ECLI:NL:RBNHO:2025:15614

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
15/057970-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Valse opgave in hypotheekakte en witwassen van opbrengsten uit misdrijf

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die een hypotheek heeft aangevraagd met valse opgaven. De verdachte heeft verklaard dat hij zelf in het aan te kopen pand zou gaan wonen, terwijl het pand in werkelijkheid als beleggingspand was aangekocht en steeds verhuurd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte valse opgaven heeft gedaan in een authentieke akte, wat heeft geleid tot bewezenverklaring van valsheid in geschrifte en witwassen. De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 60 uur. De rechtbank heeft overwogen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld door in de hypotheekaanvraag en -akte onjuiste informatie te verstrekken, met als doel een hypothecaire lening te verkrijgen. De rechtbank heeft ook de rol van de verdachte in het witwassen van de huuropbrengsten en de winst uit de verkoop van het pand beoordeeld. De verdachte heeft de feiten erkend, maar heeft aangevoerd dat hij handelde op advies van zijn hypotheekadviseur en notaris. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en de verdachte schuldig bevonden aan de tenlastegelegde feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/057970-23 (P)
Uitspraakdatum: 24 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. D. Sarian, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1hij op of omstreeks 20 maart 2015 te Den Helder, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in nader te noemen authentieke akte, te weten een hypotheekakte, een valse opgave heeft/hebben doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid die akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware deze opgave in overeenstemming met de waarheid, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s), met voornoemd oogmerk in de akte van hypotheek van 20 maart 2015 inzake de [adres 2], opgemaakt door notaris mr. [naam 1], valselijk en in strijd met de waarheid, doen opnemen dat verdachte er jegens schuldeisers voor in staat dat voormeld registergoed geheel en uitsluitend bestemd is en blijft voor eigen gebruik (zelfbewoning) en geheel noch gedeeltelijk is verhuurd;
Feit 2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 november 2014 tot en met 27 november 2014 te Den Helder, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een aanvraag hypotheekofferte en/of een hypotheekofferte, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst, immers heeft/is hij, verdachte, valselijk en in strijd met de waarheid in de aanvraag hypotheekofferte van [hypotheekverstrekker] aangegeven dat de woning aan de [adres 2] voor eigen bewoning is bedoeld en/of bij de ondertekening van de hypotheekofferte van [hypotheekverstrekker] akkoord gegaan met de algemene bepalingen van geldlening en hypotheekstelling waarbij (expliciet) niet is toegestaan het hypothecair verbondene te verhuren, een en ander met het oogmerk dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een anderen te doen gebruiken (teneinde een hypothecaire lening bij [hypotheekverstrekker] te verkrijgen)
Feit 3 primairhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2015 tot en met 5 oktober 2022 , te Den Helder, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 62.650,00 (huuropbrengsten) en/of een geldbedrag van (ongeveer) EUR 52.000,00 (winst uit verkoop) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Feit 3 subsidiairHij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2015 tot en met 5 oktober 2022 , te Den Helder, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 62.650,00 (huuropbrengsten) en/of een geldbedrag van (ongeveer) EUR 52.000,00 (winst uit verkoop) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans
redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Inleiding

