ECLI:NL:RBNHO:2025:15742

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/044956-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mensenhandel en seksuele uitbuiting van minderjarige en meerderjarige slachtoffers

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mensenhandel en seksuele uitbuiting. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de seksuele uitbuiting van een meerderjarige, omdat niet kon worden bewezen dat er een dwangmiddel was gebruikt. Echter, de verdachte is wel veroordeeld voor mensenhandel en seksuele uitbuiting van een minderjarige. De rechtbank oordeelde dat de verdachte het minderjarige slachtoffer bij verschillende seksafspraken heeft vervoerd en financieel heeft geprofiteerd van deze uitbuiting. De rechtbank verwierp het beroep op psychische overmacht van de verdachte en constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 342 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is de benadeelde partij, het minderjarige slachtoffer, toegewezen in haar vordering tot schadevergoeding van € 2.375,-. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij van de meerderjarige niet-ontvankelijk verklaard in verband met de vrijspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/044956-23 (P)
Uitspraakdatum: 9 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 november 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B. Rademacher en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2021 tot en met 25 augustus 2022 te Utrecht en/of Beverwijk en/of (elders in) Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer A] , (geboren op [geboortedatum 2] ),
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer A] terwijl [slachtoffer A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, (sub 2),
en/of
2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel (enige) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer A] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die (seksuele) handelingen (sub 5),
en/of
3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer A] met of voor een derde tegen betaling (sub 8) te weten de helft van de opbrengst te ontvangen [slachtoffer A] middels prostitutiewerkzaamheden heeft verdiend),
terwijl [slachtoffer A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
en waarbij "enige handeling(en)" (zoals genoemd onder 2) (onder meer) hebben/heeft bestaan uit
het aanmaken van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin [slachtoffer A] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
-het halen en/of brengen en/of begeleiden van [slachtoffer A] van/naar/bij prostitutiewerkzaamheden en/of klant(en);
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2022 tot en met 1 december 2022 te Rotterdam en/of (elders in) Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer B] (geboren op [geboortedatum 3] ), (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of
2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer B] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of
3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van [slachtoffer B] , met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en/of
4) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer B] ,
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit: het meermalen, althans eenmaal,
- zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze uiten tegen die [slachtoffer B] en/of
- onder controle houden en/of onder druk zetten van die [slachtoffer B] waardoor het voor die [slachtoffer B] werd bemoeilijkt zich aan die prostitutiewerkzaamheden te onttrekken en/of
- mishandelen van [slachtoffer B] en/of
- (in ernstige mate) beperken van de bewegings- en/of beslissingsvrijheid van die [slachtoffer B] en/of dreigen naar de woning van de moeder van die [slachtoffer B] te gaan en/of aan die moeder te vertellen dat die [slachtoffer B] werkzaam is als prostituee en/of
en/of
waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:
- het maken van een of meer (seksueel getinte) foto('s) voor (een) advertentie(s) op één of meer website(s) (waaronder de website Kinky.nl) waarin die [slachtoffer B] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het "omhoog plaatsen") en/of het betalen van één of meer advertentie(s) op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer B] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- het onderhouden van contact(en) met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer B] , en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de
prostitutiewerkzaamheden en/of de/het daarvoor te betalen bedrag(en) en/of
- het bepalen wanneer die [slachtoffer B] (prostitutie)klant(en) moest aannemen/ontvangen en/of
- het bepalen welke klant (en) die [slachtoffer B] moest aannemen/ontvangen voor haar prostitutiewerkzaamheden en/of
- het vervoeren van die [slachtoffer B] naar locatie(s) alwaar de prostitutiewerkzaamheden plaats zouden gaan vinden en/of
- het (al dan niet laten) boeken en/of ter beschikking stellen van hotelkamer(s) als werkplek voor die [slachtoffer B] en/of het regelen van andere werklocatie(s) voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer B] en/of
- het in/nabij (de omgeving van) de ruimte/werkplek/woning/hotel(s) blijven/zich ophouden alwaar die [slachtoffer B] (op dat moment) haar werkzaamheden als prostituee uitoefende.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een dwangmiddel heeft gebruikt. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak ten aanzien van feit 2Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan omdat niet kan worden bewezen dat er een dwangmiddel is gebruikt, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.3
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van de aangeefster niet als voldoende betrouwbaar dan wel geloofwaardig kunnen worden aangemerkt. Hij heeft betoogd dat de verklaringen van de aangeefster innerlijk tegenstrijdig zijn, door de inhoud van andere dossierstukken worden tegengesproken en geen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet hierop kunnen de verklaringen van de aangeefster niet voor het bewijs gebezigd worden en moet de verdachte vrijgesproken worden.
