Beoordeling door de rechtbank
Beroepen wegens niet tijdig beslissen
16. Eiseressen hebben op 6 juni 2024 beroep ingesteld, omdat niet tijdig was beslist op hun bezwaren tegen de besluiten van 15 juni 2023. Op 3 juli 2024 heeft het college alsnog op de bezwaren beslist. Eiseressen hebben dus geen belang meer bij de beoordeling van hun beroep niet tijdig beslissen. Deze beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.
17. Eiseressen hebben in het beroep niet tijdig beslissen verzocht om vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank oordeelt dat aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten. Hier komt de rechtbank later in deze uitspraak op terug.
18. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Eiseressen hebben aangegeven dat zij het niet eens zijn met de besluiten van 3 juli 2024. De beroepen niet tijdig beslissen brengen dus van rechtswege een beroep mee tegen de besluiten van 3 juli 2024.
19. Het door eiseressen voor de beroepen niet tijdig beslissen betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan voor de beroepen tegen de besluiten van 3 juli 2025. Of het griffierecht moet worden vergoed, is daarom afhankelijk van de uitkomst van de beroepen tegen die besluiten.
20. De rechtbank stelt met partijen vast dat de beroepsgronden en het verweer in deze zaken inhoudelijk vrijwel gelijkluidend zijn. De rechtbank bespreekt om die reden de punten die partijen verdeeld houden hierna gezamenlijk.
Achtergrond aanvragen eiseressen
21. Eiseressen beschikken over vent- en of standplaatsvergunningen voor de verkoop van etenswaren op/nabij het strand van Zandvoort. Door de (verkeers)maatregelen rondom de DGP was het strand vrijwel onbereikbaar en hadden eiseressen amper klanten. Eiseressen stellen dat ondanks dat zij en collega-ondernemers deze negatieve effecten aan de gemeente Zandvoort kenbaar gemaakt hebben, er geen oplossing kwam. Om die reden hebben eiseressen voor de edities 2023, 2024 en 2025 aanvragen ingediend voor een tijdelijke standplaats op en rond het circuit en/of in het centrum van Zandvoort.
Evenementenvergunningen
22. Voorafgaand aan iedere DGP zijn door de burgemeester steeds de volgende evenementenvergunning verleend:
- een evenementenvergunning aan DGP Race B.V. voor een Race Festival op en rond het circuit;
- een evenementenvergunning aan DGP Race B.V. voor een Fan Event op en rond het circuit;
- een evenementenvergunning aan stichting Zandvoort Beyond voor het Zandvoort Racefestival (het organiseren van alle side events).
Het college heeft de weigering om aan eiseressen standplaatsvergunningen te verlenen gehandhaafd, onder andere omdat de aanvragen zien op een vaste plaats op een evenemententerrein. Op grond van artikel 5:17, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zandvoort 2017 (APV) wordt die situatie volgens het college uitdrukkelijk uitgezonderd van de regeling voor standplaatsen.
Bevoegdheid op grond van de APV?
23. Eiseressen voeren aan dat er geen valide redenen zijn om de gevraagde vergunningen te weigeren. De APV van de gemeente Zandvoort noch de Nota vent- en standplaatsen 2014 (de Nota) staan hieraan in de weg. Eiseressen stellen dat de weigeringsgronden die in de APV (artikel 1:8 en artikel 5:18) staan niet van toepassing zijn. Eiseressen voeren verder aan dat – zoals de bezwaarcommissie ook heeft vastgesteld – er op grond van het beleid / de Nota geen extra weigeringsgrond kan worden gecreëerd door het verwijzen naar het commerciële karakter van de standplaats.
24. Eiseressen voeren verder aan dat artikel 5:17, tweede lid, onder b, van de APV geen weigeringsgrond inhoudt. Eiseressen wijzen er daarbij op dat de aanvragen gedaan zijn ruim voordat er een evenementenvergunning verleend werd.
25. Eiseressen voeren voorts aan dat de gevraagde locaties niet allemaal onder de evenementenvergunningen vielen. De gevraagde locaties op het Stationsplein maken geen onderdeel uit van het evenement. eiseressenVoor zover het college ervan uitgaat dat vrijwel het gehele grondgebied van Zandvoort als evenemententerrein is aangemerkt, is er volgens eiseres des te meer reden om als bevoegd gezag toe te zien op een eerlijke en evenredige verdeling van de beschikbare standplaatsen. Die rol kan niet worden overgedragen aan particuliere organisaties. Te meer niet omdat bestuursrechtelijke rechtsmiddelen daarmee ontnomen worden. Stichting Zandvoort Beyond en DGP Race B.V. gaven de voorkeur aan zogenaamde ‘preferred suppliers’ in plaats van lokale ondernemers. Van een evenredige of eerlijke verdeling, bijvoorbeeld door loting, was geen sprake.