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
De verdachte is in 2011 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met medeverdachte [medeverdachte].
Op 10 oktober 2014 heeft de verdachte een appartement gekocht, gelegen aan de [adres 2] (hierna: het pand), voor een bedrag van € 63.000,-. In verband hiermee heeft hypotheekadviesbureau [naam 2] op 25 november 2014 namens de verdachte een hypotheek aangevraagd bij [hypotheekverstrekker] Hypotheken B.V. (hierna: [hypotheekverstrekker]) voor een bedrag van € 65.500,- met Nationale Hypotheek Garantie. In deze aanvraag staat dat het pand bedoeld is voor eigen bewoning.
Als reactie op de aanvraag heeft [hypotheekverstrekker] op 27 november 2014 een hypotheekofferte aan de verdachte verstrekt, die hij op 7 december 2014 heeft ondertekend. Op 20 maart 2015 is het pand via notaris [naam 1] aan de verdachte geleverd. In de leveringsakte van die dag staat dat de koper het pand zal gebruiken als beleggingsobject. In de hypotheekakte van diezelfde dag staat dat het pand bestemd is voor eigen gebruik en niet verhuurd is.
Het pand is steeds verhuurd geweest. Vanaf 30 maart 2015 tot en met 28 augustus 2022 is huur overgemaakt op de gezamenlijke rekening van de verdachte en [medeverdachte] en hebben zij van de huuropbrengsten uitgaven betaald.
In 2022 heeft de verdachte het pand verkocht voor € 115.000,- en op 5 oktober 2022 heeft de bijbehorende levering plaatsgevonden. Op 11 oktober 2022 is het huwelijk tussen de verdachte en [medeverdachte] ontbonden.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1, feit 2 en feit 3 subsidiair. De officier van justitie acht feit 3 subsidiair, en niet feit 3 primair, bewezen omdat sprake is van witwassen van geldbedragen uit eigen misdrijf.
4.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair integrale vrijspraak wegens het ontbreken van opzet bepleit. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De verdachte wilde het pand kopen voor verhuur. Toen de verdachte geen verhuurhypotheek kreeg, heeft zijn hypotheekadviseur tegen hem gezegd dat hij bij de hypotheekaanvraag moest opgeven dat hij zelf in het pand zou gaan wonen en dat dit een creatieve oplossing was. En het was de notaris die in de hypotheekakte ‘eigen bewoning’ en in de leveringsakte ‘beleggingsobject’ heeft opgenomen. De verdachte heeft gehandeld in volledig en gerechtvaardigd vertrouwen op deze professionele partijen.
Subsidiair zou dit moeten leiden tot ontslag van rechtsvervolging.
Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het witwasbedrag € 55.300,- bedraagt, omdat in oktober 2021 de hypotheek van [hypotheekverstrekker] is afgelost en toen een beleggingshypotheek is afgesloten. Vanaf dat moment was dan ook geen sprake meer van oneigenlijk gebruik van het pand.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 primair op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot de bewezenverklaring is gekomen.
Feiten 1 en 2
De verdachte heeft verklaard dat hij in 2014 in overleg met [medeverdachte] het pand wilde kopen als beleggingsobject, een ‘appeltje voor de dorst’ voor later, en dat hij er niet zou gaan wonen. Er zijn namens de verdachte eerst meerdere aanvragen gedaan voor een beleggingshypotheek, dus mét opgave van het feit dat hij het pand ging verhuren, en die zijn steeds afgewezen. Vervolgens heeft de verdachte op 25 november 2014 bij [hypotheekverstrekker] een hypotheekaanvraag ingediend. Een dergelijk aanvraagformulier is bedoeld om gegevens te overleggen op basis waarvan de hypotheekverstrekker kan beoordelen of die wel of niet overgaat tot het verstrekken van een geldlening. De gegevens in de aanvraag moeten daarom naar waarheid worden opgegeven. De verdachte heeft in de aanvraag ingevuld dat hij zelf in het pand zou gaan wonen. Op basis van die informatie is [hypotheekverstrekker] overgegaan tot het verstrekken van een hypotheek aan de verdachte.
Op 20 maart 2015 is de hypotheekakte verleden bij de notaris. In die akte staat dat de verdachte heeft verklaard dat het pand uitsluitend voor eigen gebruik is en blijft en op het moment van aankoop niet is verhuurd en niet verhuurd zal worden. Uit huurovereenkomsten in het dossier blijkt dat het pand al ruim vóór levering aan de verdachte op 20 maart 2015 was verhuurd en nadien ook telkens opnieuw verhuurd is geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hypotheekaanvraag en de hypotheekakte valselijk heeft laten opmaken en dat hij dit opzettelijk heeft gedaan. De verdachte wist immers vanwege de eerder afgewezen aanvragen dat hij de benodigde financiering niet kreeg wanneer hij aangaf dat hij het pand als belegging kocht. Om deze reden heeft hij doelbewust in strijd met de waarheid in de aanvraag en de akte doen opgeven dat hij het pand voor eigen bewoning zou gebruiken.
De rechtbank volgt de raadsman dus niet in het standpunt dat het opzet en het oogmerk niet bewezen kunnen worden, omdat de verdachte volledig heeft vertrouwd op en ook mocht vertrouwen op de betrokken professionele partijen (hypotheekadviseur en notaris). Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat dit vertrouwen afbreuk doet aan de strafbaarheid van de verdachte, zal de rechtbank daar onder 6. op ingaan.
De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging betreffende de hypotheekofferte. De verdachte heeft die offerte namelijk op 7 december 2014 ondertekend – en dus op die datum ingestemd met de algemene bepalingen en verklaard dat hij instaat voor de juistheid van de aangeleverde gegevens – en deze datum valt buiten de tenlastegelegde periode van feit 2, namelijk omstreeks 26 tot en met 27 november 2014.
Feit 3
Zowel de huuropbrengsten als de winst uit de verkoop van het pand in 2022 zijn onmiddellijk afkomstig uit de misdrijven die de rechtbank onder 1 en 2 bewezen verklaart. Immers, zonder het met de valsheid in de hypotheekaanvraag en de valse opgave in de hypotheekakte verwerven van het pand had de verdachte deze gelden niet verworven.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft vertrouwd en mocht vertrouwen op het advies van de hypotheekadviseur en de aktes opgemaakt door de notaris. Voor zover hij hiermee heeft willen betogen dat de verdachte niet wist dat de huur en de overwaarde van het pand afkomstig zijn uit een strafbaar feit, verwerpt de rechtbank dit verweer. Het verweer bestaat namelijk slechts uit de verklaring van de verdachte en wordt niet door enig stuk onderbouwd, terwijl – zoals hierboven uiteengezet – de verdachte in 2014 en 2015 heeft gehandeld met het oogmerk om door valse opgaven het pand en de financiering daarvoor te verkrijgen.
De rechtbank gaat ook voorbij aan het standpunt van de verdediging dat de verdachte hooguit € 55.300,- heeft witgewassen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle huuropbrengsten en de winst uit de verkoop van het pand afkomstig uit de misdrijven die de verdachte heeft begaan om het pand met een hypotheek bij [hypotheekverstrekker] te kunnen kopen. Dat hij die hypotheek in 2021 heeft afgelost doet daar niet aan af.
Dit brengt de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 3 primair, die (kort gezegd) neerkomt op het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen, die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, namelijk:
Feit 1
hij op 20 maart 2015 te Den Helder in een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, een valse opgave heeft doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid die akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware deze opgave in overeenstemming met de waarheid, immers heeft verdachte met voornoemd oogmerk in de akte van hypotheek van 20 maart 2015 inzake de [adres 2], opgemaakt door notaris mr. [naam 1], valselijk en in strijd met de waarheid, doen opnemen dat verdachte er jegens schuldeisers voor in staat dat voormeld registergoed geheel en uitsluitend bestemd is en blijft voor eigen gebruik (zelfbewoning) en geheel noch gedeeltelijk is verhuurd.
Feit 2
hij omstreeks 26 november 2014 in Nederland, een aanvraag hypotheekofferte zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft doen opmaken, immers heeft hij, verdachte, valselijk en in strijd met de waarheid in de aanvraag hypotheekofferte van [hypotheekverstrekker] aangegeven dat de woning aan de [adres 2] voor eigen bewoning is bedoeld, een en ander met het oogmerk dat geschrift als echt en onvervalst te doen gebruiken teneinde een hypothecaire lening bij [hypotheekverstrekker] te verkrijgen.
Feit 3 primairhij in de periode van 20 maart 2015 tot en met 5 oktober 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met één ander, voorwerpen te weten geldbedragen van in totaal EUR 62.650,00 (huuropbrengsten) heeft verworven en voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, wist dat deze voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, en alleen een voorwerp te weten een geldbedrag van EUR 52.000,00 (winst uit verkoop) heeft verworven en voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

