ECLI:NL:RBNHO:2025:15751

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
15.137304.20
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen beslissing Openbaar Ministerie over voorwaardelijke invrijheidstelling

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 9 december 2025 uitspraak gedaan over een bezwaarschrift van een veroordeelde tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) te verlenen. De veroordeelde, die een gevangenisstraf van zeven jaren ondergaat, had op 12 april 2025 in aanmerking kunnen komen voor v.i., maar het Openbaar Ministerie heeft deze beslissing uitgesteld. Na meerdere bezwaren en uitstelbeslissingen heeft het Openbaar Ministerie op 7 oktober 2025 definitief besloten om de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. De rechtbank heeft het bezwaar van de veroordeelde ongegrond verklaard, na een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen en het gedrag van de veroordeelde in detentie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde negatief gedrag vertoonde, waaronder verbale agressie en het niet meewerken aan diagnostisch onderzoek. Ondanks verbeteringen in zijn motivatie en werkhouding, was het recidiverisico hoog. De rechtbank concludeert dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, en dat de bezwaren van de veroordeelde niet voldoende zijn om de beslissing te herzien.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige raadkamer
Parketnummer: 15.137304.20
V.I. zaaknummer : 89.000208.44
Rekestnummer: 25-027375
Uitspraakdatum: 9 december 2025
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [datum] 1987 te [geboorteplaats] ,
[adres 1],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught,
voor deze zaak woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. Kuipers, advocaat te Arnhem
([adres 2]),
hierna te noemen: de veroordeelde.

1.Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft de veroordeelde bij arrest van 26 februari 2024
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest en een maatregel opgelegd strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De veroordeelde kon, gelet op art. 6:2:10 Sv, op 12 april 2025 in aanmerking komen voor
voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).
Het Openbaar Ministerie heeft op 11 maart 2025 beslist om het verlenen van v.i. uit te stellen met maximaal 60 dagen, te rekenen vanaf 12 april 2025, omdat het Openbaar Ministerie nog niet alle voor het nemen van de beslissing benodigde adviezen had ontvangen.
Namens de veroordeelde is tegen deze beslissing op 25 maart 2025 bezwaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 14 april 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Het Openbaar Ministerie heeft op 18 april 2025 beslist om het verlenen van v.i. uit te stellen met 180 dagen, te rekenen vanaf 18 april 2025.
Namens de veroordeelde is tegen deze beslissing op 2 mei 2025 bezwaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 19 mei 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Het Openbaar Ministerie heeft op 7 oktober 2025 beslist dat de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 10 oktober 2025 aan de
veroordeelde betekend.

2.Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 24 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt in de conclusie op het bezwaarschrift van 20 november 2025.
De rechtbank heeft op 25 november 2025 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. M. Kuipers, en de officier van justitie mr. R.P. Peters, in raadkamer gehoord.

3.Bezwaar

De veroordeelde is het niet eens met de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Hij betwist dat hij zonder aanleiding een medegedetineerde in elkaar heeft geslagen. Er was sprake van een conflict omdat de veroordeelde werd gepest door een medegedetineerde. De veroordeelde is vervolgens overgeplaatst naar de Beheers problematische Gedetineerden Afdeling BPG-afdeling. Hij verwacht dat hij snel zal worden teruggeplaatst in het reguliere regime, omdat hij inmiddels in een gevorderd stadium op de BPG afdeling zit en zijn verblijf daar zonder problemen verloopt.
Het rapport van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) vermeldt dat bij de veroordeelde wantrouwen bestaat naar hulpverlening door trauma en verwaarlozing in zijn jeugd omdat hij op vierjarige leeftijd uit Somalië moest vluchten. Ondanks dit wantrouwen heeft de veroordeelde met de begeleider van Humanitas forse stappen gemaakt. Zij heeft hem voorbereid op het leven buiten de penitentiaire inrichting en hoe om te gaan met praktische zaken. Uit het rapport blijkt bovendien dat de veroordeelde het goed doet op de arbeid en dat zijn inzet wordt gezien als positieve factor. Ook wordt nadrukkelijk benoemd dat zijn motivatie toeneemt naarmate de detentie vordert. Los van een aantal incidenten binnen detentie, toont hij zich gemotiveerd om begeleid te worden. Dit blijkt ook uit het feit dat hij heel graag de leefstijltraining wilde volgen. Zijn houding in detentie geeft blijk van voortschrijdend inzicht in vertrouwen en motivatie. Deze feiten en omstandigheden doen afbreuk aan het vermeende recidiverisico.
Verder is door het Openbaar Ministerie in onvoldoende mate meegewogen dat door het gerechtshof Amsterdam een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
De reclassering heeft op 20 augustus 2025 geadviseerd om geen v.i. te verlenen. Dit advies is vooral gebaseerd op de omstandigheid dat de veroordeelde geen toestemming zou willen geven voor het opstellen van een plan van aanpak of hier niet aan mee zou willen werken. Dit berust op een miscommunicatie. Daarbij is ook niet duidelijk of de veroordeelde voldoende is voorgelicht over de eventuele gevolgen van het weigeren om daaraan mee te werken.
De raadsman heeft ter aanvulling op het bezwaarschrift aangevoerd dat de veroordeelde niet geweigerd heeft om mee te werken aan diagnostisch onderzoek, maar dat hij terughoudend is geweest omdat hij niet wist waarom dit onderzoek moest worden gedaan.
Gelet op de grote belangen van de veroordeelde om terug te kunnen keren in de maatschappij, dient hij nog een kans te krijgen om alsnog mee te werken aan diagnostisch onderzoek. De raadsman heeft verzocht het bezwaar gegrond te verklaren, subsidiair de beslissing op bezwaar met 2 of 3 maanden aan te houden zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt om mee te werken aan dit onderzoek.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.
De beslissing om geen v.i. te verlenen is gebaseerd op het adviesrapport van de reclassering en het DJI-rapport, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving. De veroordeelde toont nog steeds overwegend negatief gedrag in detentie waarvoor hij meerdere rapporten heeft gekregen. Vanwege zijn negatieve gedrag is hij in juni 2025 op de BPG-afdeling geplaatst. Uit de adviezen blijkt dat zowel vanuit de reclassering als vanuit de penitentiaire inrichting meerdere keren aan de veroordeelde is gevraagd om toestemming te geven en om mee te werken aan het diagnostisch onderzoek. Aan hem is ook uitgelegd wat het belang van medewerking is. Hij heeft echter niet meegewerkt aan het diagnostisch onderzoek en ook geen toestemming gegeven om het resultaat van de HKT-R (Historisch Klinisch Toekomst – Revisie) te delen met de reclassering. De overplaatsing van de veroordeelde naar de BPG-afdeling was ook een reden dat het diagnostisch onderzoek uiteindelijk niet kon worden uitgevoerd.