26. Eiseressen voeren verder aan dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 maart 2011 niet van overeenkomstige toepassing is. Uit de uitspraak blijkt niet van gelijke weigeringsgronden. Zoals door de bezwaarcommissie wordt beargumenteerd, bieden de voorliggende weigeringsgronden vanwege de APV van Zandvoort – anders dan in de APV Winterswijk – simpelweg geen ruimte voor een primaat aan de evenementenvergunning. Verder verschilt de situatie omdat het evenemententerrein zich volgens het college over vrijwel het gehele grondgebied van Zandvoort uitstrekt en eiseressen geen concreet alternatief geboden is, wat wel het geval was in de zaak Winterswijk.
27. Het college heeft toegelicht dat in verband met de omvang van het evenement (in één weekend gemiddeld meer dan 300.000 bezoekers) gekozen is voor het verlenen van de evenementenvergunningen (parapluvergunningen) voor zowel de evenementen op het circuit, als alle ‘side events’ buiten het circuit. Volgens het college worden initiatieven van lokale ondernemers zoveel mogelijk onder de parapluvergunning mogelijk gemaakt. Het college heeft eiseressen naar aanleiding van de aanvragen om standplaatsen erop geattendeerd dat er nog plaatsen beschikbaar zijn en heeft hen daarvoor naar DGP Race B.V. en stichting Zandvoort Beyond verwezen. Zo hebben [VOF 2] en [VOF 3] (in 2023) een plaats gekregen op het circuit.
28. Het college stelt zich verder op het standpunt dat op grond van artikel 5:17, eerste lid, onder b, van de APV een vaste plaats op een evenement expliciet en ondubbelzinnig wordt uitgezonderd van de kwalificatie als ‘standplaats’. Daarmee zijn vaste plaatsen op een evenement als dit dus uitgezonderd van de regeling in de APV en kan het college niet alsnog afzonderlijk aan ondernemers standplaatsvergunningen verlenen. Dit geldt ook ten aanzien van de plaatsen op het circuit. Daarmee wordt niet toegekomen aan de weigeringsgronden die zijn opgenomen in de artikelen 1:8 en 5:18 van de APV. De gehele regeling is immers uitgezonderd indien het gaat om een vaste plaats op een evenement. Dat na het verlenen van een evenementenvergunning geen ruimte meer bestaat voor het verlenen van (standplaats)vergunningen op grond van een APV volgt bovendien ondubbelzinnig uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2011.In deze uitspraak oordeelt de Afdeling verder dat het aan de organisator van het evenement is om de standplaatsen te verdelen en te bepalen welke vergoeding hiervoor gevraagd wordt. Verder maakt de omstandigheid dat de evenementenvergunningen nog niet waren verleend niet dat het college eiseressen een standplaatsvergunning had moeten toekennen. Lang voor het indienen van de aanvragen stond immers vast dat de evenementenvergunningen aan DGP Race en Zandvoort Beyond zouden worden verleend. Eiseressen waren daarvan ook op de hoogte. Het college wijst daarbij op de overweging van de Afdeling: “
Dat ten tijde van het besluit van 5 augustus 2009 het besluit om de evenementenvergunning nog niet was genomen maakt dit niet anders, nu op dat moment wel zeker was dat de burgemeester deze vergunning zo verlenen.”
29. Het college wijst er verder op dat de locaties van alle gevraagde standplaatsen binnen de omvang van de aan DGP Race, danwel Zandvoort Beyond, verleende evenementenvergunningen vallen. Er is ook geen sprake van dat de verdeling van standplaatsen zou zijn overgedragen aan een particuliere organisatie. Het gaat om de verlening van een evenementenvergunning op grond waarvan de organisator voor eigen rekening en risico het race event en de side events organiseert. Dat betekent niet dat het college de belangen van lokale ondernemers heeft veronachtzaamd, integendeel, deze belangen zijn verankerd in de overeenkomsten die met DGP Race en Zandvoort Beyond zijn gesloten. Daarnaast heeft het college samengewerkt met (vertegenwoordigers van) lokale ondernemers en is een werkgroep side events opgericht die initiatieven van lokale ondernemers in acht heeft genomen.