De rechtbank volgt de raadsman niet in dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster op essentiële onderdelen gedetailleerd en consistent is. Bovendien heeft de verdachte zelf verklaard dat hij de aangeefster drie keer heeft vervoerd voor seksafspraken en dat hij hierbij de helft van de opbrengst kreeg, waarmee hij de verklaring van de aangeefster op dit punt bevestigt. Dat de verdachte de verklaring van de aangeefster op andere punten betwist, geeft de rechtbank geen reden hier anders over te oordelen.
De rechtbank komt gelet op de aangifte en de verklaring van de verdachte tot het oordeel dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, op de wijze zoals hieronder in de rubriek ‘bewezenverklaring’ weergegeven. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 25 augustus 2022 betrokken is geweest bij drie seksafspraken. Voor de lezing van de aangeefster dat dit daarnaast nog meerdere keren is gebeurd en dat de verdachte ook op andere manieren betrokken is geweest bij seksafspraken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 25 augustus 2022 in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer A] , (geboren op [geboortedatum 2] ),
1) heeft vervoerd met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer A] terwijl [slachtoffer A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
en
2) enige handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer A] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die (seksuele) handelingen,
en
3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer A] met of voor een derde tegen betaling te weten de helft van de opbrengst te ontvangen [slachtoffer A] middels prostitutiewerkzaamheden heeft verdiend,
terwijl [slachtoffer A] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
en waarbij "enige handelingen" (zoals genoemd onder 2) onder meer hebben bestaan uit
-het halen en/of brengen en/of begeleiden van [slachtoffer A] van/naar/bij prostitutiewerkzaamheden en/of klant(en).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2º, 5º en 8º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

5.1
Beroep op psychische overmacht ten aanzien van feit 1
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 1 (mensenhandel met betrekking tot de minderjarige [slachtoffer A] ) moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Hiertoe heeft de raadsman gewezen op de verklaring van de verdachte dat hij onder druk is gezet om de aangeefster te vervoeren naar de seksafspraken, omdat de aangeefster anders compromitterend beeldmateriaal van hem openbaar zou maken. Ter onderbouwing van de verklaring van de verdachte heeft de raadsman in een eerder stadium van het strafproces screenshots van onder meer chatberichten overgelegd die door de aangeefster aan de verdachte zouden zijn gestuurd om hem te chanteren.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op psychische overmacht niet kan slagen, omdat de verdediging dit onvoldoende (concreet) heeft onderbouwd.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht zeer hoge eisen worden gesteld. Het kan slechts slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Het moet daarbij gaan om een zodanige druk die op de verdachte is uitgeoefend, dat zijn wilsvrijheid is aangetast en onder die omstandigheden niet van hem kon worden gevergd dat hij daar weerstand aan kon bieden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de verdediging geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan aannemelijk is geworden dat sprake was van een situatie waarin de verdachte zodanig onder (psychische) druk heeft gestaan of een zodanig van buiten komende drang heeft ervaren dat hij hier redelijkerwijs geen weerstand aan kon of hoefde te bieden. Wat de verdediging ter onderbouwing van het verweer heeft aangevoerd en overgelegd, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De overgelegde chatberichten zijn door de politie onderzocht. Hieruit volgt dat deze chatberichten buiten de bewezen verklaarde periode vallen. [1] Bovendien bieden deze chatberichten ook geen inzicht in het handelen van de verdachte en zijn beweegredenen die hem ertoe zouden hebben gebracht om de aangeefster te gaan helpen bij de ondersteuning van haar prostitutiewerkzaamheden. Nu het dossier ook verder geen aanknopingspunten biedt voor de verklaring van de verdachte, zal de rechtbank de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde schuiven. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom verworpen.
