ECLI:NL:RBNHO:2025:15615

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
15/272815-19
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak primair diefstal, subsidiair verduistering in dienstbetrekking; veroordeling voor verduistering in dienstbetrekking en meermalen tot valsheid in geschrift

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrift. De verdachte, werkzaam als Finance Manager, werd ervan beschuldigd een geldbedrag van € 5.000,- te hebben verduisterd dat hij onder zich had in het kader van zijn werkzaamheden. Daarnaast werd hij beschuldigd van het valselijk opmaken van facturen en een arbeidsovereenkomst. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal en subsidiair verduistering in dienstbetrekking bij [slachtoffer 3] B.V., omdat de aangifte niet voldoende werd ondersteund door ander bewijs. Echter, de rechtbank achtte de verdachte wel schuldig aan de andere ten laste gelegde feiten, waaronder de verduistering van het geldbedrag en het valselijk opmaken van documenten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte door zijn handelen aanzienlijke schade had toegebracht aan de betrokken bedrijven en dat hij misbruik had gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, die eerder voor fraudedelicten was veroordeeld. De rechtbank verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen, omdat de schade niet voldoende was onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/272815-19 (P)
Uitspraakdatum: 12 november 2025
Tegenspraak, artikel 279 Sv
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. D. Sarian en van wat de raadsman van de verdachte,
mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 09 september 2019 tot en met 21 september 2019 te Hoofddorp, althans in Nederland opzettelijk € 5000,=, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 1] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als Finance Manager, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 20 juni 2019 tot en met 14 augustus 2019 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op briefpapier van en/of door gebruikmaking van het logo van [slachtoffer 2] B.V. een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd (gedateerd 24 november 2011) tussen hem, verdachte, en/of [slachtoffer 2] op te stellen als ware deze echt en onvervalst en/of voor de werkgever en/of de werknemer te ondertekenen, terwijl er tussen hem, verdachte, en/of het bedrijf [slachtoffer 2] B.V. geen arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd was afgesloten, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3.
primairhij op of omstreeks 3 juni 2019 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer een autosleutel van een leaseauto (Ford Mondeo, gekentekend [kenteken]) en/of een/het (bij die leaseauto behorende) kentekenbewijs en/of een tankpas, in elk geval een of meerdere goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer 3] BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het/zie zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiairhij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 3 juni 2019 tot en met 16 juni 2019 te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een autosleutel van een leaseauto (Ford Mondeo, gekentekend [kenteken]) en/of een/het (bij die leaseauto behorende) kentekenbewijs en/of een tankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 3] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als Finance Manager, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
4.
hij op of omstreeks 24 mei 2019 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een factuur, in rekening gebracht bij [naam 1] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op die factuur, als ware deze echt en onvervalst, een of meerdere bedrijfsgegeven(s) van [slachtoffer 4] B.V. te vermelden, te weten het (oude) logo en/of het BTW-nummer en/of het Kamer van Koophandel-nummer in combinatie met een bankrekeningnummer op naam van hem, verdachte, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
5.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 juni 2019 tot en met 10 september 2019 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland meerdere malen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meerdere factu(u)r(en) in rekening gebracht bij [slachtoffer 2] (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door (telkens) op die factu(u)r(en), als ware(n) deze echt en onvervalst, (telkens) een of meerdere bedrijfsgegeven(s) van [naam 2] te vermelden, te weten het BTW-nummer en/of het Kamer van Koophandel-nummer, in combinatie met een bankrekeningnummer op naam van [naam 3], (telkens) met het oogmerk om het/deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feit 3 (primair diefstal, subsidiair verduistering in dienstbetrekking bij [slachtoffer 3] BV)Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe dat de aangifte van [aangever] namens [slachtoffer 3] niet wordt ondersteund door overig bewijs. De door de aangever bij de aangifte gevoegde WhatsApp-gesprekken zijn onvoldoende om als ondersteunend bewijs te kunnen dienen, omdat die gesprekken van dezelfde bron komen. De overgelegde gesprekken bevatten immers alleen berichten van de kant van aangever waarin wordt gesproken over de vermiste autosleutel, kentekenbewijs en tankpas.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.3
Bewijsoverweging feit 1 (verduistering in dienstbetrekking bij [slachtoffer 1] B.V.)
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte een geldbedrag ter hoogte van € 5.000,- heeft verduisterd. De verklaring van aangever vindt onvoldoende steun in het dossier. Bovendien heeft de aangever niet consistent verklaard en is zijn verklaring tegenstrijdig met de verklaring van getuige [naam 4]. De verdachte moet daarom vrijgesproken worden.
De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer en overweegt als volgt. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] B.V. volgt dat de verdachte op 13 september 2019 een geldbedrag van
€ 5.000,- heeft meegekregen van aangever om af te storten bij de bank. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 8 november 2019 verklaard dat hij € 3.000,- van het totale geldbedrag van € 5.000,- heeft afgestort bij de bank en dat de bankpas toen werd ingeslikt. Ten aanzien van de overige € 2.000,- heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Uit de verklaring van de verdachte kan worden opgemaakt dat hij bevestigt dat hij € 5000,- van aangever heeft meegekregen en is in zoverre bekennend. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij daarvan € 3.000,- zou hebben afgestort bij de bank is naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig, omdat uit de bankafschriften volgt dat er op 13 september 2019 geen storting is geregistreerd van een contant geldbedrag. De rechtbank ziet ook verder geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de aangever dat hij een contant geldbedrag ter hoogte van € 5.000,- heeft meegegeven aan de verdachte. Aangevers verklaring wordt deels ondersteund door de getuigenverklaring van [naam 5], die zegt dat hij heeft gezien dat de verdachte een envelop met daarin contant geld kreeg van aangever om dit af te storten bij de bank. Dat getuige [naam 4] heeft verklaard dat hij de verdachte na de vermeende storting nog heeft gezien met een envelop met geld in zijn hand doet aan het voorgaande niets af.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij in de periode van 09 september 2019 tot en met 21 september 2019 in Nederland opzettelijk € 5.000,- toebehorende aan [slachtoffer 1] B.V. en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als Finance Manager, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2.
hij in de periode van 20 juni 2019 tot en met 14 augustus 2019 in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd heeft vervalst, door op briefpapier van en door gebruikmaking van het logo van [slachtoffer 2] B.V. een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd (gedateerd 24 november 2011) tussen hem, verdachte, en [slachtoffer 2] op te stellen als ware deze echt en onvervalst envoor de werkgever en de werknemer te ondertekenen, terwijl er tussen hem, verdachte, en het bedrijf [slachtoffer 2] B.V. geen arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd was afgesloten, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;
4.
hij op of omstreeks 24 mei 2019 in Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een factuur, in rekening gebracht bij [naam 1] valselijk heeft opgemaakt door op die factuur, als ware deze echt en onvervalst, bedrijfsgegevens van [slachtoffer 4] B.V. te vermelden, te weten het (oude) logo en het BTW-nummer en het Kamer van Koophandel-nummer in combinatie met een bankrekeningnummer op naam van hem, verdachte, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken;
5.
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 28 juni 2019 tot en met 10 september 2019 in Nederland meerdere geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten meerdere facturen in rekening gebracht bij [slachtoffer 2] valselijk heeft opgemaakt door op die facturen, als ware deze echt en onvervalst, bedrijfsgegevens van [naam 6] te vermelden, te weten het BTW-nummer en het Kamer van Koophandel-nummer, in combinatie met een bankrekeningnummer op naam van [naam 3], met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
Feit 2:
valsheid in geschrift.
Feit 4:
valsheid in geschrift.
Feit 5:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, bij niet verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis. Bij zijn strafeis heeft hij rekening gehouden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van strafzaken en het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf ook verzocht rekening te houden met de argumenten die door de officier van justitie zijn genoemd. Gelet hierop stelt de raadsman voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 10 oktober 2025. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van
€ 5.000,- dat hij onder zich had in het kader van zijn werkzaamheden bij een bedrijf als Finance manager. Daarnaast heeft hij zich in verschillende functies bij andere bedrijven schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hij heeft diverse facturen valselijk opgemaakt met daarop vermeld zijn eigen bankrekeningnummer of een bankrekeningnummer op naam van een ander en waar hij toegang tot had. Ook heeft hij een valse arbeidsovereenkomst opgesteld teneinde in aanmerking te komen voor een huurwoning. De verdachte heeft door zijn handelen hinder en forse financiële schade aan de bedrijven toegebracht. Daarnaast heeft hij in ernstige mate misbruik gemaakt van het door de bedrijven in hem gestelde vertrouwen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 13 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder voor fraudedelicten is veroordeeld. Kennelijk heeft ook de eerdere oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf de verdachte niet kunnen weerhouden van het voortzetten van een crimineel gedragspatroon. Bovendien liep de verdachte op het moment van het plegen van deze feiten nog in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis in een andere zaak, waarin hij eveneens verdacht werd van meerdere oplichtings-fraudedelicten. De rechtbank weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Blijkbaar is het plegen van fraudedelicten voor de verdachte een manier van leven geworden. Uit het strafblad blijkt ook dat de verdachte na het plegen van deze feiten in een andere zaak onherroepelijk is veroordeeld, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank constateert dat de afdoening van de zaak zodanig lang op zich heeft laten wachten dat daarmee sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging. De door de officier van justitie gevorderde taakstraf acht de rechtbank niet passend, onder meer omdat de verdachte in het buitenland verblijft en het de reclassering tot op heden niet is gelukt om in gesprek te komen met de verdachte. Ook een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de raadsman is verzocht – acht de rechtbank niet passend. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit geen recht doen aan de ernst van de feiten en het structurele karakter ervan. De overschrijding van de redelijke termijn maakt wel dat de rechtbank een kortere gevangenisstraf zal opleggen dan zonder overschrijding in de rede had gelegen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van drie maanden moet worden opgelegd.

7.Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een bankpas van [bank] Bank op naam van [naam 7] (goednummer 1064232) en een telefoon van het merk Apple iPhone 6s (goednummer 1064066), dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet terug gegeven voorwerp, te weten een bankpas van [naam 8] Bank op naam van [naam 9] (goednummer 1064228), dient te worden teruggegeven aan [naam 9], aangezien hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet terug gegeven voorwerp, te weten een bankpas van [naam 10] op naam van [naam 11] (goednummer 1064229), dient te worden teruggegeven aan [naam 11], aangezien deze persoon redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet terug gegeven voorwerp, te weten een bankpas van [naam 10] op naam van [naam 3] (goednummer 1064233), dient te worden teruggegeven aan [naam 3], aangezien hij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.Vorderingen benadeelde partijen

8.1
Benadeelde partij [slachtoffer 3] BV ten aanzien van feit 3
[aangever] heeft namens [slachtoffer 3] BV als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding van € 189,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit is geleden.
Nu de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht wat aan de verdachte onder 3 ten laste is gelegd, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
8.2
Benadeelde partij [naam 6] ten aanzien van feit 5
S. Gayadin heeft namens [naam 6] als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit is geleden.
Nu er ook na het verzoek om aanvullende informatie van 22 januari 2020 geen begin van onderbouwing (met stukken) is geleverd, is vooralsnog onduidelijk waar de schade uit bestaat en hoe hoog de geleden schade is. Het aanhouden van een einduitspraak in de strafzaak om de benadeelde partij nogmaals te verzoeken de vordering nader te onderbouwen, vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Dit betekent dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar vordering.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 57, 63, 225, 321 en 322 Sr.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
3 [drie] maanden.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
- een bankpas van [bank] Bank op naam van [naam 7] (goednummer 1064232);
- een telefoon van het merk Apple iPhone 6s (goednummer 1064066).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende [naam 9] van:
- een bankpas van [naam 8] Bank op naam van [naam 9] (goednummer 1064228).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende [naam 11] van:
- een bankpas van [naam 10] op naam van [naam 11] (goednummer 1064229).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende [naam 3] van:
- een bankpas van [naam 10] op naam van [naam 3] (goednummer 1064233).
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] BV niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [naam 6] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.O. Rutten, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2025.