30. Artikel 5:17, tweede lid, onder b, van de APV bepaalt dat niet onder standplaats wordt verstaan: een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
31. De tekst van dit artikelonderdeel is helder. Indien sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV, kan geen sprake meer zijn van een standplaats. Het innemen van een vaste plaats, die binnen de naar tijd en ruimte begrensde omvang van het evenement zoals omschreven in de evenementenvergunning valt, is geen standplaats als bedoeld in de APV. Omdat al niet aan de definitie wordt voldaan, kan geen standplaatsvergunning worden verleend. Hieruit volgt dat het college in die gevallen ook niet de bevoegdheid toekomt een standplaatsvergunning te verlenen. eiseressen Gezien het voorgaande wordt niet meer aan de weigeringsgronden van artikel 1:8 en 5:18 van de APV toegekomen.
32. Anders dan eiseressen betogen is geen sprake van een overdracht van een bestuurlijke bevoegdheid van het college aan een particuliere organisatie. Het door de houder van een evenementenvergunning toekennen van een locatie waarop een andere ondernemer met een kraam mag staan, betreft niet het uitoefenen van de bevoegdheid in de APV om een standplaatsvergunning te verlenen. Dit is een privaatrechtelijke verhouding.
33. De rechtbank ziet in wat door eiseressen over de toepasselijkheid van de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2011 is aangevoerd geen aanleiding voor een andersluidend oordeel in de onderhavige zaken. Van een wezenlijk onderscheid tussen de aan de orde zijnde APV en de APV die ten grondslag lag aan het besluit waarover de Afdeling in 2011 oordeelde is de rechtbank niet gebleken.
34. Eiseressen hebben ter zitting (in aanvulling op de beroepsgronden) betoogd dat uit de definitie van evenement in artikel 2:24 van de APV volgt dat slechts daar waar het vermaak plaatsvindt sprake is van een evenement als bedoeld in de APV. Volgens eiseressen betekent dit dat bijvoorbeeld de toegangswegen naar het circuit en het Stationsplein niet als onderdeel van het evenemententerrein kunnen worden gezien.
35. De rechtbank volgt eiseressen hierin niet. De evenementenvergunningen zoals deze door de burgemeester zijn verleend aan DGP Race en Zandvoort Beyond zien op een groter terrein dan het circuit waar de Grand Prix wordt/werd gereden. Op de bij deze vergunningen behorende plattegronden zijn in rood (Zandvoort Beyond), geel en oranje (DGP Race) de gebieden aangegeven waarvoor de evenementenvergunningen gelden. Dat betreft onder meer het Stationsplein en de Doctor Jacobus P. Thijsseweg. De door eiseressen gevraagde standplaatsen vallen dus alle binnen het gebied dat door de burgemeester is aangewezen als evenemententerrein. Of de burgemeester daarmee binnen de beschrijving van artikel 2:24 van de APV is gebleven ligt in deze procedure niet voor. Deze procedure betreft immers geen beroep(en) tegen de evenementenvergunning(en).
36. De omstandigheid dat de evenementenvergunningen nog niet in alle gevallen waren verleend op het moment dat eiseressen de aanvragen indienden, leidt er evenmin toe dat de aanvragen niet geweigerd konden worden. Dat de evenementenvergunningen voor 2023, 2024 en 2025 verleend zouden worden stond wel vast, nu dat in de jaren 2021 en 2022 ook was gebeurd. Het aanvragen van de standplaatsvergunningen door eiseressen gebeurde immers juist vanwege de komst van de Grand Prix.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel?
37. Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat het college aan andere ondernemers (onder andere [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] ) wel standplaatsen heeft vergund buiten het gebied van de evenementenvergunning, en op plaatsen waar eiseressen aanvragen voor hadden ingediend.
38. Het college heeft gesteld dat deze ondernemers de plekken, die binnen het aangewezen evenemententerrein liggen, hebben gekregen via DGP Race of Zandvoort Beyond, zodat van gelijke gevallen geen sprake is. Ter zitting heeft het college nader toegelicht dat deze ondernemers een bijzondere positie hadden, omdat hun reguliere standplaatsen zich op het evenemententerrein bevonden. Het college heeft DGP Race/Zandvoort Beyond op deze bijzondere positie gewezen.
