ECLI:NL:RBNHO:2025:15781

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
11774827 \ CV EXPL 25-2394
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming van huurovereenkomst wegens huurachterstand met minderjarig kind

In deze zaak vordert Stichting Intermaris ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde vanwege huurachterstand. De huurovereenkomst is op 14 oktober 2019 ingegaan, met een maandhuur van € 576,07. Intermaris heeft de gedaagde, een alleenstaande moeder met een autistisch kind, aangemaand wegens huurachterstand die opliep tot € 2.103,71. De gedaagde heeft een betalingsregeling van € 100,00 per maand afgesproken, maar heeft deze niet nageleefd. De kantonrechter heeft de situatie van de gedaagde en haar kind in overweging genomen, maar oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedaagde niet is verschenen om haar situatie toe te lichten en dat de huurachterstand is opgelopen. De rechter heeft de ontbinding van de huurovereenkomst toegewezen, met een ontruimingstermijn van zes weken. Tevens is de gedaagde veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11774827 \ CV EXPL 25-2394 (SJ)
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
Stichting Intermaris,
te Hoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: Intermaris,
gemachtigde: M.G. Lasonder,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: S. Schipper.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Intermaris verhuurt met ingang van 14 oktober 2019 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 576,07 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
Op 2 januari 2025 heeft Intermaris [gedaagde] aangemeld bij de gemeente in het kader van vroegsignalering in verband met de huurachterstand over de maand oktober 2024 van € 376,07, november 2024 van € 575,88 en december 2024 van € 575,88. Intermaris heeft aan de gemeente laten weten dat de lopende huurtermijnen per de eerste dag van de maand moeten zijn betaald.
2.3.
Op 19 maart 2025 hebben partijen een betalingsregeling afgesproken van € 100,00 per maand ter aflossing van de huurachterstand.
2.4.
Intermaris heeft [gedaagde] aangemaand op 26 mei 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen omdat de maand mei 2025 ook nog niet was betaald.

