ECLI:NL:RBNHO:2025:15825

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
15.279417.24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak opzetverkrachting en niet-ontvankelijkheid vordering benadeelde partij

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van opzetverkrachting. De tenlastelegging omvatte verschillende seksuele handelingen die de verdachte zou hebben verricht tegen de wil van het slachtoffer op 26 augustus 2024 in Haarlem. Tijdens de zitting op 2 december 2025 heeft de officier van justitie, mr. R.H.I. van Dongen, gevorderd dat de verdachte zou worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. N.F. Hoogervorst, vrijspraak bepleitte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster kritisch beoordeeld. De aangeefster had wisselende en inconsistente verklaringen afgelegd over de gebeurtenissen van die nacht, wat de rechtbank deed twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar getuigenis. Bovendien bleek uit forensisch onderzoek dat er geen objectieve bewijsmiddelen waren die de beschuldigingen ondersteunden, zoals DNA-sporen of andere forensische sporen. De rechtbank concludeerde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit had gepleegd, en sprak hem daarom vrij.

Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij, die een schadevergoeding van € 32.230,38 had ingediend, niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank had vastgesteld dat de verdachte niet schuldig was aan de tenlastelegging. De rechtbank oordeelde dat de waardering van de verklaringen van de aangeefster aan de zittingsrechter was voorbehouden, en dat er geen noodzaak was voor een deskundigenrapportage. De beslissing van de rechtbank werd genomen in aanwezigheid van de griffier, mr. T.A.F. Pomper, en werd openbaar uitgesproken op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.279417.24 (P)
Uitspraakdatum: 16 december 2025
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.H.I. van Dongen en van hetgeen de raadsvrouw van de verdachte, mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Hilversum, naar voren heeft gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met een persoon, te weten [naam slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het bij de billen aanraken en/of vastpakken van die [naam slachtoffer] en/of
- het (proberen) te zoenen van die [naam slachtoffer] en/of
- het onder de kleding aanraken van het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of
- het met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) langs het ondergoed (proberen) binnen (te) dringen in de vagina van die [naam slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [naam slachtoffer] en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus van die [naam slachtoffer] en/of (vaginale en/of anale) gemeenschap hebben met die [naam slachtoffer],
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat bij die [naam slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- het (onverhoeds) bij de schouders aanraken en/of vasthouden van die [naam slachtoffer] en/of
- ( terwijl die [naam slachtoffer] wordt vastgehouden) het uittrekken van de broek van die [naam slachtoffer] en/of
- de benen van die [naam slachtoffer] uit elkaar te spreiden.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Voor het geval de rechtbank tot een ander oordeel komt, heeft de officier van justitie het voorwaardelijke verzoek gedaan om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om een deskundigenrapportage te gelasten ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar is, omdat zij deze verklaring steeds heeft gewijzigd. Bovendien vindt het ten laste gelegde geen enkele steun in ander bewijsmateriaal.
3.3
Oordeel van de rechtbankNaar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De verklaringen van de aangeefster
In de vroege ochtend van 26 augustus 2024 is de aangeefster in hevig geëmotioneerde toestand aangetroffen tegen een gevel van de Langendijkstraat in Haarlem, waarbij zij aangaf pijn te hebben. Diezelfde dag heeft zij een informatief gesprek gevoerd met twee zedenrechercheurs en op 31 augustus 2024 heeft zij aangifte gedaan van verkrachting of aanranding.
De rechtbank stelt vast dat de aangeefster wisselend en met weinig details heeft verklaard over wat er exact is voorgevallen die nacht. De aangeefster is bij verschillende gelegenheden, op verschillende momenten en door verschillende functionarissen gehoord, waarbij zij meerdere keren heeft aangegeven de antwoorden op vragen niet zeker te weten. Haar verklaringen over het ten laste gelegde zijn op meerdere onderdelen niet consistent. Zo heeft zij wisselende verklaringen afgelegd over de wijze van seksueel binnendringen, namelijk of dit vaginaal en/of anaal is geweest, en hoeveel jongens hierbij betrokken zouden zijn geweest. Ook over de rol van de jongens, te weten het vasthouden van de aangeefster dan wel het seksueel binnendringen, is niet consistent verklaard.
De rechtbank stelt verder vast dat de aangeefster wel consistent heeft verklaard over jongens die achter haar aan zijn gefietst vanaf de Grote Markt en over de fietsketting die op of in een zijstraat van de Zijlweg is losgeraakt. Haar verklaring wordt op dit punt echter tegengesproken door de camerabeelden in het dossier. Daarop is te zien dat de verdachte en de medeverdachte – zonder fiets – door de Zijlstraat lopen. Ook is de verdachte samen met de medeverdachte en de aangeefster in beeld als zij net voor het begin van de Zijlweg uit de richting van de Zijlbrug komen lopen. In tegenstelling tot de op dit punt consistente verklaringen van de aangeefster, zijn de verdachte en de medeverdachte de aangeefster uitdrukkelijk niet achterna gefietst. Ook blijkt uit deze camerabeelden dat de consistente verklaringen van de aangeefster dat zij tot in de Zijlweg is gefietst tot het moment waarop de ketting van haar fiets is afgeraakt, niet met de werkelijkheid overeen te komen.
Gelet op deze inconsistenties en de verklaring van de aangeefster dat zij een groot gat in haar geheugen heeft met betrekking tot de gebeurtenissen in die nacht, moet de rechtbank uitermate behoedzaam omgaan met haar verklaringen.
Het ontbreken van objectief (steun)bewijs
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de overige inhoud van het dossier ondersteuning biedt voor de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank stelt echter vast dat er ondanks uitvoerig forensisch sporenonderzoek, geen objectieve aanknopingspunten naar voren zijn gekomen die de ten laste gelegde feiten ondersteunen. Zo zijn er geen DNA-sporen van de verdachte of de medeverdachte aangetroffen op het lichaam en de onderbroek van de aangeefster. Ook zijn er geen sporen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van sperma of glijmiddel (bij gebruik van een condoom). Omdat de aangeefster heeft verklaard dat er mogelijk een condoom was gebruikt en dat een van de daders deze mogelijk in zijn zak had meegenomen, is ook onderzoek verricht aan de jas van de medeverdachte. Ook in dit onderzoek zijn geen sporen aangetroffen van de aanwezigheid van sperma of glijmiddel. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat er geen objectieve bewijsmiddelen aanwezig zijn die wijzen op de ten laste gelegde verkrachting.
Conclusie
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de aangeefster die nacht in zeer emotionele toestand is aangetroffen, maar dat op basis van het procesdossier niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat er die nacht exact is gebeurd. Door de wisselende verklaringen van de aangeefster, het geheugenverlies en het ontbreken van objectief (steun)bewijs, is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken.
Het voorwaardelijk verzoek tot het gelasten van een deskundigenrapportage
De officier van justitie heeft voorwaardelijk verzocht tot het laten opstellen van een deskundigenrapport met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank acht een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk voor enige rechtens te nemen beslissing, omdat de waardering van de door de aangeefster afgelegde verklaringen bij uitstek is voorbehouden aan de zittingsrechter. Mede in aanmerking genomen de afwezigheid van objectief bewijs wat tot steun kan dienen voor de door de verzochte deskundige te beoordelen verklaringen van de aangeefster, acht de rechtbank zich in dat kader voldoende voorgelicht. Het voorwaardelijk verzoek van de officier van justitie wordt daarom afgewezen.

4.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 32.230,38 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Omdat hiervoor is vastgesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, kan de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
5. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. V.J.A. de Weerd, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.F. Pomper
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 december 2025.