ECLI:NL:RBNHO:2025:15867

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/15/361823 HA ZA 25-64
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 BWArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt bestaan bemiddelingsovereenkomst en vergoeding voor aanbrengen klant modulaire woningen

In deze civiele zaak staat centraal of er een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen eiseres en Heddes en of Heddes op grond daarvan een vergoeding aan eiseres moet betalen. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat eiseres een potentiële klant heeft aangebracht bij Heddes voor het modulair bouwen van 150 woningen in Zaandam. Partijen spraken af dat eiseres een vergoeding zou ontvangen als de klant opdracht gaf.

De rechtbank stelt vast dat de afspraken over de vergoeding van 0,8% over de totale bouwkosten inclusief installatie exclusief BTW ook betrekking hebben op het project Slachthuisstraat. Heddes voerde verweren aan over vertegenwoordigingsbevoegdheid en het ontbreken van een overeenkomst, maar deze worden verworpen. De rechtbank oordeelt dat eiseres redelijkerwijs mocht aannemen dat [naam vertegenwoordiger 1] bevoegd was en dat zij de klant heeft aangebracht.

De hoogte van de vergoeding kan nog niet worden vastgesteld omdat de relevante bescheiden ontbreken. Daarom beveelt de rechtbank Heddes om deze stukken, waaronder de aannemingsovereenkomst en begroting, aan de rechtbank te overleggen. Daarna kan eiseres haar vordering nader specificeren en kan Heddes reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt het bestaan van een bemiddelingsovereenkomst en beveelt Heddes relevante stukken te overleggen voor vaststelling van de vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/361823 / HA ZA 25-64
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiseres],
te Zaanstad,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C.H.J.M. Abeln,
tegen
HEDDES BOUW & ONTWIKKELING B.V.,
te Hoorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Heddes,
advocaat: mr. S.A.A. Labee.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of er een bemiddelingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en of Heddes krachtens die overeenkomst een vergoeding aan [eiseres] moet betalen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat [eiseres] de potentiële klant heeft aangebracht bij Heddes en dat partijen hebben afgesproken dat [eiseres] van Heddes een vergoeding zou krijgen als die klant opdracht zou geven voor het modulair bouwen van 150 woningen in Zaandam. De rechtbank kan nog geen beslissing nemen over de hoogte van de aan [eiseres] te betalen vergoeding. De rechtbank beveelt om de hoogte van de vergoeding te kunnen vaststellen Heddes de relevante bescheiden in de procedure over te leggen. Daarbij dient Heddes inzichtelijk te maken op welk bedrag [eiseres] volgens haar aanspraak kan maken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 januari 2025 met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord van 23 april 2025 met producties 1 tot en met 4,
- het tussenvonnis van 7 mei 2025,
- de akte van 24 september 2025 van Heddes met producties 5 en 6,
- de op 8 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[eiseres] exploiteert een onderneming op het gebied van management- en organisatieadvies in de burgerlijke en utiliteitsbouw. De heer [mede-bestuurder] is mede- bestuurder van de vennootschap. Hij heeft de onderhandelingen en de correspondentie gevoerd met Heddes, dus waar in dit vonnis wordt gesproken over handelingen van [eiseres] , bedoelt de rechtbank de heer [mede-bestuurder] .
2.2.
Heddes is een aannemingsbedrijf. Volgens het uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn de heer [naam vertegenwoordiger 1] (hierna: [naam vertegenwoordiger 1] ) en mevrouw [naam vertegenwoordiger 2] gezamenlijk bevoegd Heddes te vertegenwoordigen.
2.3.
Tot dezelfde groep vennootschappen waarvan Heddes deel uitmaakt behoort Ursem Modulaire Bouwsystemen B.V. (hierna: Ursem). Ursem is een producent van modulaire, kant-en-klare bouwsystemen, waaronder woningen.
2.4.
