Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie,
- de akte overlegging producties van [gedaagde].
2.De feiten
3.Het geschil
€ 316,60-/-
Rechtbank Noord-Holland
De huurder huurde sinds 2012 een woning en kreeg in december 2023 te horen dat verhuurder het pand voor eigen gebruik nodig had. Na onderhandelingen sloten partijen een minnelijke beëindigingsovereenkomst met afspraken over een verhuiskostenvergoeding tot maximaal €5.000 onder voorwaarden, waaronder betaling van de huur voor juni.
Verhuurder stelde dat huurder bedrog pleegde door te zwijgen over het feit dat zij al een andere woning had gekocht, wat de vergoeding zou uitsluiten. Daarnaast betwistte verhuurder de hoogte en het bewijs van de opgevoerde kosten en stelde dat niet aan de voorwaarde van vooruitbetaling van de huur was voldaan.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van bedrog omdat huurder niet verplicht was haar onderhandelingspositie te verzwakken. De gevorderde vergoeding werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van de kosten en het niet voldoen aan de betalingsvoorwaarden. In reconventie werd huurder veroordeeld tot betaling van achterstallige huur voor drie dagen en proceskosten.
De kantonrechter wees de vorderingen van huurder af en veroordeelde haar tot betaling van proceskosten, terwijl verhuurder deels in het ongelijk werd gesteld en eveneens proceskosten moest betalen.
Uitkomst: Vordering verhuiskostenvergoeding afgewezen wegens gebrek aan bewijs en niet-naleving voorwaarden; huurder veroordeeld tot betaling achterstallige huur en proceskosten.