39. De rechtbank stelt vast dat in de door eiseressen naar voren gebrachte gevallen, van het vergunnen van standplaatsen door het college binnen de grenzen van het aangewezen evenemententerrein geen sprake is. De omstandigheid dat – al dan niet als gevolg van het opmerkzaam maken van de bijzondere positie van deze ondernemers – DGP Race/Zandvoort Beyond de ondernemers een plek binnen het evenement heeft verleend, kan niet leiden tot de conclusie dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Van gelijke gevallen is immers geen sprake.
Strijd met de Dienstenrichtlijn?
40. Eiseressen voeren verder aan dat de besluiten in strijd lijken met de Dienstenrichtlijn, omdat het vrije ondernemerschap van eiseressen wordt beperkt, althans het hen onmogelijk wordt gemaakt om letterlijk toe te treden tot de markt in de openbare ruimte van de gemeente Zandvoort. Die mogelijkheid is wel op voorhand exclusief voor meerdere jaren aan een zeer beperkt aantal ondernemers (Zandvoort Beyond en DGP Race) geboden.
41. Eiseressen hebben daarbij aangevoerd dat er een concessieovereenkomst gesloten is met DGP Race en Zandvoort Beyond waarmee het college zijn grondgebied voor meerdere jaren exclusief aan deze organisaties ter beschikking heeft gesteld tijdens de Grand Prix. Van een rechtvaardige en transparante vergunningverlening is volgens eiseressen geen sprake. Het fair play en het rechtszekerheidsbeginsel worden hierdoor met voeten getreden. Omdat eiseressen op voorhand uitgesloten zijn van mededingen bij het innemen van de schaarse ruimte in Zandvoort tijdens DGP Race is er ook sprake van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.
42. Het college heeft zich op standpunt gesteld dat als al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een schaarse vergunning, dan uitsluitend de evenementenvergunning als zodanig kan worden aangemerkt. De Dienstenrichtlijn ziet immers op de verplichting tot een transparante en onpartijdige procedure bij de verdeling van schaarse vergunningen. Het college stelt zich juist op het standpunt dat geen afzonderlijke standplaatsvergunningen konden worden verleend, nu er reeds evenementenvergunningen zijn verstrekt.
43. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseressen op de Dienstenrichtlijn niet kan slagen. Voor zover sprake is van schaarse vergunningen, zijn dat de evenementenvergunningen. Dat zijn niet vergunningen die eiseressen hebben aangevraagd of verleend hadden willen krijgen en bovendien liggen die vergunningen niet in deze zaken ter beoordeling voor. Nu hiervoor is geoordeeld dat voor de gevraagde plaatsen geen standplaatsvergunningen verleend konden worden door het college, is geen sprake van schaarste aan standplaatsvergunningen in de zin van de APV.
Belangenafweging en evenredigheidsbeginsel
44. Eiseressen stellen dat als wordt toegekomen aan de belangenafweging het college aan DGP Race en Zandvoort Beyond moeten opdragen dat de door eiseressen gevraagde standplaatsen onderdeel uitmaken van de te verlenen evenementvergunningen. Daarmee was het college dan tegemoetgekomen aan de belangen van zowel de organisatoren van DGP Race als de belangen van eiseressen.
45. Het college is van mening dat het met de besluitvorming de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Het college wijst daarbij op het groot maatschappelijk, economisch en toeristisch belang van het Formule 1-evenement voor zowel de gemeente als de regio. Bij de besluitvorming is nadrukkelijk aandacht besteed aan de positie van lokale ondernemers, waaronder ook eisers. Dit blijkt uit de concessieovereenkomst en verleende evenementenvergunningen waarin specifieke bepalingen zijn opgenomen die waarborgen dat lokale ondernemers kunnen profiteren van het evenement. Het college heeft daarmee een zorgvuldige balans gezocht tussen het algemene belang van een ordelijke, veilige en samenhangende organisatie van een grootschalig internationaal evenement enerzijds en het belang van de lokale ondernemers anderzijds. Eisers zijn daarbij niet uitgesloten, maar konden zich juist wenden tot de centrale organisatoren die gehouden zijn de belangen van lokale ondernemers te faciliteren en hen de mogelijkheid te bieden tijdens het evenement activiteiten te ontplooien.
46. De rechtbank is van oordeel dat nu hiervoor geoordeeld is dat het college niet bevoegd was standplaatsvergunningen te verlenen, voor een belangenafweging geen plaats is.