Op 24 juni 2024 werd in een opslagruimte te Zaandam ruim 500 kilogram hennep aangetroffen. De verdachte huurde deze opslagruimte en was de enige met toegang. Hij verklaarde onwetend te zijn over de inhoud, maar de rechtbank achtte zijn verklaring ongeloofwaardig, mede vanwege communicatie via zijn telefoon onder een andere naam.
De verdediging voerde onrechtmatige inzet van bestuursbevoegdheden, onrechtmatige staandehouding en het niet geven van de cautie aan als vormverzuimen, maar de rechtbank oordeelde dat alleen het niet geven van de cautie een onherstelbaar vormverzuim opleverde zonder nadeel voor de verdachte. De officier van justitie was ontvankelijk en het bewijs werd als overtuigend beoordeeld.
De rechtbank veroordeelde de verdachte voor medeplegen van het bezit van een grote hoeveelheid hennep. Gezien de ernst van het feit en de maatschappelijke impact legde de rechtbank een gevangenisstraf van 16 maanden op, conform de eis. Daarnaast werden de hennepvoorwerpen aan het verkeer onttrokken en de telefoon teruggegeven aan de verdachte.