6.3Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij heeft het slachtoffer, een jonge en kwetsbare vrouw, met gebruik van dwang en geweld verkracht. De verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waar het slachtoffer een periode met enige regelmaat verbleef als zij geen plek had om te slapen. Het huis van de verdachte was dan ook een plek waar het slachtoffer zich veilig had moeten voelen. Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer op ingrijpende wijze geschonden. Slachtoffers van feiten als het onderhavige kunnen daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft de gevolgen voor het slachtoffer door zijn handelen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van voornoemd slachtoffer. Daarmee heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij de benadeelde opgewekt. Verder is de verdachte als houder van twee katten in meerdere opzichten tekort geschoten in de verzorging van deze van hem afhankelijke katten. De katten bevonden zich in de woning van de verdachte tussen de vuilnis, etensresten, drugsresten en scherpe voorwerpen. Deze wijze van huisvesting heeft negatieve gevolgen gehad voor de gezondheid van de katten, die last hadden van vlooien, blaasgruis en/of ontstoken tandvlees. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de medewerker van een winkel, die tijdens de uitoefening van zijn werk opeens werd geconfronteerd met het agressieve gedrag van de verdachte. Het handelen van de verdachte heeft pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en zijn lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 1 juli 2025. Hieruit blijkt dat de
verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Bovendien liep de verdachte op het moment van het plegen van drie van de feiten nog in een proeftijd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij het opleggen van een straf.
De rechtbank heeft verder gekeken naar het rapport van de reclassering van 23 juni 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van de verdachte vormen de grootste risicofactoren en staan mogelijk of indirect in verband met het delict. De verdachte heeft traumatische gebeurtenissen uit zijn verleden niet kunnen verwerken en is daarom al bijna zijn hele leven verslaafd aan alcohol en drugs. Ook ziet de reclassering instabiliteit op diverse leefgebieden van de verdachte, wat ook risico verhogend werkt. De verdachte heeft geen dagbesteding, een laag inkomen en omringt zich met een negatief (gebruikers)netwerk. Het risico op geweld wordt ook als hoog ingeschat. Gezien de ernst van zijn middelengebruik, onvoldoende actuele diagnostiek, onverwerkte trauma's op psychosociaal vlak en het hoge recidiverisico, adviseert de reclassering om dit binnen een klinische setting te behandelen. Na afronding van de klinische opname kan de behandeling ambulant worden voortgezet en kan er worden gekeken naar uitstroom voor huisvesting in een bij voorkeur andere regio. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, (iii) een contactverbod met [slachtoffer A] en [slachtoffer B] , (iv) een locatieverbod zonder elektronische monitoring, (v) het meewerken aan middelencontrole, (vi) begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en (vii) opname in een zorginstelling. Tot slot adviseert de reclassering de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 18 september 2025 geschorst zodat de verdachte kon worden opgenomen in de forensische kliniek De Hooge Venne in Heiloo. Voorafgaand aan de zitting is door de officier van justitie een bericht van de reclassering van 24 november 2025 overgelegd waaruit volgt dat de verdachte in de kliniek is gestart met verslavingstherapie, is aangemeld voor diverse trainingen en vijf dagdelen per week dagbesteding heeft. Ook volgt uit dit bericht dat de verdachte goed meewerkt en gemotiveerd is om deel te nemen aan zijn behandeling.
De op te leggen straf
De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende – en met name indachtig de verslavings- en psychische problematiek van de verdachte – is de rechtbank echter van oordeel dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is. De rechtbank acht het in zowel het belang van de verdachte als de maatschappij dat de verdachte zijn huidige behandeling en verblijf bij de forensische kliniek De Hooge Venne kan voortzetten en onder de nodige zorg en begeleiding kan toewerken naar ambulante behandeling en huisvesting in een andere regio. Ten tijde van het plegen van de feiten was de verdachte ernstig verslaafd aan alcohol en drugs en hij is nu gestart met een behandeling die erop is gericht deze verslaving en andere psychische problematiek onder controle te brengen, waarvoor de verdachte gemotiveerd is. De rechtbank wil dit niet doorkruizen. Oplegging van een straf waarbij het onvoorwaardelijk deel langer is dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, acht de rechtbank dan ook onwenselijk.
Dit betekent dat de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden zal opleggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van acht maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uur moet worden opgelegd.
De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn omdat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank grondt dat oordeel op het strafblad van de verdachte, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte is gerecidiveerd terwijl hij in een proeftijd liep. Daarnaast grondt de rechtbank dat oordeel op de inhoud van het reclasseringsrapport, waarin onder meer naar voren is gekomen dat de kans op recidive en op geweld als hoog worden ingeschat.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ook zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 8.11a van de Wet dieren opleggen, die inhoudt dat de verdachte gedurende een periode van drie jaren geen katten of andere dieren mag houden.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis
opheffen.