ECLI:NL:RBNHO:2025:1802

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
15/340187-24 en 05/110827-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 359 SvArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer van 1.290 gram cocaïne en tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Op 1 september 2024 heeft de verdachte te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, medeplegend een hoeveelheid van 1.290 gram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht. De rechtbank acht het bewezen dat de verdachte een organiserende en begeleidende rol had bij deze drugssmokkel, hoewel hij de drugs niet zelf vervoerde.

De verdachte heeft een strafblad met eerdere veroordelingen voor opiumdelicten en liep ten tijde van het feit nog in een proeftijd onder reclasseringstoezicht. De rechtbank wijst het bewezenverklaarde toe en verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 30 maanden, terwijl de verdediging pleit voor een deels voorwaardelijke straf rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden op, met aftrek van de voorarresttijd.

Daarnaast wordt de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden uit een eerdere zaak toegewezen, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland te Haarlem op 21 februari 2025.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf en tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf van 2 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/340187-24 en 05/110827-22 (tul)
Uitspraakdatum: 21 februari 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 februari 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van Venrooij en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 1 september 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en tot toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde feit en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Het bewijs
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Daarbij zal zij, omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:
  • de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 7 februari 2025 afgelegd;
  • een proces-verbaal van bevinding van 1 september 2024 (dossierpagina 81 e.v.);
  • een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 1 september 2024, met fotobijlagen (dossierpagina 127 e.v.) [de rechtbank - gezien de foto op dossierpagina 138 - leest verbeterd: SINAAOP4984NL];
  • een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 5 september 2024 (dossierpagina 145);
  • een proces-verbaal van bevindingen van analyse telecom van 10 oktober 2024 (dossierpagina 148 e.v.).
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 1 september 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman om bij de strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van de verdachte. De raadsman bepleit dat de verdachte openheid van zaken geeft en zijn verantwoordelijkheid neemt. Verder verzoekt de raadsman rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte een woning en werk heeft en binnenkort vader wordt. De raadsman verzoekt om de verdachte daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van 1.290 gram cocaïne. Harddrugs, waaronder cocaïne, bevatten voor de gezondheid van gebruikers zeer schadelijke stoffen. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van veelal zware criminaliteit, waaronder levensdelicten, ernstige bedreigingen en daarnaast de strafbare feiten die gebruikers plegen ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook om die reden worden forse straffen opgelegd voor de invoer van harddrugs.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte niet zelf de drugs vervoerde en zodoende niet het grootste risico heeft gelopen, maar kennelijk een organiserende en begeleidende rol in de drugsmokkel heeft gehad. De rol van de verdachte is onmisbaar geweest.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op zijn strafblad (Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 januari 2025), waaruit blijkt dat de verdachte al tweemaal eerder voor opiumdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Van de laatste veroordeling liep de verdachte ten tijde van het onderhavige feit nog in een proeftijd, waarbij hij tevens onder reclasseringstoezicht stond .De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel is naar het oordeel van de rechtbank een gepasseerd station. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gekeken naar straffen die door rechters in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Voor de invoer van tussen de 1.000 en 1.500 gram harddrugs bij een organisatie/organiserende rol is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij onherroepelijk vonnis van 26 juli 2022 in de zaak met parketnummer 05/110827-22 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen de verdachte ter zake van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 juli 2022 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 9 augustus 2022. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onderhavig feit, terwijl hij in de proeftijd liep.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47 van het Wetboek van Strafrecht.
2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
20 [twintig] maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 05/110827-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van
2 [twee] maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2022.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,
mr. P.E. van der Veen en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Saelens,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari 2025.