3.Het geschil

3.1.
Intermaris vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 2.103,71 aan huurachterstand over de maanden oktober tot en met december 2024 en de maand mei 2025 met nevenvorderingen.
3.2.
Intermaris legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Intermaris de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] voert als verweer aan dat zij alleenstaand is, dat de zorg voor haar zesjarige zwaar autistische zoontje een aanslag op haar inkomen is en dat haar financiële situatie daardoor zorgelijk is. Zij kan niet zelf zorg inkopen omdat haar inkomen daarvoor te bescheiden is. Omdat haar zoontje veel zorg vereist, kwam [gedaagde] steeds minder uren op haar werk, waardoor haar werkgever haar een nulurencontract heeft aangeboden. Dit is per 1 mei 2025 ingegaan maar pas op 20 mei 2025 officieel aan [gedaagde] meegedeeld. Toen pas kon het vakantiegeld aan haar worden uitbetaald. Op 4 juni 2025 heeft [gedaagde] € 675,88 overgemaakt, zijnde de huur en een maandelijkse aflossing van € 100,00. [gedaagde] vraagt zich af of hiermee rekening is gehouden. Door het nulurencontract is haar inkomen gedaald van ruim € 1.200 per maand naar iets meer dan € 500,00 per maand. Inmiddels ontvangt [gedaagde] wel dubbele kinderbijslag en loopt er een aanvraag om een PGB en aanvullende bijstand. [gedaagde] acht zich niet in staat om de gehele vordering in een keer te betalen, maar acht zich wel in staat om zich aan de eerder afgesproken betalingsregeling te houden. De gemachtigde van [gedaagde] vraagt zich af of het ethisch verantwoord is om [gedaagde] en haar zoontje zomaar op straat te zetten, terwijl zij wel wil voldoen aan de afspraken met Intermaris maar telkens weer financiële tegenslag heeft omdat zij niet de juiste hulp krijgt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ambtshalve toetsing van:de Huurovereenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden Zelfstandige Woonruimte maart 2017(hierna: de algemene voorwaarden)
4.1.
Gelet op de hoogte van de huur bij aanvang van de huurovereenkomst is sprake van sociale huur. In de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
4.2.
Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en een consument-huurder, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.3.
Bedingen waaraan de huurder gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de huurder op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoren in het nadeel van de huurder. [1] Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de verhuurder niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over het zelfde onderwerp.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het huurprijswijzigingsbeding getoetst en deze is niet oneerlijk.
Proceskosten
4.5.
Het beding in artikel 17.2 van de algemene voorwaarden ziet op de proceskosten. Voor zover de verhuurder op grond hiervan aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
Huurachterstand
4.6.
[gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord erkend dat er een huurachterstand is die tot en met 10 juni 2025 is berekend op € 2.103,90. Op de zitting heeft Intermaris naar voren gebracht dat de huurachterstand per 25 november 2025 inmiddels is opgelopen tot
€ 2.703,15. [gedaagde] is niet op de zitting verschenen, zodat de kantonrechter het ervoor houdt dat zij geen verweer voert, tegen de hoogte van de huidige huurachterstand. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
4.7.
[gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.
Ontbinding en ontruiming
4.8.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Intermaris heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.9.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [2] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [3]
4.10.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand bijna vier maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels bijna vijf maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
4.11.
De vraag is vervolgens of, ondanks de hiervoor benoemde tekortkoming, de ontbinding is gerechtvaardigd. Het belang van het minderjarige kind van [gedaagde] moet daarbij de eerste overweging vormen [4] . Dat betekent alleen niet dat een huurovereenkomst met een huurder met minderjarige kinderen niet mag worden ontbonden. De ouders van minderjarige kinderen zijn in principe verantwoordelijk voor de tekortkomingen die tot ontruiming kunnen leiden. Het feit dat [gedaagde] een minderjarig kind heeft, dat een zwaar autistische stoornis heeft, weegt uiteraard mee, maar het betekent niet dat zij in de woning kunnen blijven wonen zonder dat [gedaagde] de huur(achterstand) betaalt.
4.12.
[gedaagde] is niet op de zitting verschenen om een toelichting op haar situatie te geven, zodat niet duidelijk is of zij de huurachterstand op korte termijn zal kunnen voldoen. De kantonrechter weegt mee dat [gedaagde] sinds de dagvaarding van 20 juni 2025 tot de zittingsdatum ruim vijf maanden de tijd heeft gekregen om (met behulp van haar gemachtigde) haar financiën op orde te kunnen krijgen. Ondanks deze behoorlijk ruime termijn heeft de hulp tot op heden kennelijk niet het gewenste effect gehad.
De huurachterstand is immers opgelopen en de betalingsregeling wordt niet nagekomen. Onder die omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het woonbelang van [gedaagde] en haar minderjarige zoontje niet opweegt tegen het belang van Intermaris. Intermaris is er niet op uit om [gedaagde] en haar kind uit de woning te zetten maar van Intermaris kan niet worden verwacht [gedaagde] in de woning te laten wonen zonder dat daar een betaling tegenover staat, althans het zicht daarop op korte termijn op basis van een concreet uitgewerkt plan. Het ongewijzigd laten voortduren van deze situatie is niet terecht ten opzichte van andere huurders die eveneens in een moeilijke financiële positie verkeren. Daarbij is het ook niet in het belang van [gedaagde] en haar minderjarige kind dat de schulden blijven oplopen als zij zonder te betalen in de woning blijft wonen.
4.13.
Wel is overduidelijk dat [gedaagde] zo spoedig mogelijk (meer) hulp nodig heeft.
De kantonrechter acht het in het belang van [gedaagde] en haar kind dat [gedaagde] met hulp en begeleiding haar financiën met de nodige voortvarendheid op orde krijgt. De gemachtigde van Intermaris heeft op de zitting verklaard dat de gemeente Hoorn inmiddels Budgetbeheer heeft geregeld en dat er een zogenoemd ‘maatjes-traject’ is gestart, maar dat [gedaagde] het lastig vindt om alle benodigde gegevens te verzamelen.
Van [gedaagde] mag worden verwacht dat zij haar medewerking verleent om de nodige papieren tijdig en volledig aan te leveren. De kantonrechter ziet, gezien de belangen van het minderjarige kind van [gedaagde] , aanleiding om een ruimere ontruimingstermijn dan gebruikelijk te bepalen.
4.14.
Gelet op het voorgaande heeft Intermaris een gerechtvaardigd belang bij de ontbinding van de huurovereenkomst. De vordering tot ontbinding en ontruiming is dan ook toewijsbaar. De kantonrechter begrijpt dat deze beslissing geen oplossing is voor de problematiek van [gedaagde] , maar er is binnen deze procedure geen andere beslissing mogelijk die dat wel is. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn op zes weken na betekening van het vonnis stellen.
Gebruiksvergoeding
4.15.
Intermaris wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 576,07, te rekenen vanaf de maand december 2025 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intermaris worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.040,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [plaats] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Intermaris zijn, en de sleutels af te geven aan Intermaris,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Intermaris:
- € 2.703,15 aan achterstallige huur tot en met november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 576,07 per maand vanaf december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.040,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
de griffier de rechter

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.2.
2.Artikel 6:265 BW.
3.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810).
4.Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.