5.1
Feiten 1 en 2
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.
feit 2:
valsheid in geschrift.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5.2
Feit 3
De rechtbank heeft, zoals overwogen in de bewijsmotivering bij feit 3, vastgesteld dat de geldbedragen die de verdachte heeft verworven en voorhanden heeft gehad, onmiddellijk afkomstig zijn uit een door hem zelf begaan misdrijf.
Dit brengt mee dat rechtbank vervolgens moet beoordelen of een gedraging van de verdachte kan worden vastgesteld, die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben van de bedragen en die is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het dossier hiervoor geen aanknopingspunten bevat. Dit maakt dat de rechtbank de gedragingen van de verdachte niet kan kwalificeren als witwassen als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Wel kan het in deze zaak bewezenverklaarde (louter) verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen onmiddellijk afkomstig uit een eigen misdrijf sinds 1 januari 2017 worden gekwalificeerd als eenvoudig witwassen als bedoeld in artikel 420bis.1 Sr. De rechtbank is van oordeel dat eenvoudig witwassen onder 3 primair impliciet subsidiair ten laste is gelegd, omdat onder ‘enig’ misdrijf ook een eigen misdrijf kan worden verstaan. Dit leidt de rechtbank de volgende twee conclusies.
Voor wat betreft het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen in de periode van 20 maart 2015 tot 1 januari 2017 zal de rechtbank de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Het onder 3 bewezenverklaarde levert in die periode namelijk geen strafbaar feit, aangezien het niet kan worden gekwalificeerd als witwassen (kwalificatie uitsluitingsgrond) en het voor 1 januari 2017 nog niet strafbaar was gesteld als eenvoudig witwassen.
Voor het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 5 oktober 2022 geldt ook de kwalificatie uitsluitingsgrond voor witwassen, maar in deze periode levert het bewezenverklaarde wel een strafbaar feit op, namelijk:
medeplegen van eenvoudig witwassen en eenvoudig witwassen.
Omdat de rechtbank overigens niet is gebleken van een omstandigheid waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken, verklaart de rechtbank dit feit in zoverre strafbaar.

