De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Mauritius naar Amsterdam via Parijs op 19 januari 2024. De vervoerder verweerde zich met het argument dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder slechte weersomstandigheden en beperkingen opgelegd door de luchtverkeersleiding.
De kantonrechter stelde vast dat de vertraging inderdaad meer dan drie uur bedroeg, maar dat de vervoerder voldoende had onderbouwd dat deze vertraging niet inherent was aan zijn bedrijfsvoering en dat hij geen invloed had op de weersomstandigheden en de instructies van de luchtverkeersleiding. Ook het ijsvrij maken van het toestel werd als buitengewone omstandigheid erkend.
Verder oordeelde de rechtbank dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken, onder meer door de passagiers tijdig om te boeken op een alternatieve vlucht, zodat zij niet gestrand raakten.
Op grond hiervan wees de kantonrechter het verzoek van de passagiers af en veroordeelde hen tot betaling van de proceskosten. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze beschikking.