De zaak betreft een vordering van Airhelp Germany GmbH tegen British Airways Plc tot compensatie wegens een vermeende annulering van een vlucht op 9 juli 2022. De passagier had een vervoersovereenkomst met American Airlines voor een vlucht van Amsterdam naar Londen, waarna een aansluitende vlucht naar Buenos Aires gepland stond. Airhelp had het eventuele vorderingsrecht van de passagier overgenomen en eiste €600,- compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder betwistte de vordering en leverde een vluchtrapport waaruit bleek dat de passagier niet op de passagierslijst stond en de vluchtgegevens niet overeenkwamen met de door Airhelp gestelde tijden. De kantonrechter stelde vast dat Airhelp onvoldoende concrete feiten en bewijsstukken had aangeleverd om de annulering en de reservering voor de vlucht BA439 te onderbouwen.
Omdat niet kon worden vastgesteld voor welke vlucht de passagier een reservering had en of die vlucht was geannuleerd, werd de vordering afgewezen. Airhelp werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.