Gelet op het voorgaande, en ook overigens, is geen omstandigheid aannemelijk geworden die
de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 650 dagen, waarvan 460 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 11 november 2025, te worden verbonden. Bij zijn strafeis heeft de officier van justitie in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van strafzaken.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de conclusies die de reclassering daarover heeft getrokken in haar rapport van 11 november 2025. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf te matigen en geen ambulante behandelverplichting als bijzondere voorwaarde op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel, in de vorm van seksuele uitbuiting van een minderjarige. De verdachte heeft het slachtoffer bij verschillende seksafspraken vervoerd en heeft daarvan financieel geprofiteerd. De verdachte wilde op deze manier snel geld verdienen en heeft geen enkel oog gehad voor de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer. Mensenhandel in de prostitutie is een ernstig strafbaar feit, waarmee ernstige inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en op haar persoonlijke vrijheid. De ervaring leert dat slachtoffers van mensenhandel hier gedurende lange tijd nog psychische en emotionele schade van kunnen ondervinden. De verdachte heeft hier door zijn handelen bewust aan bijgedragen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 20 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de
verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 17 april 2024 geschorst. Sindsdien staat de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering heeft laatstelijk op 11 november 2025 een advies uitgebracht. Hierin schrijft de reclassering dat zij aan het begin van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte instabiliteit zag op diverse leefgebieden van de verdachte. Sinds de schorsing ziet de reclassering een positieve gedragsverandering bij de verdachte. Hij beschikt over dagbesteding, een regulier inkomen en recent heeft hij al zijn schulden afgerond. Ook ervaart de verdachte geen problemen meer op het gebied van zijn psychosociaal functioneren. De reclassering ziet de stabiele thuissituatie van de verdachte en de goede band met zijn familie als beschermende factoren. Ondanks dat de verdachte nu een stabiele leefsituatie heeft, ziet de reclassering risico’s in het gedrag van de verdachte. Hierbij merkt de reclassering op dat het gaat om een ernstig feit. Gelet op het voorgaande vindt de reclassering het voortzetten van het toezicht en verder onderzoek naar het psychosociaal functioneren van de verdachte wenselijk. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling en (iii) een contactverbod met de aangeefsters.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, is
de rechtbank van oordeel dat in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het
opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank onder meer gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank het niet opportuun aan de verdachte een straf op te leggen die zou betekenen dat hij terug moet naar de gevangenis. De verdachte heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en lijkt zijn leven inmiddels goed op orde te hebben. De rechtbank wil deze positieve ontwikkeling niet doorkruizen. Omdat de oriëntatiepunten van de rechtspraak anders luiden dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, komt de rechtbank op een lagere straf uit dan die de officier van justitie heeft gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat een relatief beperkte vorm van uitbuiting bewezen is verklaard, nu het bewezen verklaarde handelen van de verdachte bestond uit het vervoeren van het slachtoffer en het in ontvangst nemen van de helft van de opbrengst bij drie seksafspraken. De rechtbank vindt in dit geval in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.
De redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen
op 11 oktober 2023, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Het eindvonnis wordt op 9 december 2025 gewezen. De rechtbank stelt de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op twee maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering. Om die reden zal de rechtbank de duur van de op te leggen gevangenisstraf verminderen met vijf procent (18 dagen).
Slotsom
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 342 dagen moet worden opgelegd, waarvan 152 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te
maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de
reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, met uitzondering van het contactverbod ten aanzien van aangeefster Verhaar. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het reclasseringsrapport voldoende is onderbouwd waarom een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde wenselijk is.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
opheffen.

7.Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon (omschrijving: NHRCC23003_786386, zwart, merk: Apple iPhone 11), dient te worden teruggegeven aan de verdachte.

