In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over haar minderjarige kind, dat in een gezinshuis verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot voogd te benoemen. De rechtbank heeft de procedure met gesloten deuren behandeld, waarbij de moeder, haar advocaat, de Raad en de GI aanwezig waren. De moeder heeft in het verleden het ouderlijk gezag over het kind gehad, maar er zijn zorgen over haar vermogen om een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het perspectief van het kind momenteel bij de gezinshuisouders ligt en dat de moeder, ondanks haar wensen, niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er geen noodzaak is om het gezag van de moeder te beëindigen, omdat er geen actuele bedreiging voor de ontwikkeling van het kind is aangetoond. De samenwerking tussen de moeder en de gezinshuisouders verloopt redelijk, en het kind heeft een goede hechting met de gezinshuisouders. De rechtbank heeft het verzoek van de Raad afgewezen en ook het verzoek van de moeder om een uitgebreidere zorgregeling is afgewezen. De rechtbank benadrukt dat de GI verantwoordelijk blijft voor de zorg en dat de moeder haar rol op afstand kan blijven vervullen.