ECLI:NL:RBNHO:2025:15865

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/15/371739 / KG ZA 25-728
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding vordering tot betaling huurachterstand na beëindiging huurovereenkomst

In deze zaak vordert eiser betaling van openstaande huurpenningen en bijkomende kosten van gedaagde, voortvloeiend uit een onderhuurovereenkomst die liep tot 31 december 2025. Eiser stelt dat gedaagde in verzuim is geraakt door niet tijdig te betalen en dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege liquiditeitsdruk.

Gedaagde betwist het spoedeisend belang en wijst op lopende geschillen tussen verschillende entiteiten binnen de betrokken groepen, alsmede op het feit dat de huurovereenkomst binnenkort eindigt, waardoor de huurachterstand niet verder kan oplopen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat onverwijlde spoed bestaat die een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. De vordering moet in de bredere context van de onderlinge relaties en andere geschillen worden bezien. Ook is niet gebleken dat een van de entiteiten faillissementsgevaar loopt.

Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en op 31 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen tot betaling van huurachterstand worden afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed en beëindiging van de huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/371739 / KG ZA 25-728
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. Bonefaas,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KPHOLDING B.V.,
te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard,
gedaagde partij,
hierna te noemen: KPHolding,
advocaat: mr. W. Schellart.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 november 2025, met producties 1-11;
- de producties 1-8 van KPHolding;
- de akte vermeerdering van eis tevens akte overlegging producties namens [eiser] , met producties 12-17;
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Bonefaas en Schellart hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eiser] is de financiële holding binnen de [naam] Transport Groep, een landelijk opererende onderneming die actief is in nationaal en internationaal transport en logistiek.
2.2.
KPHolding is een financiële holding binnen een groep van vennootschappen die actief is in de logistieke dienstverlening.
2.3.
Op 31 januari 2023 is tussen [eiser] en KPHolding een onderhuurovereenkomst tot stand gekomen uit hoofde waarvan [eiser] aan KPHolding onderverhuurt een bedrijfsruimte en het parkeerterrein aan de [adres] , tegen een huurprijs van € 26.366,- per maand.
2.4.
De huurovereenkomst is aangevangen op 1 februari 2023 en is aangegaan voor een periode tot en met 31 december 2025. Er geldt een opzegtermijn van zes maanden.
2.5.
Op 10 februari 2023 heeft KPHolding een waarborgsom van € 52.732,- overgemaakt naar [eiser] .
2.6.
Bij brief van 29 juni 2025 heeft KPHolding de huurovereenkomst opgezegd tegen de einddatum van 31 december 2025.
2.7.
KPHolding heeft vanaf juli 2025 de facturen voor de maandelijkse huur (grotendeels) onbetaald gelaten.
2.8.
Bij brief van 6 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] KPHolding gesommeerd de openstaande huurtermijnen, vermeerderd met kosten, binnen vijf dagen te voldoen. Daarop hebben partijen over en weer met elkaar gecorrespondeerd.
2.9.
Bij brief van 21 november 2025 heeft de advocaat van KPHolding aan [eiser] een voorstel gedaan voor het oplossen van de huurachterstand.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na vermeerdering van eis - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. KPHolding veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 159.427,50, bestaande uit huurpenningen over de maanden augustus tot en met december 2025, te vermeerderen met de contractuele boete, althans de wettelijke handelsrente;
II. KPHolding veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, door partijen vastgesteld op 15% van de verschuldigde hoofdsom, zijnde € 24.814,13, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
III. KPHolding veroordeelt tot betaling van de kosten van het conservatoir beslag ad
€ 2.986,56;
IV. KPHolding veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Op grond van de huurovereenkomst is KPHolding gehouden de huurpenningen en bijkomende kosten maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. KPHolding heeft in strijd met deze bepalingen nagelaten de facturen over de maanden augustus tot en met november 2025 te voldoen. Ondanks herhaalde aanmaningen en een ingebrekestelling op 6 november 2025, is betaling uitgebleven. Door deze niet-nakoming is KPHolding in verzuim geraakt. [eiser] vordert daarom betaling van de openstaande bedragen, vermeerderd met contractuele rente en boete zoals overeengekomen in de algemene bepalingen behorend bij de huurovereenkomst. Daarnaast is KPHolding op grond van de algemene bepalingen gehouden de door [eiser] gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten te vergoeden, zijnde 15% van de verschuldigde hoofdsom. [eiser] heeft spoedeisend belang bij haar “harde” vordering omdat er sprake is van liquiditeitsdruk bij KPHolding en omdat het uitblijven van betaling de eigen liquiditeitspositie van [eiser] aantast. De uitkomst van een bodemprocedure kan redelijkerwijs niet worden afgewacht, aldus [eiser] .
3.3.
KPHolding voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is bovendien terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.3.
[eiser] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, omdat KPHolding de onbetaalde facturen voor huurpenningen niet heeft weersproken en KPHolding heeft medegedeeld dat er binnen haar groep liquiditeitsdruk is ontstaan. Bovendien stelt [eiser] dat het uitblijven van betaling haar liquiditeitspositie aantast.
4.4.
KPHolding heeft ter zitting kort gezegd het spoedeisend belang van de vordering tot betaling van de geldsom betwist en aangevoerd dat er tussen de werkmaatschappijen van partijen onderling nog andere geschillen spelen waardoor KPHolding de (in dit onderhavige geschil gevorderde) huurpenningen niet betaalt. Bovendien eindigt de huurovereenkomst tussen partijen op 31 december 2025, zodat de huurachterstand niet verder kan oplopen.
4.5.
Gelet op de gemotiveerde betwistingen door KPHolding, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht dat er sprake is van onverwijlde spoed die een onmiddellijke voorziening vereist. Door [eiser] is niet nader onderbouwd dat vanwege de financiële posities van partijen een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daar komt bij dat is gebleken dat bij deze partijen meer entiteiten betrokken zijn en dat er bovendien zakelijke relaties bestaan tussen deze verschillende entiteiten, onder andere gelet op de verklaring van KPHolding ter zitting dat er tussen (de entiteiten van) partijen nog andere doorlopende duurrelaties bestaan, waaruit over en weer vorderingen openstaan. In dat verband is ook geenszins gesteld of gebleken dat een van die entiteiten op “omvallen staat” en dat om die reden een spoedvoorziening noodzakelijk is. De vorderingen van [eiser] dienen om die reden naar het oordeel van de voorzieningenrechter bekeken te worden in de grotere context van de onderlinge relaties tussen de verscheidene entiteiten en de eventuele geschillen tussen deze partijen. Een eventuele bodemprocedure of een nadere regeling waarbij meer entiteiten partij zijn, lijkt dan ook geschikter. Zoals reeds overwogen is in dit verband ook niet gebleken dat ten aanzien van de vordering die nu in kort geding voorligt, los van de overige discussiepunten, een spoedvoorziening nodig is.
Verder is van belang dat de huurovereenkomst tussen partijen op 31 december 2025 eindigt en dat [eiser] de stelling van KPHolding dat de waarborgsom op dat moment ook betrokken kan worden in de verrekening van de openstaande huurtermijnen, onvoldoende heeft weersproken.
4.6.
De conclusie op basis van het voorgaande is daarom dat niet is gebleken dat een onmiddellijke voorziening met onverwijlde spoed vereist is. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KPHolding worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.146,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 8.146,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.