Op 9 december 2019 hebben [eiseres] en Ursem een samenwerkingsovereenkomst (hierna: SOK) gesloten met, kort gezegd, het doel de assemblageproductie voor de modulaire bouw in de fabriek van Ursem te verhogen. De SOK is namens Ursem ondertekend door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam 1] . Krachtens de SOK ontving [eiseres] een vergoeding van € 5.000,- exclusief BTW per maand. Daarnaast zou [eiseres] , kort gezegd, voor de opstart en begeleiding een vergoeding van 2% over de verkoopprijs ontvangen per modulair element, inclusief installaties.
2.5.
Medio maart 2021 hebben Ursem en [eiseres] de SOK in onderling overleg beëindigd.
2.6.
Op 9 april 2021 heeft [eiseres] per e-mail aan Heddes medegedeeld dat zij een potentiële klant heeft voor 150 modulaire woningen in Zaandam. [eiseres] vroeg Heddes:
“(…) Hoe tuigen we dit op? Behouden we onze fee afspraken zoals ons contract en brengen we deze klant bij jullie aan tafel………?”
2.7.
Dezelfde dag antwoordde [naam vertegenwoordiger 1] aan [eiseres] dat het goed is om elkaar maandag te bellen over deze kans en dat hij blij is dat [eiseres] doorzet. In de daaropvolgende dagen hebben [eiseres] en Heddes per e-mail overleg gehad over het maken van een afspraak met de potentiële klant en het bezoek van die klant aan de fabriek van Ursem.
2.8.
Bij e-mail van 20 april 2021 heeft [eiseres] aan de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van Heddes geschreven:
“De vraag tav de financiële afspraak is 9 April schriftelijk aan [naam vertegenwoordiger 1] gesteld (zie email onder) . Mondeling werd aangegeven dat deze in lijnzou kunnenzijn met een andere partij. Daar kwam men op terug. Kan jij bevestigen wat we nu aan kunnen houden, jullie voorstel? De Fee zoals ons oude contract of een afspraak in lijn van een bestaand contract. Svp voor het bezoek van volgende week gaarne duidelijkheid. Anders krijgen we weer zo een onprettig momentje wat gebaseerd is op nalatige communicatie onderling. (…)”
2.9.
Bij e-mail van 21 april 2021 heeft [naam vertegenwoordiger 1] aan [eiseres] het volgende geschreven:
“Bijgaan ontvang je onze interne kostenopstellingen van modulaire referentieprojecten. Het mag duidelijk zijn dat dit interne vertrouwelijke informatie is.
Laten we elkaar morgen bellen over een afspraak voor een aanbrengvergoeding voor commerciële projecten.”
2.10.
Vervolgens heeft er een telefonisch overleg plaatsgevonden tussen [eiseres] en [naam vertegenwoordiger 1] . Bij e-mail van 28 april 2021 heeft [naam vertegenwoordiger 1] dit gesprek bevestigd:
“Zojuist bespraken wij een vergoeding voor het commercieel ondersteunen van projecten voor Ursem modulaire bouwsystemen.
Wij stellen een vergoeding voor van 0.8% over de totale bouwkosten inclusief installatie, exclusief b.t.w. Dit bedrag is verschuldigd op het moment dat het contract onvoorwaardelijk is ondertekend en zonder voorbehouden. Dit bedrag zal worden betaald bij het slaan van de eerste paal. Wij zullen deze vergoeding per project overeenkomen. Zonder project specifieke afspraak kan geen aanspraak worden gemaakt op een vergoeding.
Deze afspraak dient ook wederzijds rechtsgeldig te worden ondertekend door degene die ook het hoofdcontract van het project zal ondertekenen. (…)”
2.11.
Op 29 april 2021 heeft een bezoek aan de fabriek van Ursem plaatsgevonden, waarbij [eiseres] , [naam 2] en de heer [directeur] (directeur Ursem) aanwezig waren. Verder waren aanwezig de heren [naam 3] en [naam 4] van [de klant] . Zij vormden het projectteam van [de klant] voor de bouw van de eerdergenoemde 150 woningen. Dat project wordt hierna ook aangeduid als het project Slachthuisstraat .
2.12.
