Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:15590

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11530541 \ CV EXPL 25-719
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:233 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging incassokostenbeding en toewijzing hoofdsom en rente in incassoprocedure

In deze incassoprocedure heeft de kantonrechter ambtshalve het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden van de eisende partij getoetst. De eisende partij stelde dat het beding geen incassokostenbeding betrof, maar een reguliere aanmaning. Dit verweer werd verworpen omdat het beding toch afweek van de wettelijke regeling in artikel 6:96 BW Pro, waardoor het onredelijk bezwarend en daarmee oneerlijk was.

De kantonrechter oordeelde dat het niet relevant is of de eisende partij het beding in de praktijk toepast, maar dat de beoordeling plaatsvindt op het moment van het aangaan van de overeenkomst en op de mogelijke toepassing van het beding. Daarom werden de artikelen 3.10 en 3.11 van de algemene voorwaarden vernietigd voor zover zij buitengerechtelijke incassokosten betroffen.

Het rentebeding in artikel 3.11 werd wel getoetst en niet oneerlijk bevonden. De gevorderde hoofdsom en rente werden toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond waren. De reeds door de gedaagde betaalde €70,00 werd in mindering gebracht op de rente en hoofdsom, zodat een bedrag van €73,48 werd toegewezen.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 januari 2025, en tot betaling van proceskosten. De kosten van de akte bleven voor rekening van de eisende partij omdat het op haar initiatief was opgesteld. De veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Incassokostenbeding vernietigd, hoofdsom en rente toegewezen, incassokosten afgewezen, gedaagde veroordeeld tot betaling van €73,48 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11530541 \ CV EXPL 25-719
Uitspraakdatum: 24 december 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep
te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: Van Houwelingen & Partners Gerechtsdeurwaarders & Incasso
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 3 september 2025 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het in dat tussenvonnis gegeven voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De eisende partij stelt zich in de akte op het standpunt dat geen sprake is van een incassokostenbeding. Zij stelt dat de in het artikel genoemde ‘betalingsherinnering’ niet de veertiendagenbrief, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW Pro, betreft, maar een reguliere aanmaning.
2.2.
Dit betoog slaagt niet. Ook als de term ‘betalingsherinnering’ moet worden gelezen als een reguliere aanmaning, is sprake van een incassokostenbeding. Bovendien wijkt het beding dan alsnog ten nadele van de consument af van het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro. In dat geval biedt tekst van het beding de eisende partij namelijk de mogelijkheid om na een aanmaning al incassokosten in rekening te brengen, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd zijn. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de richtlijn. Ook in dat geval is het beding dus oneerlijk.
2.3.
Dat de eisende partij, zoals zij stelt, nooit uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in de artikelen 3.10 en 3.11 van de algemene voorwaarden, doet aan het voorgaande ook niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is namelijk voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van algemene voorwaarden niet relevant. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast.
2.4.
De kantonrechter ziet al met al geen reden om nu anders over de oneerlijkheid van de artikelen 3.10 en 3.11 van de algemene voorwaarden te denken en vernietigt deze bedingen, voor zover deze de buitengerechtelijke incassokosten betreffen. Daarom worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.5.
Artikel 3.11 van de algemene voorwaarden bevat ook een rentebeding. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.6.
De gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen.
2.7.
De gedaagde partij heeft reeds een bedrag van € 70,00 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW Pro en wat hiervoor is overwogen, eerst in mindering op de verschenen rente (€ 22,60) en de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van
€ 73,48 zal worden toegewezen.
Conclusie en proceskosten
2.8.
De vordering wordt (grotendeels) toegewezen.
2.9.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 73,48, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 146,13;
griffierecht € 135,00;
salaris gemachtigde € 40,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter