ECLI:NL:RBNHO:2025:15619

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
15/208655-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzettelijk inrijden met een auto op een persoon; vrijspraak poging doodslag en zware mishandeling, veroordeling poging zware mishandeling

Op 28 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 7 juli 2025 in Zaandam met zijn auto opzettelijk tegen een persoon is aangereden. De verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag en subsidiair van zware mishandeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was om de zaak te behandelen. Tijdens de zitting op 14 oktober 2025 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit en bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primaire als het subsidiaire feit.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende bewijs was voor de poging tot doodslag, omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk de dood van het slachtoffer heeft willen veroorzaken. Ook voor de zware mishandeling was er onvoldoende bewijs, aangezien het letsel van het slachtoffer niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden gekwalificeerd. De rechtbank heeft de verdachte echter wel schuldig bevonden aan poging tot zware mishandeling, omdat het met enige snelheid met een auto op een persoon inrijden, naar algemene ervaringsregels, de aanmerkelijke kans in het leven roept dat die persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 62 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en is hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

De rechtbank heeft ook een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot betaling van € 5.385,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/208655-25 (P)
Uitspraakdatum: 28 oktober 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Visser, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan (waarnemend voor mr. B.J.W. Tijkotte), naar voren hebben gebracht.

1.De tenlastelegging

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij op 7 juli 2025 opzettelijk met zijn auto tegen [slachtoffer] is aangereden. Dit handelen is primair ten laste gelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

2.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.De standpunten

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire en subsidiaire feit en heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en wat is besproken op de terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 7 juli 2025 is in Zaandam tussen de verdachte en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) een verkeersruzie ontstaan. [slachtoffer] is op enig moment uit zijn auto gestapt en de verdachte is van [slachtoffer] weggereden. Aan het einde van de straat is de verdachte gekeerd en teruggereden. [slachtoffer] stond op dat moment nog op de weg en de verdachte is met zijn auto tegen [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] heeft hierbij letsel opgelopen.
De verdachte erkent dat hij [slachtoffer] heeft aangereden, maar ontkent dat hij dit met opzet heeft gedaan. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of het handelen van de verdachte moet worden beoordeeld als een poging tot doodslag, als een zware mishandeling, als een poging tot zware mishandeling of geen van deze drie. De rechtbank zal daar hierna verder op ingaan.
4.2
Vrijspraak poging doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is onder andere van belang of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Hiervoor is vereist dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden en deze kans ook bewust heeft aanvaard.
Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat door het handelen van de verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer]. Naar algemene ervaringsregels worden de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate bepaald door de snelheid van de auto. De verdachte heeft verklaard dat hij reed met een snelheid van ongeveer 20 km/u. Hoewel de getuigenverklaringen lijken te wijzen op een hoge snelheid van de auto, bevat het dossier ten aanzien van de gereden snelheid geen objectieve meetgegevens en is de exacte snelheid van de auto niet (meer) vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met een zodanige snelheid heeft aangereden, dat de kans op de dood van [slachtoffer] aanmerkelijk was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
4.3
Vrijspraak zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling moet de rechtbank onder meer beoordelen of [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor de beantwoording van de vraag of het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken, kijkt de rechtbank naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van de aanrijding een gebroken oogkas en een gebroken jukbeen opgelopen. Daarnaast heeft [slachtoffer] zijn ribben gekneusd en nog een andere breuk in het gezicht opgelopen, maar dit letsel staat niet opgenomen in de tenlastelegging. Na de aanrijding is [slachtoffer] gecontroleerd op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis en na de controle mocht hij naar huis. Een operatie was niet nodig.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van het letsel niet zelfstandig maakt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast heeft de rechtbank in het dossier geen medische informatie gelezen over de duur van het (fysieke) genezingsproces, (mogelijk) blijvende ontsierende littekens in het gezicht of de noodzaak tot aanvullend medisch ingrijpen. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarom zal de rechtbank de verdachte ook vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit.
4.4
Veroordeling poging zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].
De rechtbank stelt voorop dat het met enige snelheid met een auto op een persoon inrijden, naar algemene ervaringsregels, de aanmerkelijke kans in het leven roept dat die persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dat is ook het geval als de auto niet erg hard rijdt. Daar komt bij dat de rechtbank in dit geval op basis van de getuigenverklaringen kan vaststellen dat de snelheid van de auto in ieder geval zodanig was dat [slachtoffer] als gevolg van de impact van de aanrijding door de lucht vloog. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.
Verder kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank sluit daarbij aan bij de verklaringen van [slachtoffer] en de getuigen Hirsi, Kloos en Versteeg over het rijgedrag van de verdachte. Zij verklaren namelijk dat de verdachte recht op [slachtoffer] afreed en daarna, toen [slachtoffer] probeerde weg te komen, de auto nog in de richting van [slachtoffer] stuurde. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de verklaring van de verdachte, dat hij [slachtoffer] niet heeft willen raken. Dit past immers niet bij wat de getuigen over zijn rijgedrag verklaren. De rechtbank is dus van oordeel dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer].
Op grond van het voorgaande en van de bewijsmiddelen in bijlage 2 bij dit vonnis komt de rechtbank dan ook tot de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 juli 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door als bestuurder van een personenauto tegen die [slachtoffer] aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Uit het verhandelde op de terechtzitting blijkt dat de verdachte daardoor niet is geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

7.De sancties

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie vordert daarbij een proeftijd voor de duur van drie jaar. Verder vordert de officier van justitie dat aan de verdachte wordt opgelegd een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de voorwaarden die gelden voor de schorsing moeten blijven gelden tot aan het onherroepelijk worden van het vonnis.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Indien de rechtbank tot de oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf komt dan het voorarrest, heeft de raadsman het (voorwaardelijke) verzoek gedaan om de zaak naar het mediationbureau te verwijzen voor bemiddeling.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een auto opzettelijk tegen [slachtoffer] aan te rijden. Daar ging een verkeersruzie aan vooraf. Na een woordenwisseling op straat is de verdachte weer in de auto gestapt, weg gereden, vervolgens gekeerd en is hij tegen [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] heeft hierdoor meerdere breuken in zijn gezicht opgelopen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat dit feit veel pijn en ander leed heeft toegebracht aan [slachtoffer] en dat hij nog steeds hinder ervaart van de gevolgen die de aanrijding voor hem heeft gehad. Daarnaast heeft de aanrijding ook gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de mensen op straat, omdat het plaatsvond op de openbare weg. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door emoties en zijn auto ingezet om [slachtoffer] daarmee te raken. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, maar dat deze veroordeling van enige tijd geleden is. Daarom zal de rechtbank dit niet in het nadeel van de verdachte meewegen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapporten van 10 juli 2025 en 25 september 2025. Uit deze rapporten blijkt dat de verdachte inmiddels voldoende mate van stabiliteit heeft op sociaal-maatschappelijk vlak. Wel lijkt bij de verdachte sprake te zijn van een beperkte emotieregulatie, waarbij hij uit een gevoel van angst en paniek impulsief kan handelen. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld, maar dit risico zou kunnen worden beperkt door in te zetten op de trauma’s en de emotieregulatie van de verdachte. Daarom adviseert de reclassering aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte toont zich gemotiveerd om hieraan mee te werken.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de impact die dit op het slachtoffer heeft, zonder meer een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor zware mishandeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen, is een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Een auto kan onder de gegeven omstandigheden gezien worden als wapen. Omdat de rechtbank de verdachte veroordeelt voor een poging tot zware mishandeling zal de rechtbank (overeenkomstig de LOVS oriëntatiepunten) uitgaan van een lager uitgangspunt.
Verder houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met zijn proceshouding en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank weegt hierbij mee dat uit het meest recente reclasseringsadvies volgt dat de verdachte als gevolg van de voorlopige hechtenis van enkele weken zijn werk en inkomen verloor en dat hij softdrugs is gaan gebruiken. Uit het advies blijkt dat de verdachte zijn begeleid wonen-plek kwijtraakt bij een nieuwe periode van detentie, hetgeen als onwenselijk en mogelijk risico verhogend wordt beschouwd. Het voorgaande maakt dat de rechtbank een nieuwe periode van detentie niet passend vindt en in zoverre zal afwijken van de LOVS oriëntatiepunten. De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorlopige hechtenis opleggen, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf.
Nu de verdachte zijn auto als wapen heeft gebruikt, zal de rechtbank de verdachte ook de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen. De rechtbank kiest ervoor de ontzegging van de rijbevoegdheid deels voorwaardelijk op te leggen.
Ten aanzien van beide voorwaardelijke sancties stelt de rechtbank een proeftijd vast van drie jaar. Zij ziet hiertoe aanleiding in de problematiek van de verdachte en het gegeven dat het feit nog maar kort geleden is gepleegd. Tevens worden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling en middelencontrole, aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank bepaalt dat hiervan 62 dagen vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaar. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uur. Verder zal de rechtbank de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van drie jaar.

