ECLI:NL:RBNHO:2025:15648

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/15/372217 / JU RK 25-1698
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met perspectiefbesluit

De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds april 2025 in een perspectief biedend pleeggezin en vertoont tekenen van trauma en stressregulatieproblemen. De moeder kampt met middelengebruik en relatieproblematiek, waardoor zij niet in staat is de zorg en opvoeding te bieden die de minderjarige nodig heeft.

De GI verzocht tevens om een perspectiefbesluit, waarmee werd vastgesteld dat niet wordt toegewerkt naar terugplaatsing bij de moeder. De moeder staat achter de verlengingen maar verzet zich tegen het perspectiefbesluit, stellende dat dit te vroeg is en onvoldoende is onderbouwd. De pleegouders bevestigen de stabiliteit en veiligheid die zij bieden en ondersteunen de verlengingen.

De rechtbank oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de OTS en MUHP zijn vervuld, gezien de voortdurende ontwikkelingsbedreiging en noodzaak van traumatherapie. De verlengingen worden daarom toegekend voor de duur van een jaar. Het perspectiefbesluit wordt echter afgewezen omdat het onvoldoende gemotiveerd is en het belang van de minderjarige bij stabiliteit en continuïteit beter wordt gediend door het verblijf bij de pleegouders voort te zetten zonder definitieve vaststelling van het opgroeiperspectief.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze eindbeslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar, maar wijst het perspectiefbesluit af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372217 / JU RK 25-1698
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N.H. Fridsma uit Heemskerk.
en
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 november 2025;
  • het plan van aanpak van de GI van 28 november 2025;
  • het e-mailbericht van de pleegouders van 10 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de pleegouders;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijke gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 september 2024 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 23 december 2024. Bij beschikking van
10 december 2024 is een machtiging verleend om [de minderjarige] aansluitend voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van een maand. Bij beschikking van 23 december 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige] definitief onder toezicht gesteld tot 23 december 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 september 2024 een machtiging verleend om [de minderjarige] (met spoed) gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 10 december 2024. Bij beschikking van
10 december 2024 is deze machtiging opnieuw verleend voor de duur van één maand. Bij beschikking van 23 december 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing verder verleend tot 23 december 2025.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. In dit kader heeft de GI een perspectiefbesluit genomen. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
3.2.
[de minderjarige] is inmiddels één jaar oud en verblijft sinds april 2025 in een perspectief biedend pleeggezin. Zij ontwikkelt zich hier goed, zoekt actief emotionele en fysieke nabijheid bij haar pleegouders en laat zien dat zij zich hecht. Tegelijkertijd zijn er signalen van bijzonder gedrag die wijzen op preverbaal trauma en stressregulatieproblemen. [de minderjarige] is daarom aangemeld bij Therapeutische Pleegzorg. Dit laat ook zien dat [de minderjarige] kwetsbaar is, wat maakt dat stabiliteit en continuïteit noodzakelijk zijn. Het contact tussen [de minderjarige] en de moeder is de afgelopen periode echter wisselend verlopen. Begin 2025 verscheen de moeder met regelmaat niet. Van mei 2025 tot augustus 2025 verliep het contact beter. Zo toonde de moeder liefdevol contact, kon zij goed aansluiten bij [de minderjarige] en hield zij zich aan de afspraken. Wel werd gezien dat [de minderjarige] in de dagen erna ontregeld was. In september 2025 heeft een ernstig incident plaatsgevonden waarbij de moeder onder invloed van harddrugs uit een raam is gesprongen/gevallen en meerdere botbreuken heeft opgelopen. Na dit incident heeft slechts één fysiek bezoek plaatsgevonden en één videobelcontactmoment. Beide momenten zijn zeer belastend geweest voor [de minderjarige] waarbij zij zichtbaar hevig ontregelde. Hierdoor is afgesproken dat de moeder videoboodschappen zou sturen, maar dit is de moeder tot op heden niet gelukt.
