In deze zaak vordert eiser betaling van openstaande huurpenningen en bijkomende kosten van gedaagde, voortvloeiend uit een onderhuurovereenkomst die liep tot 31 december 2025. Eiser stelt dat gedaagde in verzuim is geraakt door niet tijdig te betalen en dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege liquiditeitsdruk.
Gedaagde betwist het spoedeisend belang en wijst op lopende geschillen tussen verschillende entiteiten binnen de betrokken groepen, alsmede op het feit dat de huurovereenkomst binnenkort eindigt, waardoor de huurachterstand niet verder kan oplopen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat onverwijlde spoed bestaat die een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. De vordering moet in de bredere context van de onderlinge relaties en andere geschillen worden bezien. Ook is niet gebleken dat een van de entiteiten faillissementsgevaar loopt.
Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en op 31 december 2025 in het openbaar uitgesproken.