De zaak betreft een beroep van eiser tegen het gedeeltelijk afwijzen van een Woo-verzoek gericht op interne en externe correspondentie over de Jerusalem Declaration on Antisemitism. De minister had negen documenten deels of geheel geweigerd op basis van verschillende weigeringsgronden uit de Woo, waaronder bescherming van persoonlijke levenssfeer en het functioneren van de overheid.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, met name ten aanzien van documenten 1 en 5. De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom het belang van het goed functioneren van de overheid zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Ook de toepassing van de weigeringsgrond voor het onleesbaar maken van namen van ambtenaren is niet deugdelijk gemotiveerd.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een bestuurlijke lus omdat dit niet doelmatig zou zijn.