8.De vordering benadeelde partij

8.1
De vordering
Namens [slachtoffer] is door [naam], als gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 13.233,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het feit, zou hebben geleden. Het gevorderde bedrag bestaat uit de vergoeding van materiële schade, bestaande uit:
  • medische kosten ter hoogte van € 385,-;
  • kosten voor huishoudelijke hulp ter hoogte van € 2.848,-,
en uit een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 10.000,-. De benadeelde partij vraagt om het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en te bepalen dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Verder is om vergoeding van de proceskosten voor rechtsbijstand gevraagd ter hoogte van € 2.167,59.
8.2
De standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft hij verzocht de verdachte te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
De raadsman heeft aangevoerd dat de gevorderde kosten voor hulp in de huishouding onvoldoende zijn onderbouwd en heeft verder gevraagd het bedrag aan immateriële schade fors te matigen. Daarnaast heeft de raadsman primair gevraagd de gevraagde proceskosten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de benadeelde niet schadebeperkend heeft opgetreden door zich te laten bijstaan door een slachtofferadvocaat en ook door een jurist, die dit niet van elkaar wisten. De slachtofferadvocaat heeft de benadeelde alleen bijgestaan met betrekking tot de slachtofferverklaring. Hierdoor kon het opstellen en indienen van het verzoek tot schadevergoeding niet op basis van een toevoeging worden gedaan door de slachtofferadvocaat, in welk geval er voor de benadeelde geen kosten waren geweest.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte medische kosten rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en dat deze kosten ook voldoende zijn onderbouwd. Deze post is door de verdediging ook niet betwist, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
De rechtbank ziet dit anders ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor hulp in de huishouding. De verdediging heeft deze post betwist en er onder meer op gewezen dat onduidelijk is in welke mate hulp is ingeschakeld en in welke periode dit nodig is geweest Deze betwisting maakt dat de beoordeling van de vordering om een nadere uitwisseling van standpunten vraagt en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
Voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade als gevolg van het strafbare feit waarbij lichamelijk letsel werd toegebracht bestaat een wettelijke grondslag (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek). Voor het antwoord op de vraag welk bedrag billijk is als vergoeding van de geleden immateriële schade heeft de rechtbank gekeken naar de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer]. Daarnaast is gekeken naar de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toekennen.
De rechtbank begroot de schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank zal de vordering voor het overige deel afwijzen.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 5.385,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Proceskosten
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat ook de proceskosten in aanmerking komen voor vergoeding. De benadeelde partij heeft zich heeft laten bijstaan door een advocaat en een jurist, waarbij mr. S. de Leon zich heeft beperkt tot het voordragen van de slachtofferverklaring. De vordering is opgesteld en op zitting toegelicht door [naam]. Nu mr. S. de Leon geen proceskosten vordert en de proceskosten enkel zien op de werkzaamheden van (de kantoorgenoten van) [naam], wordt de verdachte niet voor dubbele kosten gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het zich laten bijstaan door twee personen niet aan een toewijzing van de proceskosten in de weg hoeft te staan.
De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag wel matigen, omdat zij geen aanleiding ziet om af te wijken van het uitgangspunt dat een forfaitair bedrag aan proceskosten wordt toegekend. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij het in civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Voor het opstellen en indienen van de vordering en voor behandeling daarvan ter zitting worden doorgaans twee punten toegekend. Nu de rechtbank een bedrag toewijst van in totaal € 5.385,- komt de forfaitaire vergoeding neer op in totaal € 678,- (€ 339,- per punt). Het overige gevorderde wordt afgewezen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
179a van de Wegenverkeerswet 1994.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
100 dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
62 dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering
De verdachte meldt zich volgens afspraak bij Reclassering Nederland op het adres: Vincent van Goghweg 73 te Zaandam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De verdachte werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken.
2. Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door Forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
3. Meewerken aan middelencontrole
De verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van middelen om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
180 uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van twaalf maanden. Bepaalt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot
zes maanden,
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van
€ 5.385,00, bestaande uit € 385,00 als vergoeding voor de materiële en € 5.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 678,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor de overige materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst af de overige immateriële schade.
Wijst af de overige gevorderde proceskosten.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.385,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M Hendriks, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M. van Splunter en mr. E. van Kampen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 oktober 2025.
mr. S.J. de Vries is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Primair:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, als bestuurder van een personenauto (met hoge en/of oplopende snelheid) op/tegen die [slachtoffer] is ingereden/aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair:hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstadaan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en/of gebroken ribben en/of gebroken jukbeen heeft toegebracht, door als bestuurder van een personenauto (met hoge en/of oplopende snelheid) op/tegen die [slachtoffer] in/aan te rijden;
Meer subsidiair:hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten M. Rubecaopzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen als bestuurder van een personenauto (met hoge en/of oplopende snelheid) op/tegen die [slachtoffer] is ingereden/aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage 2: de bewijsmiddelen