Op 5 juli 2021 en op 25 augustus 2021 heeft [eiseres] schriftelijk per Whatsapp respectievelijk per e-mail gevraagd over de voortgang en status van het project Slachthuisstraat . Op 31 augustus 2021 heeft Heddes medegedeeld dat ze in goed overleg zijn maar dat er nog geen besluit van [de klant] voor de 150 woningen is gevallen.
2.13.
Bij e-mail van 17 juni 2024 heeft [eiseres] aan [naam 2] het volgende geschreven:
“In 2021 hebben we afspraken gemaakt over het aandragen van projecten modulaire bouwsystemen voor Ursem. In de tijd dat we het Ursem logo ook op de voorgevel hadden staan. Het betreft het aandragen van 158 sociale en middeldure huurwoningen Slachthuisstraat Zaandam. Heddes stelde een vergoeding voor van 0.8% over de totale bouwkosten inclusief installatie, exclusief b.t.w.
Gaarne een reactie hoe we met deze afspraak om dienen te gaan.”
2.14.
Dezelfde dag reageerde [naam 2] . Hij deelde per e-mail aan [eiseres] mee dat hij de afspraak voor het project Slachthuisstraat niet kent, dat hij met [naam vertegenwoordiger 1] gaat overleggen en dat hij erop terug komt.
2.15.
Een reactie is uitgebleven. Bij brief van 18 november 2024 heeft [eiseres] Heddes gesommeerd de informatie aan te dragen op basis waarvan [eiseres] haar factuur voor de
vergoeding kan opstellen. [eiseres] heeft in de brief ook aanspraak gemaakt op betaling van de verschuldigde bedragen.
2.16.
Bij brief van 27 november 2024 heeft Heddes aan [eiseres] geschreven dat een overeenkomst met betrekking tot het project Slachthuisstraat niet tot stand is gekomen en dat zij de vordering betwist.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
A.
bij declaratoir tussenvonnis:
I. voor recht verklaart dat Heddes uit hoofde van een met [eiseres] gesloten overeenkomst per 16 juli 2024 althans per datum dat de eerste paal is geslagen voor het bouwproject van 150/158 woningen in Zaandam in opdracht van [de klant] , een vergoeding aan [eiseres] verschuldigd is ter hoogte van 0,8% over de totale bouwkosten inclusief installaties en exclusief BTW;
II. Heddes op straffe van een dwangsom veroordeelt tot
  • afgifte van alle informatie en documenten waaruit blijkt wat de totale bouwkosten inclusief installaties met betrekking tot het project zullen zijn; en
  • [eiseres] gedurende het bouwproces (per eerste van de maand) ieder kwartaal nader schriftelijk op de hoogte te stellen van tussentijdse mutaties van de op het project betrekking hebbende bouwkosten inclusief installatiekosten, waaronder begrepen de tussen Heddes en Slachthuisstraat Ontwikkeling C.V. (een samenwerking tussen Blauwhoed en Koers ) gesloten SOK; en
  • alle overige documenten waaruit de totale bouwkosten inclusief installatiekosten met betrekking tot het project nu en in de toekomst volgen c.q. op basis waarvan de berekeningen worden gemaakt;
III. Heddes veroordeelt om op basis van de onder II vermelde stukken een berekening van de aan [eiseres] te betalen vergoeding over te leggen;
IV. de procedure verwijst voor akte uitlaten producties, te nemen door [eiseres] ;
bij eindvonnis:
V. Heddes veroordeelt tot betaling van de op basis van sub I en sub II vastgestelde bedragen en voor wat betreft het per 16 juli 2024 opeisbare deel te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
VI. Heddes veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke handelsrente.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering, sterk samengevat, het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft met Heddes afgesproken dat zij een vergoeding zou ontvangen voor het aanbrengen van [de klant] voor het project Slachthuisstraat . Heddes weigert die afspraak na te komen. Om inzicht te krijgen in de vergoeding waar [eiseres] recht op heeft, moet Heddes de relevante bescheiden over de bouwsom van het project Slachthuisstraat aan [eiseres] afgeven en een berekening geven van de vergoeding waarop [eiseres] recht heeft.
