AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging oneerlijke incassobedingen in algemene voorwaarden kinderopvang
De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 februari 2025 uitspraak gedaan in een bodemzaak tussen Stichting Prokino Kinderopvang en een gedaagde partij. De kern van het geschil betrof de beoordeling van incassobedingen in de aanvullende algemene voorwaarden juli 2023 en de Algemene Voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016.
De rechtbank oordeelde dat het incassobeding in artikel 14 vanPro de aanvullende voorwaarden oneerlijk is, omdat het suggereert dat incassokosten direct verschuldigd zijn bij incassering, terwijl dit pas na een veertiendagenbrief conform artikel 6:96 lid 6 BWPro het geval kan zijn. Dit beding werd daarom vernietigd. Ook het incassobeding in artikel 17 vanPro de algemene voorwaarden werd in combinatie met het aanvullende beding als oneerlijk beoordeeld en vernietigd.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen. De rechtbank kende een hoofdsom van €404,68 toe, na verrekening van reeds betaalde bedragen en een korting. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van proceskosten, maar slechts voor het griffierecht dat hoort bij het toegewezen bedrag.
De rechtbank wees tevens op de noodzaak dat consumenten vóór het sluiten van de overeenkomst expliciet gewezen moeten worden op informatie in de algemene voorwaarden, zoals het herroepingsrecht. De veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Oneerlijke incassobedingen worden vernietigd, buitengerechtelijke incassokosten afgewezen, hoofdsom en wettelijke rente toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11382126 CV EXPL 24-3683
Uitspraakdatum: 12 februari 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de stichting Stichting Prokino Kinderopvang voorheen genaamd Stichting Prokino
te Diemen
de eisende partij
gemachtigde: De Best & Partners gerechtsdeurwaarders en incasso
tegen
[gedaagde]
te [plaats], gemeente [gemeente]
de gedaagde partij
niet verschenen
1.De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 11 december 2024 (hierna: het tussenvonnis) is de eisende partij in de gelegenheid gesteld de bij de dagvaarding ontbrekende aanvullende algemene voorwaarden over te leggen en om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen die verband houden met de vordering. Hieraan heeft de eisende partij uitvoering gegeven bij akte van 8 januari 2025 (hierna: de akte).
2.De verdere beoordeling
Incassobedingen
2.1.
Bij de akte heeft de eisende partij de Aanvullende Algemene Voorwaarden juli 2023overgelegd (hierna: de aanvullende voorwaarden). De eisende partij stelt dat hierin geen oneerlijke bedingen zijn opgenomen.
2.2.
In artikel 14 vanPro de aanvullende voorwaarden staat een beding dat onder meer betrekking heeft op incassokosten. Dat beding luidt, voor zover relevant, als volgt:
‘ 5. Stichting Prokino zendt na het verstrijken van de betalingsdatum een schriftelijke betalingsherinnering waarin de Ouder de gelegenheid krijgt alsnog te betalen. (…)
6. Stichting Prokino maakt bij het incasseren van onbetaalde facturen aanspraak op vergoeding van de Wettelijke Incassokosten voor consumentenvorderingen door de Ouder.’
2.3.
Dit incassobeding is oneerlijk, omdat de formulering van het beding suggereert dat de consument direct vanaf het moment dat de handelaar onbetaalde facturen gaat incasseren incassokosten verschuldigd is, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BWPro. Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding te onduidelijk en onbegrijpelijk. Dat de eisende partij feitelijk wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd, doet daaraan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.
2.4.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat het incassobeding in artikel 17 vanPro de (mede van toepassing zijnde) Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016 (hierna: de algemene voorwaarden) op zichzelf niet oneerlijk is. In combinatie met het incassobeding in de aanvullende voorwaarden zoals hiervoor geciteerd is het incassobeding in artikel 17 vanPro de algemene voorwaarden echter wel oneerlijk. Uit de inhoud van de voorwaarden blijkt namelijk niet dat een van de twee sets voorwaarden bij tegenstrijdigheid voorgaat op de ander, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de algemene- en de aanvullende voorwaarden tegelijkertijd kunnen worden gehanteerd.
2.5.
Gelet op het voorgaande volgt de kantonrechter dus niet het standpunt van de eisende partij dat in de aanvullende voorwaarden geen oneerlijke bedingen zijn opgenomen en vernietigt de artikelen 17 van de algemene voorwaarden en 14.6 van de aanvullende voorwaarden. Dat betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
2.6.
Ten aanzien van de ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten en de in dat kader toe te passen sanctie blijft de kantonrechter bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
2.7.
De eisende partij stelt in de akte nog dat zij al bezig was met het wijzigen/aanvullen van haar algemene voorwaarden. In dat kader wijst de eisende partij de kantonrechter erop dat de consument, en zo ook de gedaagde partij, in artikel 12 vanPro de aanvullende voorwaarden wordt gewezen op het wettelijke herroepingsrecht. In dat kader wijst de kantonrechter de eisende partij er (nogmaals) op dat dergelijke informatie in de algemene voorwaarden mag staan, maar dat de gedaagde partij er vóór het sluiten van de overeenkomst dan wel tenminste expliciet op moet worden gewezen dát die informatie in de algemene voorwaarden te vinden is (zie ook r.o. 2.6 van het tussenvonnis).
Conclusie en proceskosten
2.8.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 789,52 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 877,24 x 0.9). De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
2.9.
Ook de vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
2.10.
De gedaagde partij heeft reeds een bedrag van € 384,84 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BWPro en wat hiervoor is overwogen, in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 404,68 zal worden toegewezen.
2.11.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de akte komen echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat deze genomen moest worden.
2.12.
Omdat een gedeelte van het gevorderde bedrag niet toewijsbaar is, zal de gedaagde partij ten aanzien van het griffierecht slechts worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag (€ 130,00 in plaats van
€ 328,00).
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 404,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 137,38
griffierecht € 130,00
salaris gemachtigde € 82,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.