6.Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat (kort gezegd) de verdachte de adviezen van de hypotheekadviseur en notaris heeft opgevolgd en er dus op mocht vertrouwen dat hij geen strafbaar feit pleegde. Bij de verdachte zou daarmee sprake zijn van afwezigheid van alle schuld.
Zoals in de bewijsoverwegingen onder 4. besproken, gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer, omdat het niet aannemelijk is geworden en afstuit op de inhoud van de bewijsmiddelen. Ook overigens geen is de rechtbank geen omstandigheid gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

7.Motivering van de sanctie

7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren. De tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis moet op de taakstraf in mindering worden gebracht.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht te volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging, dan wel een geheel voorwaardelijke taakstraf. De raadsman vindt dit passend gelet op de rol van de verdachte, het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Indien de rechtbank van oordeel is dat een onvoorwaardelijke sanctie moet worden opgelegd, dan verzoekt de raadsman om te volstaan met een taakstraf.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, valse opgave doen opnemen in een hypotheekakte en het medeplegen van eenvoudig witwassen. De verdachte heeft ter verkrijging van de hypothecaire geldlening voor een pand bij de hypotheekaanvraag in strijd met de waarheid opgegeven dat hij zelf in het pand zou gaan wonen. Aan de verdachte is vervolgens een hypotheek verstrekt en door middel van deze geldlening heeft de verdachte het pand geleverd gekregen. De verdachte heeft nooit de intentie gehad om zelf in het pand te gaan wonen, maar heeft het pand aangekocht als beleggingspand. De verdachte heeft het pand continu verhuurd. De verdachte heeft tenslotte, samen met [medeverdachte], de huuropbrengsten en de winst uit de verkoop van het pand witgewassen.
Dit betreffen ernstige feiten, omdat ze de integriteit van het financieel en economisch verkeer aantasten en het reguliere handels- en betalingsverkeer ondermijnen. Meer specifiek geldt dat in het economische verkeer hypothecaire geldleningen een belangrijke rol spelen. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van aanvragen is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming alsook van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker die ervan uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt. Ook door het witwassen van crimineel vermogen wordt de legale economie aangetast. De rechtbank rekent de verdachte de feiten dan ook zwaar aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 3 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op wat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden.
Tussenconclusie van de rechtbank
De ernst van de feiten maakt dat deze zaak in beginsel niet kan worden afgedaan op een andere wijze dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank betrekt hierbij dat deze strafmodaliteit in vergelijkbare zaken doorgaans wordt toegepast.
Redelijke termijn
In deze zaak heeft het echter lang geduurd voor de rechtbank vonnis wijst. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat een strafzaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat de overheid tegen de verdachte een handeling verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt de aanvangsdatum van de redelijke termijn in deze zaak op 13 februari 2023, de datum van het eerste verhoor en de inverzekeringstelling van de verdachte. Omdat het eindvonnis op 24 december 2025 wordt gewezen en geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de termijn van twee jaren overschreden met ruim tien maanden.
Ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de gevangenisstraf daarom niet onvoorwaardelijk, maar geheel voorwaardelijk opleggen en zal zij daarnaast een taakstraf opleggen.
Eindconclusie van de rechtbank
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden is, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf van 60 uren opgelegd met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 227 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5.1 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Bepaalt dat het onder 3 bewezen verklaarde feit voor de periode 1 januari 2017 tot en met 5 oktober 2022 het hierboven onder 5.2 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 3 voor de periode van 20 maart 2015 tot en met 31 december 2016 geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
vier maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
60 uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. I.E. Voorberg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2025.
Bijlage 1: de bewijsmiddelen