8.Vordering benadeelde partij [slachtoffer B] (feit 2)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer B] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 11.159,08 wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Nu de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht wat aan de verdachte onder 2 ten
laste is gelegd, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

9.Vordering benadeelde partij [slachtoffer A] (feit 1)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer A] is tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 87.000,- wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bedraagt € 75.000,- en bestaat uit gederfde inkomsten (ad. € 250,- per dag, gedurende een periode van 300 dagen). Ter zitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering ten aanzien van de materiële schade bijgesteld tot een bedrag van € 20.000,- bestaande uit gederfde inkomsten (ad. € 250,- per dag, gedurende een periode van 109 dagen, maar beperkt tot € 20.000,- omdat de benadeelde partij in die periode niet elke dag heeft gewerkt).
De gestelde immateriële schade bedraagt € 12.000,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
9.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade, omdat deze schade niet in rechtstreeks verband staat met de door de officier van justitie gevorderde bewezenverklaring. De officier van justitie acht de vordering wat betreft de immateriële schade toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, maar heeft zich niet uitgelaten over de hoogte van de toe te kennen vergoeding voor de immateriële schade.
9.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – gelet op de primair bepleite integrale vrijspraak en subsidiair bepleite ontslag van alle rechtsvervolging – primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en eventuele schade bij de benadeelde partij en dat het vaststellen van de hoogte van de eventueel door de verdachte veroorzaakte schade een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert.
9.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 375,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de benadeelde partij de helft van haar in de prostitutie verdiende inkomsten aan de verdachte moest afstaan. Vanaf dat moment was de benadeelde partij de beschikkingsmacht over dat geld kwijt en bepaalde de verdachte wat daarmee gebeurde. Aldus heeft de benadeelde partij inkomsten gederfd. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 25 augustus 2022 betrokken is geweest bij drie afspraken van de benadeelde partij. De rechtbank acht een vergoeding voor gederfde inkomsten van € 375,- (ad. € 125,- x 3 afspraken) als redelijke schatting voor toewijzing vatbaar en zal de benadeelde partij voor het overige bedrag niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren, nu – bij gebreke van een voldoende nadere onderbouwing van de vordering op dit punt – een en ander een nader onderzoek zou vereisen en dit tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden.
Immateriële schade
Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die in zijn of haar persoon is aangetast recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in dit geval aan de orde. Uit het verhandelde ter zitting en de onderbouwing bij het voegingsformulier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde feit minderjarig was. Ook heeft de rechtbank de in deze zaak relatief korte bewezen verklaarde pleegperiode en aantal seksafspraken binnen die pleegperiode in aanmerking genomen. De rechtbank acht, mede gelet op de bedragen die in soortgelijke gevallen door Nederlandse rechters worden toegewezen, een bedrag van € 2.000,- billijk en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. In het resterende deel van de vordering met betrekking tot immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van
€ 2.375,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft
gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2º, 5º en 8º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt) aanleiding ter zake van de vordering van de
benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 14a, 14b, 14c, 36f en 273f (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
342 [driehonderdtweeënveertig] dagen;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
152 [honderdtweeënvijftig] dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 [twee] jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich na het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering Utrecht op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na het ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [slachtoffer A] , geboren op [geboortedatum 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
voorlopige hechtenis
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
teruggave beslag
gelast de teruggave aan de verdachte van:
1 STK GSM (omschrijving: NHRCC23003_786386, zwart, merk: Apple iPhone 11);
vordering benadeelde partij [slachtoffer B]
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in de vordering;
vordering benadeelde partij [slachtoffer A]
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 2.375,- [tweeduizend driehonderdvijfenzeventig euro], bestaande uit € 375,- [driehonderdvijfenzeventig euro] als vergoeding voor de materiële en
€ 2.000,- [tweeduizend euro] als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer A] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer A] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.375,- [tweeduizend driehonderdvijfenzeventig euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.C. van den Bos, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Mr. A. Talmricht is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant M.A.J. Leek van 18 oktober 2023 (p. 91 t/m 92).