3.3.
Heddes voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Overeenkomst
4.1.
De vraag is of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op basis waarvan [eiseres] recht heeft op een door Heddes te betalen vergoeding in verband met het project Slachthuisstraat . De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en legt hierna uit waarom.
4.2.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. De vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.3.
Vast staat dat in april 2021 tussen [eiseres] en, onder meer, [naam vertegenwoordiger 1] en [naam 2] van Heddes is gecorrespondeerd over een door [eiseres] aan te brengen potentiële klant voor de bouw van 150 modulaire woningen in Zaandam. Uit die e-mailcorrespondentie (zie hiervoor onder 2.6 tot en met 2.10) blijkt onmiskenbaar dat het streven van [eiseres] erop was gericht dat op 30 april 2021 een gesprek zou plaatsvinden tussen Heddes en de potentiële klant (naar later voor Heddes bleek: [de klant] ) en dat [eiseres] de identiteit van de potentiële klant voor Heddes geheim wilde houden totdat er een provisieregeling voor [eiseres] op papier stond (zie de e-mail van 20 april 2021 - r.o. 2.8). Die schriftelijke bevestiging heeft [naam vertegenwoordiger 1] namens Heddes op 28 april 2021 gegeven (zie hiervoor onder 2.10). Vervolgens heeft inderdaad op 30 april 2021 een bezoek aan en bespreking bij Ursem plaatsgevonden. Daarbij was, naast [de klant] en Heddes, ook [eiseres] aanwezig. Vervolgens zijn Heddes en [de klant] inderdaad gekomen tot het gezamenlijk realiseren van het project Slachthuisstraat te Zaandam.
4.4.
Kort gezegd komen de verweren van Heddes erop neer (i) dat Heddes geen partij is bij de gestelde overeenkomst, (ii) dat de afspraak die [naam vertegenwoordiger 1] weergeeft in zijn e-mail van 28 april 2021 geen betrekking had op het project Slachthuisstraat maar op latere projecten, (iii) dat Heddes geen partij is bij de afspraak over een vergoeding, (iv) dat [naam vertegenwoordiger 1] niet bevoegd is om Heddes in zijn eentje te vertegenwoordigen en (v) dat de overeenkomst/samenwerking tussen Heddes en [de klant] niet is ontstaan door de bemiddeling van [eiseres] . Die verweren snijden geen hout. De rechtbank zal de verweren hierna bespreken.
4.5.
De rechtbank heeft hiervoor al uitgelegd waarom zij van oordeel is dat de afspraken zoals [naam vertegenwoordiger 1] die heeft weergegeven in zijn e-mail van 28 april 2021 ook betrekking had op het in deze zaak aan de orde zijnde project Slachthuisstraat . De betreffende mail is ook concreet over de wijze waarop de vergoeding voor [eiseres] wordt vastgesteld. Weliswaar vermeldt de mail ook de passage dat de vergoeding per project wordt overeengekomen en dat “
zonder project specifieke afspraak” geen aanspraak op de vergoeding kan worden gemaakt, maar de rechtbank kan uit de tekst van de mail - bezien in het licht van het overleg tussen [eiseres] en Heddes tot dat moment - niet anders afleiden dan dat [eiseres] aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding van “
0.8% over de totale bouwkosten inclusief installatie, exclusief b.t.w.” indien tussen de potentiële klant voor de 150 modulaire woningen in Zaandam en Heddes een overeenkomst tot stand zou komen. Dat hiervan bij andere toekomstige projecten kan worden afgeweken, maakt dat niet anders.