5.Beoordeling

Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv moet de rechtbank onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
Bij het nemen van een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidsstelling betrekt het Openbaar Ministerie de in artikel 6:2:10, derde lid, Sv genoemde aspecten, waaronder de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving. Bij het eerste aspect wordt het gedrag van de veroordeelde gedurende de hele detentie meegewogen. Hierbij gaat het in dit geval om gedrag binnen de penitentiaire inrichting.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken, waaronder het DJI-rapport van 20 augustus 2025 en het reclasseringsadvies van 20 augustus 2025. In deze adviezen zijn naast een goede werkhouding bij de arbeid en een verbeterde motivatie voor begeleiding en training ook zorgwekkende factoren genoemd, waaronder verbale agressie jegens het personeel van de penitentiaire inrichting en wantrouwen jegens hulpverlening. Hoewel de veroordeelde meermaals door de reclassering en de begeleiding in de penitentiaire inrichting is geadviseerd om mee te werken aan gedragsinterventies en (verdiepings)diagnostiek en hij hiervoor meermaals is aangemeld, heeft hij zijn medewerking geweigerd. Sinds maart 2025 heeft de veroordeelde een viertal nieuwe rapporten gekregen wegens negatief gedrag, waaronder het uitschelden van personeel, het zich misdragen op de arbeid, fysieke en verbale agressie en bedreiging, het niet meewerken in algemene zin en een positieve urinecontrole. Doordat hij op 27 juni 2025 na een geweldsincident met een medegedetineerde is overgeplaatst naar de BPG-afdeling, is een plan van aanpak uiteindelijk niet van de grond gekomen. Het recidiverisico wordt door de reclassering als hoog ingeschat, het risico op letsel wordt als hoog ingeschat, en het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt als hoog ingeschat. Ook in het DJI-rapport
is de conclusie dat er ernstige zorgen zijn en dat het risico wordt ingeschat als hoog.
De rechtbank overweegt verder dat ook aan een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht, een zodanige invulling zal moeten worden gegeven dat het risico op recidive zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarover zal de reclassering adviseren als de officier van justitie daartoe opdracht geeft, en ook voor dat advies is de medewerking van de veroordeelde noodzakelijk. Het enkele feit dat een dergelijke maatregel aan de veroordeelde is opgelegd, werkt dus nog niet risicobeperkend, dat hangt af van de invulling ervan.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen, gelet op het bovenstaande, in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
Dat de raadsman ter zitting heeft aangegeven dat de veroordeelde nu wel wil meewerken aan diagnostiek en zijn gedrag wil verbeteren, leidt, gelet op hetgeen hierover in het reclasseringsadvies is beschreven, niet tot een ander oordeel.
Het bezwaarschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is genomen door:
mr. L. Boonstra, voorzitter, en
mr. M.S. Neervoort en mr. E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van B.H.E. Zuidam, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december 2025.