ECLI:NL:RBNHO:2025:1765

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
20 februari 2025
Zaaknummer
11340118
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieverzoek passagier wegens buitengewone omstandigheden luchtverkeersleiding

De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Singapore naar Parijs en vervolgens naar Amsterdam, waarbij de vlucht vertraging opliep van meer dan drie uur bij aankomst op de eindbestemming. De passagier vorderde compensatie van € 600,00 plus rente en incassokosten op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder stelde zich op het standpunt dat de vertraging het gevolg was van een opgelegde beperking door de luchtverkeersleiding, een buitengewone omstandigheid waarop zij geen invloed had. De rechtbank stelde vast dat de vervoerder voldoende bewijs leverde dat de vertraging voortkwam uit een latere opstijgtijd door de luchtverkeersleiding.

Daarnaast oordeelde de kantonrechter dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken, waaronder het zo snel mogelijk uitvoeren van de vlucht en het omboeken van de passagier naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. Het verzoek van de passagier werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen omdat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en alle redelijke maatregelen zijn genomen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11340118 \ CV FORM 24-7100
Uitspraakdatum: 19 februari 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Société Air France,
gevestigd te Roissy (Frankrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie verzocht voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een opgelegde beperking door de luchtverkeersleiding. Het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt. Daarnaast heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen genomen om de vertraging te beperken. Het verzoek van de passagier wordt daarom afgewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 4 oktober 2024;
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 januari 2025.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem op 18 oktober 2022 moest vervoeren van Changi Airport (Singapore) naar Charles de Gaulle Airport (Parijs, Frankrijk) en op 19 oktober 2022 van Parijs naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie AF257 en AF1240.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht AF257 van Changi naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [2]
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder, met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop, voldoende heeft onderbouwd dat de vlucht met 36 minuten vertraging is uitgevoerd door een opgelegde beperking door de luchtverkeersleiding, namelijk een latere tijd waarop het toestel mocht opstijgen. Een dergelijke vertraging is een omstandigheid die niet inherent is aan de uitoefening van de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en deze heeft daar ook geen invloed op. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt.
4.4.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om (de vertraging als gevolg van) de buitengewone omstandigheid te voorkomen. De vervoerder stelt dat hij de vlucht alsnog zo snel mogelijk heeft uitgevoerd en de passagier heeft omgeboekt op de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder daarmee voldoende heeft onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer of anders had kunnen nemen. Het verzoek van de passagier zal daarom worden afgewezen.
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover de vervoerder daadwerkelijk nakosten zal maken, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 135,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking;
5.3.
verklaart deze beschikking – voor wat de proceskosten betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.