4.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Heddes gesteld dat tijdens het telefoongesprek tussen [eiseres] en [naam vertegenwoordiger 1] , waarnaar de e-mail van 28 april 2021 verwijst, expliciet is besproken dat deze afspraak geen betrekking had op het project Slachthuisstraat . Zoals hiervoor overwogen, ligt dat niet voor de hand. Te meer omdat uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat [eiseres] gebrand was op schriftelijke vastlegging van een afspraak voor de bijeenkomst van 30 april 2021. Niet voorstelbaar is dat [eiseres] akkoord was gegaan met het standpunt dat Heddes nu inneemt.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor (verdere) bewijslevering op dit punt, omdat de rechtbank hierover eerst tijdens de mondelinge behandeling vragen aan [naam vertegenwoordiger 1] had willen stellen. [naam vertegenwoordiger 1] is echter niet ter zitting verschenen terwijl hij bij uitstek degene was die de rechtbank had kunnen voorlichten over de inhoud van het telefoongesprek 28 april 2021 en de daarin gemaakte afspraken. Dat [naam vertegenwoordiger 1] door persoonlijke omstandigheden niet aanwezig was, maakt dat niet anders. Al was het maar dat Heddes niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom die persoonlijke omstandigheden zo zwaarwegend waren dat [naam vertegenwoordiger 1] niet bij de zitting aanwezig kon zijn.
4.7.
Dat Heddes geen partij is bij de afspraak van 28 april 2021, is eveneens onjuist. Weliswaar heeft [eiseres] van 2019 tot en met medio maart 2021 op basis van de SOK werkzaamheden voor Ursem verricht, maar onbetwist heeft [eiseres] aangevoerd dat [naam vertegenwoordiger 1] op 23 maart 2021 - in het kader van de beëindiging van de samenwerking tussen [eiseres] en Ursem - aan [eiseres] heeft meegedeeld dat alle toekomstige communicatie ten aanzien van modulair bouwen onder de hoofdverantwoording van Heddes zou vallen. [eiseres] heeft vervolgens vanaf 9 april 2021 per e-mail contact met zowel [naam vertegenwoordiger 1] en [naam 2] van Heddes over een potentiële klant voor 150 woningen in Zaandam. Het staat vast dat [eiseres] op dat moment [de klant] op het oog heeft. Vervolgens vraagt [eiseres] of de fee-afspraken, zoals in de SOK is overeengekomen, behouden blijven. In de daaropvolgende e-mails, met als onderwerpregel “
150 stuks woningen modulair Zaanstad”, vraagt [eiseres] aan Heddes meerdere keren over de wijze van vergoeding voor het aanbrengen van [de klant] en wordt er een afspraak gemaakt voor een bezoek aan de fabriek van Ursem op 30 april 2021.
4.8.
Verder heeft Heddes als verweer gevoerd dat [naam vertegenwoordiger 1] niet vertegenwoordigingsbevoegd is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Weliswaar vermeldt het uittreksel van het Handelsregister dat [naam vertegenwoordiger 1] slechts tezamen met een andere gevolmachtigde bevoegd is Heddes te vertegenwoordigen, maar [eiseres] beroept zich er terecht op dat zij er op grond van de gedragingen van Heddes redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend en dat Heddes op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan doen (artikel 3:61 lid 2 BW Pro). In ieder geval vanaf april 2021 heeft [naam vertegenwoordiger 1] zich steeds namens Heddes opgesteld als zelfstandig bevoegd tot het aangaan van de overeenkomst tot betaling van een vergoeding aan [eiseres] . Dat [naam vertegenwoordiger 1] tijdens mondeling overleg met [eiseres] dit voorbehoud heeft gemaakt, blijkt evenmin.
Ook in zijn e-mailbericht van 28 april 2021 is op dit punt geen voorbehoud te lezen. Weliswaar schrijft [naam vertegenwoordiger 1] “
Deze afspraak dient ook wederzijds rechtsgeldig te worden ondertekend door degene die ook het hoofdcontract van het project zal ondertekenen.”, maar dat voorbehoud lijkt eerder bedoeld om te voorkomen dat bij toekomstige projecten de afspraak met [eiseres] een eigen leven zou gaan leiden.
Verder heeft Heddes in haar latere correspondentie (o.a. haar brief van 27 november 2024, r.o. 2.16) met [eiseres] geen punt gemaakt van de ontoereikende volmacht van [naam vertegenwoordiger 1] . Dat heeft zij pas gedaan in deze procedure. Dat is te laat. Op rond van de eerdere gedragingen van Heddes mocht [eiseres] ten minste uitgaan van de schijn van volmachtverlening aan [naam vertegenwoordiger 1] .
