Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de
rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
6.3.1.De ernst van de feiten
De verdachte heeft aangever [benadeelde partij 2] met een groot en scherp mes in zijn buik gestoken. Als gevolg hiervan had aangever [benadeelde partij 2] een geperforeerde maag, waarvoor een (kijk)operatie noodzakelijk was. Van geluk mag worden gesproken dat het letsel van aangever [benadeelde partij 2] – buiten toedoen van de verdachte – enigszins beperkt is gebleven. Ook geestelijk heeft het steekincident op aangever [benadeelde partij 2] grote impact gehad. Het steekincident vond vlak bij zijn woonhuis plaats, waardoor aangever [benadeelde partij 2] thuis geen rust meer kon vinden en een voortdurend gevoel van onveiligheid heeft ervaren.
Het is tot deze confrontatie gekomen, omdat [benadeelde partij 2] de verdachte aansprak op zijn gedrag en, volgens de verdachte, hem niet met rust wilde laten.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [benadeelde partij 1] door hem meermaals met de vuist in het gezicht te slaan. Ook deze confrontatie vond plaats vanwege iets kleins. Inmiddels gaat het blijkens de vordering benadeelde partij goed met aangever [benadeelde partij 1] , maar aangever [benadeelde partij 1] heeft onder andere een bloedneus en verkleuringen in het gezicht opgelopen.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat beide incidenten in het openbaar hebben plaatsgevonden, te weten in de straat van de aangever en in een klaslokaal. Dit zijn bij uitstek plekken waar mensen zich veilig dienen te voelen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang negatieve gevolgen ervaren. Vanzelfsprekend heeft dit feit ook daadwerkelijk gevolgen gehad voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] . Uit de verklaringen blijkt namelijk dat zij nog steeds veel last hebben van de psychische gevolgen. [benadeelde partij 2] functioneert door de gebeurtenis op veel vlakken nog niet zoals voorheen wegens angst en hij was ter zitting nog zichtbaar emotioneel. [benadeelde partij 1] durfde een week lang niet naar school uit angst om de verdachte tegen te komen. Het is juist dit soort zinloos geweld, dat niet alleen bij deze aangevers, maar in de samenleving als geheel gevoelens van angst en onveiligheid oproept.
6.3.2.De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het strafblad van de verdachte van 10 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.
- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychiatrisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door [(kinder- en jeugd) psychiater] (kind- en jeugd) psychiater.
- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 3 november 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 24 november 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad.
Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5., de
verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit dit onderzoek blijkt verder dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel passend is met bijzondere voorwaarden gericht op behandeling. De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt namelijk als hoog ingeschat wanneer de verdachte geen behandeling krijgt. De behandeling kan bestaan uit het vergroten van passende regulatie- en copingsvaardigheden, traumaonderzoek en zo nodig traumabehandeling, psycho-educatie aan de verdachte en zijn ouders, een delictanalyse en diagnostiek naar autisme. Daarnaast is passende dagbesteding, waaronder onderwijs van School2Care, en begeleiding van een IFA-coach van belang. Er wordt aanvankelijk gedacht aan ambulante behandeling in de thuissituatie. Indien dit ontoereikend blijkt, kan gekeken worden naar mogelijkheden voor behandeling in het civielrechtelijk kader, zoals een driemilieu-voorziening. Een GBM is overwogen, maar dit wordt niet passend geacht, omdat de verdachte bij het schenden van de voorwaarden gedetineerd wordt en dan de behandeling niet kan voortzetten.
De psychiater heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat wordt geadviseerd om eerst te starten met zeer intensieve ambulante behandeling middels verblijf bij de vader, ondanks dat dit moeilijk zal worden. Indien dit niet mogelijk is om welke reden dan ook, dient gekeken te worden naar een andere optie. Een samenwerking tussen de ouders en hulpverlening zal echter wegens de taalbarrière en het wantrouwen nog moeizamer worden, indien de verdachte in een instelling verblijft. Ten aanzien van de behandeling van de verdachte vanuit de thuissituatie wordt met name School2Care passend geacht, omdat dit bestaat uit zorg en dagbesteding.
Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven beschreven onder 5., de
verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit dit onderzoek blijkt verder dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel passend is met bijzonder voorwaarden gericht op behandeling. De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt namelijk als hoog ingeschat wanneer de verdachte geen behandeling en begeleiding krijgt. Om tot gedragsverandering te komen is specialistische forensische behandeling noodzakelijk alsmede een onderwijszorglocatie zoals School2Care met begeleiding door een IFA-coach
.Het voorgestelde behandeladvies biedt de gelegenheid tot ambulante behandeling binnen een gestructureerde setting, waarbij ouders deels ontlast worden. Specialistische behandeling is nodig voor procesdiagnostiek om zo meer inzicht te krijgen in de onderliggende problematiek en welke behandeling eventueel noodzakelijk is. De individuele behandeling kan zich verder richten op het versterken van de coping en emotieregulatie, het uitbreiden van de oplossingsvaardigheden en een delictanalyse ten behoeve van terugvalpreventie. Voorstelbaar is dat dit (behandel)proces in kleine stappen verloopt gelet op het risico op overvraging. Een GBM is overwogen, maar wordt niet passend geacht, omdat bij het schenden van de voorwaarden de verdachte gedetineerd wordt en dan geen behandeling kan volgen.
De psycholoog heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat het geadviseerde behandelplan het meest intensieve plan is wat mogelijk is vanuit de thuissituatie. Bij School2Care is namelijk sprake van een intensief avond- en dagprogramma. Daarnaast is het van belang dat de ouders meegenomen worden in de behandeling, zodat de verdachte er het meest van kan profiteren. De ouders erkennen ook de zorgen en achten behandeling voor de verdachte noodzakelijk. Indien behandeling vanuit de thuissituatie toch niet mogelijk blijkt, kan gekeken worden naar een vervolgstap.
Met de conclusies van deze rapportages kan de rechtbank zich gedeeltelijk verenigen.
De Raad sluit (gedeeltelijk) aan bij de voornoemde rapportages en heeft schriftelijk geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke PIJ-maatregel onder de algemene en – dadelijk uitvoerbare – bijzondere voorwaarden dat de verdachte verblijft op een (behandel)groep, passende dagbesteding en/of scholing heeft, enkel naar buiten gaat onder begeleiding, zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers, zich houdt aan een locatieverbod voor de woning van de moeder, meewerkt aan een IFA-coach en meewerkt aan behandeling van De Waag gericht op psycho-educatie, regulatie- en coping-vaardigheden en een traumaonderzoek.
De nadruk ligt op behandeling, omdat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag groot is zonder behandeling. Er is een GBM overwogen, maar dit wordt niet passend geacht omdat het van belang is dat de behandeling wordt voortgezet en niet wordt onderbroken door jeugddetentie. Anders dan de voornoemde deskundige, acht de Raad het echter passend als de verdachte op een groep verblijft in plaats van bij een van de ouders. Hier kunnen hem meer duidelijkheid, regels en grenzen geboden worden, waar hij baat bij heeft. Er wordt gedacht aan een driemilieu-voorziening, Gripzorg of Multi Plus Zorg. Tot slot adviseert de Raad om de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering aan te wijzen als instelling om de jeugdreclassering uit te voeren, nu dit beter aansluit bij de behoefte van de verdachte.
De Raad heeft ter zitting aan het raadsrapport toegevoegd dat alle noodzakelijke hulpverlening is geregeld, maar nog niet kan starten wegens de onduidelijkheid over zijn verblijfsplek. Zoals is gebleken uit het rapport, acht de Raad verblijf bij de vader niet passend omdat hij de verdachte geen structuur, regels en grenzen kan bieden. Daarbij komt dat sprake is van een taalbarrière waardoor de vader niet goed in contact komt met de hulpverlening. In de thuissituatie is al veel geprobeerd middels inzet van (intensieve) hulpverlening, maar de zorgen over het gezinssysteem blijven bestaan. De verdachte is ook belast met complexe problematiek, waardoor hij extra aandacht en behandeling nodig heeft. Het is dan ook van belang dat de vader eerst hulpverlening krijgt en dit ook accepteert. Vanuit het verblijf van de verdachte op een groep kan gekeken worden of toegewerkt kan worden naar verblijf bij de vader.
Ten aanzien van de plaatsing van de verdachte wordt gezien dat Gripzorg het meest passend is, maar dit is vooralsnog niet mogelijk wegens financieringsproblemen. Er wordt daarom gekeken naar Multi Plus Zorg, ook al is dit niet geheel passend. Wel is hoogstwaarschijnlijk mogelijk dat de verdachte ter overbrugging bij Gripzorg kan verblijven.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat er nog onduidelijkheid is over de verblijfplek van de verdachte. Er zal een kennismaking plaatsvinden met Multi Plus Zorg. Daarna zal pas worden gekeken of Multi Plus Zorg een intake wil inplannen. Daarbij komt dat er daar nog geen plek beschikbaar is. Gripzorg heeft wel per direct plek en kan ter overbrugging een plek bieden. Dit dient echter nog goedgekeurd te worden door de gemeente. Vanuit verblijf in een instelling kan de verdachte stapsgewijs wennen en werken naar een terugkeer naar huis.
