ECLI:NL:RBNHO:2025:15740

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/231853-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Winkeldiefstal onder invloed van alcohol met oplegging ISD-maatregel

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal. De verdachte, geboren in 1981 en nu gedetineerd, heeft onder invloed van alcohol goederen van Kruidvat weggenomen. De tenlastelegging omvat diefstal van parfums en haarverf in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 3 september 2025. Tijdens de zitting op 9 december 2025 heeft de officier van justitie, mr. M.A. Hobbelink, gevorderd tot bewezenverklaring van de feiten, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. J.S. Dallinga, een partiële vrijspraak heeft bepleit voor het feit op 1 augustus 2025, omdat de camerabeelden geen objectieve herkenning van de verdachte zouden bevatten.

De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er voldoende bewijs is voor de diefstal op beide data. De verdachte is eerder veroordeeld voor vergelijkbare feiten en heeft een lange strafblad. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn alcoholgebruik en de impact van zijn daden op de maatschappij. De rechtbank heeft besloten om de verdachte een ISD-maatregel van twee jaar op te leggen, omdat eerdere interventies niet hebben geleid tot gedragsverandering. De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden voor de ISD-maatregel is voldaan en dat deze maatregel noodzakelijk is om de kans op recidive te verkleinen en de verdachte te helpen stabiliseren in zijn leven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/231853-25 (P)
Uitspraakdatum: 23 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.A. Hobbelink, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 1 augustus 2025 tot en met 3 september 2025 te Alkmaar en/of Heerhugowaard, gemeente Alkmaar en/of gemeente Dijk en Waard meerdere, althans een, winkelgoed(eren) en/of verpakkingen met parfum(s) en/of haarverf, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Kruitvat, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Bewezen kan worden dat de verdachte op 1 augustus 2025 en op 3 september 2025 bij de Kruidvat goederen heeft gestolen.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit. Het proces-verbaal waarin de camerabeelden van het feit van 1 augustus 2025 zijn beschreven bevat geen objectieve herkenning van de verdachte. Daardoor ontbreekt een schakel in de bewijsketen en kan niet worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de goederen op die datum heeft weggenomen. Met betrekking tot het feit van 3 september 2025 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vermeld.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 1 augustus 2025 en 3 september 2025 te Alkmaar en Heerhugowaard, parfums en haarverf die aan Kruidvat toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal opleggen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, in het geval van oplegging van de ISD-maatregel, deze maatregel te beperken tot de duur van één jaar. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop in mindering te brengen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in korte tijd, onder invloed van alcohol, tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit dat niet alleen overlast en ergernis oplevert voor (medewerkers van) het betrokken bedrijf, maar ook schade veroorzaakt doordat kosten zijn gemoeid met de afhandeling daarvan en het treffen van maatregelen ter voorkoming van winkeldiefstallen. De verdachte heeft hiermee getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen en heeft kennelijk enkel en alleen aan zijn eigen belang gedacht.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het 21 pagina’s tellende Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 26 november 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte de laatste jaren veelvuldig strafbare feiten heeft gepleegd, en met name vermogensdelicten zoals winkeldiefstal.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 4 december 2025 van GGZ Reclassering Fivoor, opgesteld door [reclasseringswerker] . Hierin is geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Ter zitting hebben [reclasseringswerker] en [reclasseringswerker] dit standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.
Het advies komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat bij de verdachte sprake is van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. De verdachte beschikt niet over huisvesting, hij heeft schulden, bevindt zich in een negatief sociaal netwerk en er is sprake van langdurige verslavings- en psychische problematiek. Zijn alcoholgebruik staat in direct verband met zijn delictgedrag, omdat de vermogensdelicten onder invloed van alcohol worden gepleegd. Daarnaast lijkt het gebrek aan financiële middelen de reden te zijn dat de verdachte de diefstallen pleegt.
Er is sprake van een lange reclasseringsgeschiedenis en de verdachte is al meerdere keren langdurig klinisch opgenomen geweest. Daarnaast zijn er meermaals ambulante behandel- en begeleidingstrajecten ingezet en heeft de verdachte in 2021 al eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen. Deze eerdere interventies hebben niet geleid tot gedragsverandering of het beëindigen van delictgedrag. Het laatste toezicht is op 14 november 2024 voortijdig negatief beëindigd. De reclassering heeft aangegeven geen mogelijkheden te zien voor het inzetten van reclasseringsinterventies binnen het kader van een voorwaardelijke veroordeling. De reclassering schat in dat het strenge kader van de ISD-maatregel de grootste kans van slagen heeft om de verdachte te helpen stabiliteit op de verschillende leefgebieden te bereiken en om het recidiverisico terug te dringen.
De reclassering heeft toegelicht dat voor een succesvolle klinische behandeling naar verwachting ten minste circa negen maanden tijd nodig zal zijn. Daarnaast is het van belang dat in de eindfase van het ISD-traject voldoende tijd wordt uitgetrokken voor de nazorg, zoals uitstroom naar een passende woonplek. Oplegging van de maatregel voor de duur van één jaar met aftrek van voorarrest, zoals verzocht door de raadsman, zou daarvoor zeker te kort zijn.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Immers (i) betreft het door de verdachte begane feit een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, (ii) is de verdachte in de afgelopen vijf jaar ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, (iii) is het onderhavige feit begaan na tenuitvoerlegging hiervan, (iv) moet er ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en (v) eist de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel.
De rechtbank kan zich bovendien vinden in het advies van de reclassering en neemt dit advies over. Gebleken is dat minder verstrekkende alternatieven zoals een voorwaardelijke ISD-maatregel of een voorwaardelijke straf met reclasseringsinterventies onvoldoende toereikend zijn om de kans op recidive te verkleinen, de psychosociale- en middelenproblematiek aan te pakken en de verdachte te stabiliseren in zijn leefomstandigheden. Om dit te kunnen bereiken is het strikte kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel nodig.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren moet worden opgelegd.
Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank, in lijn met het advies van de reclassering, bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 38m, 38n, 57, 310 Sr.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
twee jaar.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. M. Rigter, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Bleijendaal,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 december 2025.