ECLI:NL:RBNHO:2025:15825
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.D. Kleijne
- P.A. Hesselink
- V.J.A. de Weerd
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak opzetverkrachting en niet-ontvankelijkheid vordering benadeelde partij
In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van opzetverkrachting. De tenlastelegging omvatte verschillende seksuele handelingen die de verdachte zou hebben verricht tegen de wil van het slachtoffer op 26 augustus 2024 in Haarlem. Tijdens de zitting op 2 december 2025 heeft de officier van justitie, mr. R.H.I. van Dongen, gevorderd dat de verdachte zou worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. N.F. Hoogervorst, vrijspraak bepleitte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster kritisch beoordeeld. De aangeefster had wisselende en inconsistente verklaringen afgelegd over de gebeurtenissen van die nacht, wat de rechtbank deed twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar getuigenis. Bovendien bleek uit forensisch onderzoek dat er geen objectieve bewijsmiddelen waren die de beschuldigingen ondersteunden, zoals DNA-sporen of andere forensische sporen. De rechtbank concludeerde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit had gepleegd, en sprak hem daarom vrij.
Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij, die een schadevergoeding van € 32.230,38 had ingediend, niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank had vastgesteld dat de verdachte niet schuldig was aan de tenlastelegging. De rechtbank oordeelde dat de waardering van de verklaringen van de aangeefster aan de zittingsrechter was voorbehouden, en dat er geen noodzaak was voor een deskundigenrapportage. De beslissing van de rechtbank werd genomen in aanwezigheid van de griffier, mr. T.A.F. Pomper, en werd openbaar uitgesproken op dezelfde dag.