3.3.
De GI ziet dat de moeder een liefdevolle moeder is, die het beste voor heeft met [de minderjarige] . Het is haar wens om voor [de minderjarige] te zorgen en om haar te zien. Hoewel de moeder periodes kent waarbij moeilijk contact met haar gemaakt kan worden en zij geen hulpverlening accepteert, zijn er ook periodes waarin zij dit wel doet, open is in contact en zelf om hulp en advies vraagt indien nodig. Het lukt haar echter niet om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. De belangrijkste zorgen bestaan op dit moment uit het middelengebruik van de moeder en de relatieproblematiek met de vader van [de minderjarige] , waarbij sprake is van huiselijk geweld. De moeder is hierdoor onvoldoende in staat om [de minderjarige] de veilige en voorspelbare opvoedsituatie te bieden die zij nodig heeft. De GI verwacht niet dat de moeder in staat is om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn weer op zich te nemen. Naar verwachting heeft de moeder meer tijd nodig heeft om haar persoonlijke problematiek te stabiliseren. Het perspectief biedende pleeggezin biedt [de minderjarige] de stabiliteit en continuïteit die [de minderjarige] nodig heeft voor haar hechting en verdere ontwikkeling. Gelet op de kwetsbaarheid en jonge leeftijd van [de minderjarige] is het van groot belang dat haar verblijf in haar huidige stabiele omgeving wordt voortgezet. [de minderjarige] is nog erg jong en start binnenkort met traumatherapie. De GI vindt het daarom van belang om haar met een perspectiefbesluit duidelijkheid en stabiliteit te bieden. Gelet op het voorgaande heeft de GI het perspectiefbesluit genomen om niet verder toe te werken naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] en om de komende periode te onderzoeken hoe de rol van de moeder op afstand kan worden vervuld.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder achter de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] staat. De moeder ziet in dat zij op dit moment niet in staat is om voor [de minderjarige] te zorgen en haar de veiligheid en stabiliteit te bieden die zij nodig heeft. [de minderjarige] heeft het goed bij de pleegouders en de moeder geeft haar waar mogelijk liefde en zorg op afstand. De moeder wenst op den duur toe te werken naar een bepaalde vorm van co-ouderschap en vindt het van groot belang om het contact tussen haar en [de minderjarige] hiertoe stapsgewijs op te bouwen. De moeder hoopt het komende jaar aan zichzelf te werken en hierin de nodige stappen te zetten om hierna het contact met [de minderjarige] langzaamaan op te bouwen en uit te breiden. De moeder is het daarom niet eens met het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen. Daarbij komt dat onvoldoende onderzoek is gedaan of het perspectief van [de minderjarige] echt niet meer bij de moeder ligt. Het perspectiefbesluit wordt niet met stukken of onderzoeken onderbouwd. De GI legt de jonge leeftijd van [de minderjarige] ten grondslag aan het besluit, maar juist vanwege haar zeer jonge leeftijd is een perspectiefbesluit op dit moment nog niet noodzakelijk. Dat [de minderjarige] het op dit moment goed heeft in het pleeggezin, is geen gegronde reden om het perspectiefbesluit nu te nemen.
4.2.
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat het in het dagelijkse leven goed gaat met [de minderjarige] . Wel zien de pleegouders dat zij een erg gevoelig meisje is en trauma gerelateerd gedrag laat zien. [de minderjarige] zal daarom binnenkort starten met traumabehandeling in de vorm van EMDR. De pleegouders gunnen het zowel [de minderjarige] als hun biologische zoon en zichzelf dat duidelijkheid komt over waar [de minderjarige] verder komt op te groeien. [de minderjarige] kan zo lang als nodig is bij de pleegouders blijven. De pleegzorgwerker heeft geprobeerd een beoordelingsboog af te nemen in het kader van een mogelijke thuisplaatsing, maar dit is niet mogelijk gebleken omdat de moeder destijds niet clean was en daarmee niet voldeed aan de voorwaarden voor het afnemen van de beoordelingsboog. De pleegouders zijn trots op de stappen die de moeder heeft gezet en zullen haar te allen tijde blijven betrekken in het leven van [de minderjarige] .

