Geschil7. In geschil is of verweerder terecht geen compensatie heeft verleend voor de schuld. Meer specifiek is hierbij in geschil of de schuld voldoet aan de wettelijke vereisten voor compensatie van afgeloste schulden en of sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verder is in geschil of verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiverings- en/of het zorgvuldigheidsbeginsel.
Beoordeling van het geschil
Is de beschikking bevoegd genomen?
8. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de onderhavige beschikking bevoegd is genomen. De primaire beschikking is namens de Belastingdienst/Toeslagen genomen door [naam 2] , bestuurder van SBN. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht), de Minister van Financiën ten tijde van de primaire beschikking het bevoegde bestuursorgaan was. Daarbij is wel ondermandaat verleend aan de voorzitter van het bestuur van SBN (artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor SBN en de kredietbanken van de directeur-generaal Ketenregie in het kader van private schulden en herstel toeslagen 2024, Stcrt. 2024, 14965).
9. Omdat de voorzitter van het bestuur van SBN, via ondermandaat, bevoegd was om namens de Minister van Financiën op het verzoek om overname van de schuld te beslissen, en eiseres door de onjuiste vermelding van de mandaatgever niet is benadeeld, zal de rechtbank aan de onjuiste vermelding van de mandaatgever in de beschikking geen gevolgen verbinden.
Voldoet de schuld aan de voorwaarden voor compensatie?
10. In artikel 4.3, gelezen in samenhang met artikel 4.1, van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een al afgeloste schuld voor compensatie in aanmerking komt. Uit deze bepalingen volgt dat in de onderhavige zaak moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de schuld is ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was vóór 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld en kosten zijn voldaan na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.
11. Op eiseres rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de schuld aan de hiervoor aangehaalde voorwaarden voldoet. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van eiseres maakt de rechtbank op dat het limiet van de [limietregeling] faciliteit op 8 mei 2019 is ingesteld op € 10.000 en vervolgens maandelijks is verlaagd. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit de rechtbank kan opmaken dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. De stelling van eiseres dat uit de overgelegde brief van [bank] blijkt dat de schuld op 8 mei 2019 opeisbaar is geworden, is onjuist en kan niet worden gevolgd. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005. De ter zitting ingenomen (niet nader onderbouwde) stelling van eiseres dat de schuld in 2006 is ontstaan en de overgelegde bankafschriften van latere jaren, zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de overgelegde brief van [bank] aantoont dat na 2005 een nieuwe rechtsverhouding, en daarmee een nieuwe schuld, is ontstaan. [bank] heeft immers slechts de voorwaarden van de bestaande faciliteit gewijzigd. Tot slot kan de rechtbank uit de overgelegde stukken niet opmaken in hoeverre de schuld is afgelost na ontvangst van het compensatiebedrag op grond van de Catshuisregeling. Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk hoe de op het bankafschrift van 29 juli 2022 vermelde debetstand (per ultimo juni 2022) zich verhoudt tot de afzonderlijk vermelde [limietregeling] . Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast.
12. Vervolgens dient de rechtbank het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel te beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de door eiseres geschetste situatie, waarin haar verzoek om compensatie enkel en alleen zou zijn afgewezen vanwege het niet overleggen van een sluitingsbewijs en/of de oorspronkelijke kredietovereenkomst, zich niet voordoet.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van door de wetgever niet of niet ten volle verdisconteerde bijzondere omstandigheden die rechterlijke toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, mogelijk maken. Gelet op de dwingende formulering van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht is er ook geen ruimte voor toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel faalt reeds hierom.
14. Voor zover eiseres zich heeft willen beroepen op de in artikel 9.1 van de Wht opgenomen hardheidsclausule overweegt de rechtbank dat een strikte toepassing van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en niet is gebleken van schrijnende omstandigheden waardoor strikte toepassing van de wettelijke bepalingen achterwege moet blijven. Een beroep op de hardheidsclausule kan dan ook niet slagen.
15. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het verzoek van eiseres om compensatie terecht heeft afgewezen. De rechtbank acht deze uitkomst niet in strijd met doel en strekking van de wet. De wetgever heeft immers bewust de onder 10 aangehaalde voorwaarden in de wet opgenomen. Met de onderhavige compensatieregeling heeft de wetgever, anders dan eiseres lijkt te veronderstellen, niet beoogd alle schulden van gedupeerden over te nemen.
16. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank komt zowel uit het primaire besluit als de beslissing op bezwaar voldoende duidelijk naar voren op welke gronden verweerder tot zijn beslissing is gekomen.
17. Tot slot biedt het procesdossier geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder eiseres zowel voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit als in de bezwaarfase uitdrukkelijk om nader bewijs heeft verzocht en hierbij heeft aangegeven welke gegevens hij nog wenst te ontvangen. Anders dan eiseres betoogt, was verweerder niet gehouden eiseres actiever te begeleiden in haar bewijsvoering. Het is immers aan eiseres om na te gaan hoe zij haar standpunt wenst te onderbouwen en desgewenst elders advies in te winnen. Verweerder was evenmin gehouden eiseres nog een keer in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken aan te leveren. De omstandigheid dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Verder komt uit de gedingstukken niet naar voren dat verweerder zou hebben nagelaten de door eiseres aangeleverde bewijsstukken ‘materieel te beoordelen’. De beroepsgronden van eiseres slagen niet.
18. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.