6.3.3.De op te leggen sancties
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten zoals
een poging tot doodslag, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is.
Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met het feit dat de
verdachte 250 dagen in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank houdt ook rekening met het dubbel persoonlijkheidsonderzoek, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Tevens houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad en de geadviseerde voorwaarden.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt en de eis van de officier van justitie af te wijken. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 250 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De intentie van de rechtbank daarbij is dat de verdachte niet zal hoeven terugkeren naar een justitiële jeugdinrichting voor de veroordeling van deze feiten.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het – onder 1 primair – gepleegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, te weten poging tot doodslag. Op grond van wat de psycholoog, de psychiater en de jeugdreclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank zal echter bepalen dat deze maatregel vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat de verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, waaronder verblijf bij Multi Plus Zorg of Gripzorg, het hebben van dagbesteding zoals School2Care, meewerken aan een IFA-coach, volgen van behandeling bij De Waag, een contactverbod met de slachtoffers en locatieverbod rondom de woning van het slachtoffer.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde gericht op het verblijf van de verdachte merkt de rechtbank op dat uit de adviezen van de deskundigen is gebleken dat zeer intensieve behandeling noodzakelijk is, wat indien mogelijk geboden dient te worden in de thuissituatie. De Raad en de jeugdreclassering hebben echter gemotiveerd dat dit vooralsnog niet mogelijk is wegens de problematiek van de verdachte en de complexe gezinssituatie. Het is van belang dat het behandelproces stapsgewijs verloopt wegens het risico op overvraging van de verdachte. Anders dan de psychiater en de psycholoog is de rechtbank dan ook van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte elders dient te verblijven, waar de verdachte en zijn vader ter zitting ook mee hebben ingestemd. Gebleken is dat Gripzorg het meest aansluit bij de behoefte en problematiek van de verdachte, maar dat het enige beletsel hierbij de financieringsproblemen zijn. Er wordt daarom nog gepoogd om te onderzoeken of een plaatsing bij Multi Plus Zorg mogelijk is. Indien dit niet mogelijk blijkt acht de rechtbank het echter niet in het belang van de verdachte dat hij (ter overbrugging) bij een andere soortgelijke instelling verblijft, omdat inmiddels is gebleken dat er een passende instelling is, te weten Gripzorg. De verdachte zal dus geplaatst moeten worden bij Gripzorg en anders bij Multi Plus Zorg.
Ten aanzien van het locatieverbod overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de woning van slachtoffer [benadeelde partij 2] en de woning van de moeder van de verdachte – waar de verdachte tot zijn detentie woonde – in dezelfde wijk liggen. Het is voorstelbaar dat het slachtoffer na de traumatische ervaring met de verdachte bang is om met hem in contact te komen en/of hem te treffen. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte op geen enkele wijze contact zoekt of heeft met beide aangevers en dat hij zich niet binnen het gebied begeeft dat wordt begrensd door de in het dictum te noemen straten. Dit gebied betreft namelijk de wijk waar aangever [benadeelde partij 2] woont. De rechtbank ziet vanwege de leeftijd van de verdachte wel aanleiding om een uitzondering te maken op dit verbod, zodat de verdachte de mogelijkheid behoudt om de woning van zijn moeder te bereiken. Ter zitting hebben de verdediging en de raadsvrouw van aangever [benadeelde partij 2] ingestemd met het voorstel dat de verdachte zich via de straat [straat] naar zijn moeder begeeft. Gelet hierop zal de rechtbank vaststellen dat de verdachte zich naar (en van) de woning van zijn moeder mag begeven via de volgende route/straten: [straat] , [straat] , [straat] en [straat] . Gelet op het feit dat het locatieverbod een verstrekkende maatregel is acht de rechtbank een maximale duur van één jaar passend.
6.3.4.Dadelijk uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een
misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het
lichaam van een persoon, te weten een poging tot doodslag.
De rechtbank is, mede gelet op wat uit het raadsrapport en psychologisch onderzoek blijkt
over de kans op herhaling zonder behandeling, van oordeel dat zonder de voorwaarden er
ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk
misdrijf zal begaan.