5.De beoordeling door de rechtbank

ten aanzien van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Ook op dit moment wordt [de minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de persoonlijke (multi-)problematiek van de moeder en de verzwaarde zorg- en opvoedbehoefte van [de minderjarige] als gevolg van trauma’s die zij in haar nog jonge leven al heeft opgelopen. De zorgen over [de minderjarige] zijn groot, waarvoor het komende jaar onderzoek en behandeling geïndiceerd is. Ook is van belang dat de moeder de komende periode met steun van hulpverlening aan haar eigen problematiek gaat werken. Daarnaast is het contact tussen [de minderjarige] en de moeder nog steeds niet stabiel en is [de minderjarige] na de laatste contactmomenten nog te ontregeld geraakt. De rechtbank acht het daarom van belang dat de GI ook de komende periode als regievoerder betrokken blijft om ervoor te zorgen dat succesvol aan de doelen van de ondertoezichtstelling wordt gewerkt en de nodige hulpverlening wordt in- en/of doorgezet. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van één jaar, zoals verzocht.
5.2.
Ook is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] Gelet op de bestaande zorgen is een thuisplaatsing van [de minderjarige] op dit moment niet aan de orde. Daarnaast zal [de minderjarige] binnenkort starten met intensieve traumatherapie. De rechtbank acht het daarom van groot belang dat het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders, die haar rust, structuur en veiligheid bieden, de komende periode wordt voortgezet en gewaarborgd. De rechtbank zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van één jaar, zoals verzocht.
ten aanzien van het perspectiefbesluit
5.3.
De pleegouders bieden [de minderjarige] een stabiele, veilige opvoedomgeving en zijn voldoende in staat om aan te sluiten bij haar verzwaarde opvoed- en zorgbehoeftes. De moeder en de pleegouders hebben goed contact. De moeder ziet ook in dat zij [de minderjarige] op dit moment niet kan bieden wat zij nodig heeft, mede vanwege haar heftige persoonlijke problematiek (onder andere middelengebruik en mentale problemen). De moeder begrijpt dat zij eerst succesvol aan zichzelf moet werken, in zowel mentale als fysieke zin, voordat geleidelijk toegewerkt kan worden naar een eventueel gedeeltelijke terugplaatsing van [de minderjarige] . De moeder berust dan ook in de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders voor het komende jaar. Het is goed dat de moeder hierin reëel is. De moeder heeft wel de hoop op een gedeeltelijke terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar. Door deze hoop is de moeder gemotiveerd om aan zichzelf te werken om dit te realiseren. Het perspectiefbesluit van de GI is daarom hard binnengekomen bij de moeder. Het voelt voor de moeder als oneerlijk, wat invoelbaar is voor de rechtbank. [de minderjarige] is immers nog erg jong om haar perspectief in deze omstandigheden al definitief vast te stellen. De moeder wil graag de kans om te laten zien dat zij [de minderjarige] op den duur de stabiliteit en veiligheid kan bieden die zij nodig heeft. Het perspectiefbesluit ontneemt haar deze kans. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank dan ook van oordeel dat het perspectiefbesluit te vroeg is genomen.
5.4.
Door de GI is onvoldoende gemotiveerd waarom het op dit moment in het belang van [de minderjarige] is dat duidelijkheid moet komen over haar opgroeiperspectief. De GI stelt dat de aanvaardbare termijn waarin [de minderjarige] in onzekerheid kan verkeren over haar opgroeiperspectief is verstreken, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat [de minderjarige] nog erg jong is en het voor haar hechting van belang is dat zij duidelijkheid krijgt op dit punt, acht de rechtbank onvoldoende. Niet is gebleken dat haar hechting in het geding is. Gebleken is juist dat [de minderjarige] zich goed hecht aan haar pleegouders. Verder is niet gebleken dat [de minderjarige] vragen stelt over haar opgroeiperspectief; daar is zij ook nog te jong voor. Voor de traumatherapie die [de minderjarige] binnenkort zal ondergaan, is het vaststellen van haar perspectief op dit moment ook niet van belang. Voor alle betrokkenen – inclusief de moeder – is immers duidelijk dat [de minderjarige] de komende tijd zal verblijven bij haar pleegouders. [de minderjarige] kan de traumatherapie dus in alle rust ondergaan, terwijl ze bij haar pleegouders verblijft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de noodzakelijke stabiliteit en veiligheid in de opvoeding van [de minderjarige] eveneens voldoende worden gewaarborgd met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders. De rechtbank merkt hierbij op dat [de minderjarige] relatief nog maar kort bij de pleegouders woont; sinds april 2025, dus nog geen jaar. Het is fijn dat de pleegouders de zorg voor [de minderjarige] zo goed op zich hebben genomen en zich zo betrokken voelen bij [de minderjarige] . Het is echter in het belang van [de minderjarige] om – mede gelet op haar jonge leeftijd –haar verblijfs- en opvoedsituatie voor langere tijd te bestendigen voordat definitieve beslissingen worden genomen. Gelet op het voorgaande onderschrijft de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI niet.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 23 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een voorziening voor pleegzorg tot 23 december 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 door
mr. A.K. Mireku, mr. G.D. de Jong en mr. S. Ok, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. J.E. van Veen als griffier, en op schrift gesteld op 24 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.