Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
poging tot doodslag;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2°.
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
- het verlies van verdienvermogen ter hoogte van primair € 90.224,00, subsidiair € 75.186,70 en meer subsidiair € 45.112,02 (telkens uitgaande van € 7.518,- per maand aan gederfde inkomsten);
- de kosten van de boekhouder ter hoogte van € 605,00;
- de kosten van de psycholoog ter hoogte van € 234,60;
- de kosten voor het opknappen van het huurpand in verband met de opzegging van de huur ter hoogte van € 242,80.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
7 (zeven) jaar;
[benadeelde]geleden schade tot een bedrag van
€ 33.839,60(zegge drieëndertigduizendachthonderdnegenendertig euro en zestig cent), bestaande uit € 8.000,00 als vergoeding voor de immateriële en € 25.938,60 als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;