het eenhoofdig gezag over de kinderen te worden belast.

4.Verweer

4.1.
De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De vader betwist dat er sprake is geweest van intieme terreur. Hij stelt dat zijn strafrechtelijke veroordeling onterecht is geweest en dat het bewijs achteraf is geconstrueerd. Hij is tegen de uitspraak in hoger beroep gegaan. Als gevolg hiervan heeft hij geen contact meer met zijn kinderen. De moeder heeft toegezegd het contact tussen de kinderen en de vader te herstellen via hulpverlening in het vrijwillige kader. Deze toezegging is zij echter niet nagekomen. Ook betrokken instanties, zoals Veilig Thuis, hebben aangegeven dat het contact tussen de vader en de kinderen hersteld moet worden. De moeder beweert dat de kinderen klem zitten, maar de Raad noch Veilig Thuis hebben aangegeven dat de kinderen klem geraken.
De vader erkent dat hij tijdens de zitting van 20 juni 2025 heeft verklaard afstand te willen doen van het gezag. Dat heeft hij verklaard omdat de moeder niet wilde dat er een ondertoezichtstelling kwam, hij haar ter wille wilde zijn en hij het juridische spel doorziet. Hij wilde ook niet meewerken aan begeleide omgang, omdat er dan opnieuw onderzoek moest plaatsvinden en de moeder al had toegezegd dat de omgang in het vrijwillige kader zou worden opgestart.
De vader vraagt de rechtbank het verzoek van de moeder af te wijzen. Het gezag is het laatste aanknopingspunt met zijn kinderen dat hij nog heeft. De vader vreest dat wanneer hij geen gezag meer heeft, hij zijn kinderen nooit meer zal zien.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de eerste overweging.
5.2.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
Op grond van artikel 31, tweede lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.4.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.5.
Niet in geschil is dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW. De ouders zijn uit elkaar sinds de moeder in mei 2024 met de kinderen de gezamenlijke woning is ontvlucht. Daarna heeft de vader de kinderen niet meer gezien.
5.6.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders.
5.7.
De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader belast blijft met het gezag over hen en overweegt hiertoe als volgt.
5.8.
Op de zitting van 20 juni 2025 heeft de vader tegenover de kinderrechter verklaard afstand te nemen van het gezin en een procedure te zullen gaan starten tot beëindiging van zijn gezag. Hij heeft daarbij gesteld dat daarmee de grondslag voor de ondertoezichtstelling kwam te vervallen, omdat hij door de Raad als de bedreiging voor de kinderen was aangemerkt. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de vader zich nu op het standpunt stelt dat hij de uitspraken op de vorige zitting enkel heeft gedaan om te voorkomen dat de kinderrechter een ondertoezichtstelling zou uitspreken.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat de kinderrechter in de beschikking van 20 juni 2025 het verzoek tot ondertoezichtstelling om twee redenen heeft afgewezen. In de eerste plaats omdat een ondertoezichtstelling gericht zou moeten zijn op het tot stand brengen van contactherstel tussen de vader en de kinderen en de vader verklaarde niet mee te zullen werken aan contactherstel onder begeleiding of enige vorm van hulpverlening. In de tweede plaats omdat de vader volgens het rapport van de Raad (van 27 mei 2025) de bedreiging vormde en de vader heeft aangegeven zich te zullen terugtrekken door een verzoek tot beëindiging van zijn gezag in te dienen en geen contact meer te zoeken met de moeder en de kinderen.
5.10.
Voor de rechtbank vormen het nu gewijzigde standpunt van de vader, zijn ontkenning van de in het Raadsrapport beschreven gebeurtenissen en zijn bewering dat hij ten onrechte strafrechtelijk is veroordeeld geen aanleiding om te twijfelen aan de rapporten van professionele instanties. Op basis van het rapport van de Raad van 27 mei 2025 en het rapport van Veilig Thuis van 26 juli 2024 gaat de rechtbank ervan uit dat de kinderen in een onveilige thuissituatie zijn verbleven en getuige zijn geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder. Ook gaat de rechtbank mee in de conclusies van de Raad en Veilig Thuis dat er sterke aanwijzingen zijn voor intieme terreur vanuit de vader naar de moeder, waardoor de veiligheidsrisico’s voor de moeder en de kinderen als hoog worden ingeschat. Dat de vader in juni heeft verklaard afstand te willen nemen van de moeder en de kinderen en nu zijn rol als vader van de kinderen weer wil gaan invullen, versterkt voor de rechtbank het beeld dat er sprake is van intieme terreur. De vader heeft zich tijdens de zitting dwingend opgesteld, zijn emoties zo nu en dan de vrije loop gelaten en soms letterlijk schuimbekkend zijn verhaal gedaan. Ook dat draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van de stelling van de vader dat er door de professionele instanties een onjuist beeld van hem is geschetst. De omstandigheid dat de vader hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn strafrechtelijke veroordeling wegens stalking, neemt niet weg dat er op dit moment een veroordeling ligt omdat de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen heeft geacht.
5.11.
Op dit moment verblijven de moeder en de kinderen nog steeds op een voor de vader geheim adres, waarbij zij hebben moeten verhuizen vanaf het eerste schuiladres nadat de vader de moeder had opgezocht. In dat kader wordt vermoed dat de vader de locatie van de moeder heeft achterhaald door een GPS-tracker onder de auto van de grootouders van moederszijde te plaatsen. De vader heeft sinds mei 2024 geen contact meer gehad met de kinderen. Afgaande op het Raadsrapport is er vanwege de veiligheidsrisico’s geen contact tussen de ouders mogelijk. Daarnaast geldt er op grond van de strafrechtelijke veroordeling een verbod voor de vader om contact te hebben met de moeder.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de moeder kan worden gevergd dat zij voor het nemen van gezagsbeslissingen met de vader in overleg treedt. De vrees van de moeder dat er bij het voortduren van het gezamenlijk gezag risico’s zijn dat haar geheime adres opnieuw bij de vader bekend wordt, is terecht. Daarnaast is het voor de vader ook niet mogelijk om beslissingen in het belang van de kinderen te nemen, doordat hij al langere tijd geen contact heeft met de kinderen. Hij is niet op de hoogte van wat er speelt in hun leven en wat de behoeften zijn van de kinderen. Hierdoor ontbreekt de minimaal noodzakelijke basis voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag.
5.13.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het, mede gelet op artikel 3 van het IVRK en artikel 31 van het Verdrag van Istanbul, in het belang van kinderen noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder overeenkomstig haar verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast. Daarbij overweegt de rechtbank op dat het beslissen over de gezagsituatie van de kinderen valt onder de term ‘voogdij’ van artikel 31 van het Verdrag van Istanbul.
5.14.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het de moeder siert dat zij voor de kinderen nog steeds wenst dat de kinderen ooit weer contact kunnen hebben met hun vader. Daarvoor is de tijd echter voorlopig nog niet rijp.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen
[de minderjarigen]:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [gemeente] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [gemeente] ,
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [gemeente] ,
wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarigen toekomt;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.