4.9.
Tot slot heeft Heddes als verweer gevoerd dat [de klant] en Heddes elkaar al langere tijd kenden en niet door [eiseres] bij elkaar zijn gekomen. Ook dat verweer faalt. Dat [de klant] elkaar al langer kennen, kan zo zijn, maar de rechtbank kan uit de e-mailcorrespondentie van april 2021 niet anders afleiden dan dat, waar het betreft modulair bouwen, [eiseres] [de klant] bij Heddes heeft geïntroduceerd voor het project Slachthuisstraat . Dit wordt ook bevestigd door de aanwezigheid van [eiseres] bij het fabrieksbezoek van [de klant] bij Ursem. Een redelijke andere verklaring voor de aanwezigheid van [eiseres] daar, heeft Heddes niet gegeven. Ook uit het feit dat [eiseres] naderhand meermaals aan Heddes vraagt naar de voortgang van het project Slachthuisstraat en het niet afwijzend reageren op dergelijke informatieverzoeken door Heddes, blijkt de betrokkenheid van [eiseres] bij het tot elkaar brengen van [de klant] en Heddes bij het project Slachthuisstraat . De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiseres] [de klant] voor het project Slachthuisstraat heeft aangebracht als klant bij Heddes en recht heeft op de overeengekomen vergoeding.
Conclusie
4.10.
Er is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen op basis waarvan [eiseres] recht heeft op een vergoeding van 0,8% over de totale bouwkosten inclusief installatie excl. BTW. De hoogte van deze vergoeding moet worden vastgesteld.
4.11.
De rechtbank heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling van de zaak gevraagd hoe haar vordering (die erop neerkomt dat zij een vergoeding krijgt over de definitieve aanneemsom zoals die blijkt na afronding van het werk) zich verhoudt tot de bewoordingen in de e-mail van [naam vertegenwoordiger 1] van 28 april 2021, waaruit blijkt dat de vergoeding verschuldigd is op het moment dat het contract onvoorwaardelijk is ondertekend en zal worden betaald bij het slaan van de eerste paal (en het werk dus per definitie nog niet is afgerond). [eiseres] deelde daarop mee dat de vergoeding betrekking heeft op de aanneemsom zoals die is overeengekomen op het moment dat het contract onvoorwaardelijk wordt getekend. De rechtbank zal dan ook hiervan uitgaan.
4.12.
Ter vaststelling van de hoogte van de vergoeding waarop zij recht heeft, heeft [eiseres] afgifte van de bescheiden gevorderd op grond van artikel 194 en Pro 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Tijdens de zitting is de vordering besproken en met goedkeuring van [eiseres] kiest de rechtbank ervoor om op grond van artikel 22 Rv Pro Heddes te bevelen de relevante bescheiden rechtstreeks aan de rechtbank over te leggen. Om de hoogte van de vergoeding te kunnen vaststellen, dient Heddes (i) de ondertekende aannemingsovereenkomst met [de klant] , (ii) de ondertekende begroting en (iii) alle andere relevante stukken waaruit betaling van de vergoeding kan worden afgeleid in het geding te brengen. Daarbij dient Heddes meteen inzichtelijk te maken op welk bedrag [eiseres] volgens haar aanspraak kan maken.
4.13.
Vervolgens mag [eiseres] haar vordering nader specificeren en reageren op de door Heddes in het geding gebrachte stukken en berekening. Daarna wordt Heddes toegestaan een antwoordakte te nemen.
4.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 10 december 2025voor het nemen van een akte door Heddes over wat is vermeld onder 4.12,
5.2.
bepaalt dat [eiseres] daarna op een termijn van vier weken bij akte haar vordering nader kan specificeren aan de hand van de overgelegde stukken en kan reageren op de stukken van Heddes,
5.3.
bepaalt dat Heddes daarna op een termijn van twee weken kan reageren op de nader gespecificeerde vordering van [eiseres] ,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.