ECLI:NL:RBNHO:2025:15826
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.D. Kleijne
- P.A. Hesselink
- V.J.A. de Weerd
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak opzetverkrachting en niet-ontvankelijkheid vordering benadeelde partij
Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van opzetverkrachting. De zaak kwam voor de rechtbank na een openbare terechtzitting op 2 december 2025. De verdachte, geboren in 1996 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, werd beschuldigd van verschillende seksuele handelingen met een aangeefster, waarbij de wil van de aangeefster ontbrak. De officier van justitie, mr. R.H.I. van Dongen, eiste een gevangenisstraf van 42 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster kritisch beoordeeld. Zij was in een emotionele toestand aangetroffen en had wisselende verklaringen afgelegd over de gebeurtenissen. De rechtbank constateerde dat er geen objectief bewijs was dat de tenlastegelegde feiten ondersteunde, zoals DNA-sporen of andere forensische aanwijzingen. De inconsistenties in de verklaringen van de aangeefster en het gebrek aan steunbewijs leidden de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte het feit had gepleegd.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van de tenlastelegging. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij, die een schadevergoeding van € 32.230,38 had ingediend, niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen bewijs was dat de verdachte het feit had gepleegd. De rechtbank oordeelde dat de waardering van de verklaringen van de aangeefster aan de zittingsrechter was voorbehouden en dat een deskundigenrapport niet noodzakelijk was voor de beslissing.